[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats] ,
op dit moment verblijvende in P.I. [plaats] , locatie [locatie] te [plaats] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 augustus 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. D.C. Vlielander, en de advocaat van benadeelde partij [benadeelde] hebben aangevoerd.
Het vonnis waarvan beroep
In het vonnis van de rechtbank is bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan (kortgezegd) het plegen van diefstal met geweld in vereniging, het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving en ontucht (mede bestaande uit het seksueel binnendringen) van een destijds 15-jarige. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met daaraan verbonden een aantal bijzondere voorwaarden. Verder heeft de rechtbank de vordering van benadeelde partij [benadeelde] volledig toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof legt aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Zaak met parketnummer 18-007821-25:
1. primairhij op of omstreeks 30 december 2024 te [plaats] binnen de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een hoeveelheid geld (ongeveer €120,-), (meerdere) zakjes ( 3 a 4 stuks met een gebruikershoeveelheid) cocaïne, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door
- Een mes (een zwart Rambomes met een ramentikker op de achterkant van het mes van ongeveer 30 centimeter) in zijn hand te houden en/of met de punt van het mes te wijzen naar die [naam] en/of te tonen aan die [naam] en/of daarbij te zeggen en/of te schreeuwen:” Stap in de auto “ en/of woorden van soortgelijke aard of strekking en/of die [naam] daarbij achterin een auto te duwen en/of
- Vervolgens (achterin de auto) naast die [naam] te gaan zitten en/of daarbij het mes (nog steeds) in zijn hand te houden en/of te richten op die [naam] en/of
- Te zeggen tegen die [naam] : “Maak je zakken leeg.” En/of woorden van soortgelijke aard of strekking en/of
- Vervolgens die [naam] te steken met het mes en/of die [naam] met het mes te raken in zijn been en/of ten gevolge waarvan die [naam] een wond opliep aan zijn been en/of
- Met zijn hand(en) de zakken van die [naam] leeg te maken en/of daarbij het mes in zijn hand te houden en/of
- Een hoeveelheid geld (ongeveer €120,-) en/of meerdere zakjes cocaïne (3 a 4 stuks met een gebruikershoeveelheid aan cocaïne) van die [naam] af te nemen;
1. subsidiairhij op of omstreeks 30 december 2024 te [plaats] binnen de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (ongeveer €120,- en/of (meerdere) zakjes cocaïne) (een gebruikershoeveelheid aan cocaïne), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [naam] en/of een derde toebehoorde(n) door
- Een mes (een zwart Rambo mes met een ramentikker op de achterkant van het mes van ongeveer 30 centimeter) in zijn hand te houden en/of met de punt van het mes te wijzen naar die [naam] en/of te tonen aan die [naam] en/of daarbij te zeggen en/of te schreeuwen:” Stap in de auto “ en/of woorden van soortgelijke aard of strekking en/of die [naam] daarbij achterin een auto te duwen en/of
- Vervolgens (achterin de auto) naast die [naam] te gaan zitten en/of daarbij het mes (nog steeds) in zijn hand te houden en/of te richten op die [naam] en/of
- Te zeggen tegen die [naam] : “Maak je zakken leeg.” En/of woorden van soortgelijke aard of strekking en/of
- Vervolgens die [naam] te steken met het mes en/of die [naam] met het mes te raken in zijn been en/of ten gevolge waarvan die [naam] een wond opliep aan zijn been en/of
- Met zijn hand(en) de zakken van die [naam] leeg te maken en/of daarbij het mes in zijn hand te houden en/of
- Een hoeveelheid geld (ongeveer €120,-) en/of meerdere zakjes cocaïne (3 a 4 stuks met een gebruikershoeveelheid aan cocaïne) van die [naam] af te nemen;
2.hij op of omstreeks 30 december 2024 te [plaats] binnen de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [naam] wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door
- Een mes (een zwart Rambo-mes met een ramentikker op de achterkant van het mes van ongeveer 30 centimeter) in zijn hand te houden en/of met de punt van het mes te wijzen naar die [naam] en/of te tonen aan die [naam] en/of daarbij te zeggen en/of te schreeuwen:” Stap in de auto “ en/of woorden van soortgelijke aard of strekking en/of
- Vervolgens die [naam] (achter) in de auto (een grijze Bmw) te duwen en/of in de auto (achterin) naast die [naam] te gaan zitten en/of daarbij het mes (nog steeds) in zijn hand te houden en/of te richten op die [naam] en/of
- Vervolgens die [naam] te steken met het mes en/of die [naam] met het mes te raken in zijn been en/of ten gevolge waarvan die [naam] een wond opliep aan zijn been en/of
- Gedurende enige tijd (ongeveer een half uur) met de auto te rijden en/of daarbij (steeds) een mes in zijn hand te houden en/of te tonen aan die [naam] (in de auto) en/of die [naam] te beletten om weg te komen.
Zaak met parketnummer 18-040897-24 (gevoegd):
hij op of omstreeks 20 mei 2023 en/of 21 mei 2023 te [geboorteplaats] , althans in Nederland, met [benadeelde] , geboren op [geboortedatum] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde] , immers heeft hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal,
- een of meer van zijn vingers in de vagina van die [benadeelde] geduwd/gebracht en/of
- zich door die [benadeelde] laten aftrekken en/of
- zijn penis in de vagina van die [benadeelde] geduwd/gebracht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het in de zaak met parketnummer 18-007821-25 onder 1 primair en 2, en het in de zaak met parketnummer 18-040897-24 ten laste gelegde wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het in de zaak met parketnummer 18-007821-25 ten laste gelegde. De raadsman heeft hiertoe naar voren gebracht dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat tussen verdachte en medeverdachte [naam] sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, zodat er geen wettig en overtuigend bewijs is voor medeplegen. De verklaringen van aangever [naam] over de concrete rol van verdachte lopen volgens de verdediging te sterk uiteen om deze te gebruiken voor het bewijs. Het enige dat vaststaat omtrent de rol van verdachte is het feit dat hij met medeverdachte [naam] meeliep, aldus de raadsman.
Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18-040897-24 ten laste gelegde is geen bewijsverweer gevoerd.
Oordeel van het hof
Het hof acht het in de zaak met parketnummer 18-007821-25 onder 1 primair en 2 en het in de zaak met parketnummer 18-040897-24 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen en twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18-007821-25 onder 1 primair en 2 ten laste gelegde overweegt het hof in het bijzonder als volgt.
Het hof heeft aangever [naam] op de zitting van 7 augustus 2026 als getuige gehoord. [naam] verklaarde dat hij zowel verdachte als medeverdachte [naam] achter zich zag staan toen hij op de afgesproken plek kwam, dat beide mannen tegen hem zeiden dat hij in de auto moest stappen en dat hij tussen hen in moest zitten op de achterbank. Deze verklaring komt overeen met de verklaring van [naam] toen hij aangifte deed. Verder heeft [naam] op de zitting van het hof herhaaldelijk verklaard dat hij door beide mannen in de auto is geduwd en dat verdachte hem heeft vastgepakt. Ook heeft [naam] verklaard dat zowel [naam] , [naam] als verdachte tegen hem heeft gezegd dat hij zijn zakken leeg moest maken. Het hof overweegt dat aangever [naam] op hoofdlijnen consequent heeft verklaard. Het hof acht zijn verklaringen dan ook betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
De rechtbank heeft in het vonnis het volgende overwogen met betrekking tot de vraag of sprake is van medeplegen:
De rechtbank stelt (…) vast dat verdachte kort voordat de ten laste gelegde gedragingen hebben plaatsgevonden wist dat [naam] een conflict had met aangever en dat [naam] op dat moment in het bezit was van een mes. Vervolgens is verdachte samen met [naam] naar aangever gelopen, heeft verdachte aangever vastgepakt en hebben zij hem gezamenlijk de auto in gedwongen. Dat verdachte op dat moment al in de auto zou hebben gezeten, zoals hij zelf heeft verklaard, vindt naar het oordeel van de rechtbank op geen enkele manier ondersteuning in het dossier. De rechtbank hecht daarbij met name waarde aan de waarneming van de onafhankelijke getuige [getuige] , die heeft gezien dat er drie mannen buiten de auto stonden en dat één persoon de auto in werd geduwd. Dat verdachte één van die drie mannen was, staat wat de rechtbank betreft vast.
Verdachte heeft door zijn continue aanwezigheid een belangrijke rol gespeeld. Daarnaast heeft verdachte door plaats te nemen in de auto naast aangever een essentiële bijdrage geleverd aan het feit dat [naam] de auto niet kon verlaten. De rechtbank stelt voorts vast dat ook verdachte in de auto tegen aangever heeft gezegd dat hij zijn zakken leeg moest maken. Dat verdachte heeft verklaard dat hij dit zou hebben gezegd om zo spoedig mogelijk een einde te maken aan de situatie, doet niet af aan het feit dat hij hiermee een significante bijdrage heeft geleverd aan de diefstal met geweld en de vrijheidsberoving van aangever.
De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van verdachte en zijn medeverdachte(n) naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op de diefstal met geweld en de wederrechtelijke vrijheidsberoving te zijn gericht dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte en zijn medeverdachte(n) hier ook opzet op hebben gehad.
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte(n) die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering.
Het hof neemt deze overweging over en maakt die tot de zijne. Het hof gaat voorbij aan het verweer van de raadsman dat de verklaring van getuige [getuige] niet voor het bewijs kan worden gebruikt. Gelet op het proces-verbaal zoals dat is opgemaakt door verbalisant [verbalisant] d.d. 30 december 2024, bestond bij de getuige weliswaar de behoefte om anoniem te blijven, maar is hier geen gevolg aangegeven. Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de inhoud van de verklaring van [getuige] zoals deze is opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen.
Gelet op het voorgaande acht het hof het in de zaak met parketnummer 18-007821-25 onder 1 primair en 2 wettig en overtuigend bewezen.
Bewijsmiddelen
De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
Zaak met parketnummer 18-007821-25:
1. De door verdachte op de zitting bij de rechtbank van 17 april 2025 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Ik ben op 30 december 2024 samen met [naam] en [naam] in de auto van [naam] naar [plaats] gereden. Mij was verteld dat [naam] nog langs [naam] moest voor een ID-kaart en geld. [naam] en ik zijn uitgestapt, waarna [naam] alleen naar [naam] is gereden. Ik kon op een afstand zien wat er gebeurde. Toen ik met [naam] stond te wachten zag ik dat hij een mes bij zich had. [naam] zei toen dat hij nog een appeltje te schillen had met [naam] . [naam] ging toen achter [naam] staan en schreeuwde naar hem dat hij in de auto moest stappen. [naam] heeft [naam] de auto in gedwongen. Hij is niet vrijwillig de auto ingestapt. Ik zat in de auto naast [naam] op de achterbank. Aan de andere kant van [naam] zat [naam] . [naam] had een mes in zijn hand en die hield hij de hele tijd gericht op het been van [naam] . Hij heeft [naam] toen tijdens het rijden ook in zijn been gestoken. Het klopt wel dat ik in de auto tegen [naam] heb gezegd dat hij zijn zakken moest legen.
2. De door getuige [naam] op de zitting van het hof van 7 augustus 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
[naam] [het hof begrijpt: [naam] ] kijkt bij het uitstappen uit haar auto langs mij. Als ik achter mij kijk, zie ik [naam] en [verdachte] staan. Zij zeiden beiden dat ik in de auto moest stappen. Ze duwden mij beide in de auto, ik moest in het midden zitten. Toen hebben ze allebei spullen uit mijn zakken gehaald. [verdachte] heeft mij absoluut vastgepakt. Alle drie zeiden ze dat ik mijn zakken leeg moest maken.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 30 december 2024, opgenomen op pagina 14 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024354899 (onderzoek ‘ [naam] ’) d.d. 19 januari 2025, inhoudend de verklaring van [naam] :
Ik had met [naam] [het hof begrijpt: [naam] ] afgesproken. Ik zou in [plaats] mijn identiteitskaart terugkrijgen. Terwijl ik naar de weg liep zag ik een grijze BMW aankomen rijden. Ik zag dat [naam] reed, [naam] stapte vervolgens uit en liep naar mij toe. Ik gaf haar een geldbriefje van twintig euro om zo mijn identiteitskaart terug te kopen. Op dat moment liep [naam] weg en zag ik dat [naam] en nog een donkere jongen achter mij stonden. [naam] [het hof begrijpt: [naam] ] stond rechts achter mij en die andere donkere jongen stond links achter mij. Ik zag dat [naam] een mes in zijn hand vast hield. Ik zag dat hij dit mes in zijn rechterhand vasthield. Ik zag dat [naam] het scherpe deel van het mes met de punt richting mij wees. Ik hoorde [naam] , maar ook die andere jongen zeggen dat ik in de auto moest stappen. Dit zeiden ze terwijl zij het mes in mijn richting hielden. Met de auto bedoel ik de grijze BMW van [naam] . Ik moest achter in de auto stappen. Voorin zat [naam] als bestuurder. Ik moest in het midden gaan zitten. Links van mij kwam de donkere jongen zitten en [naam] kwam rechts van mij achter in de auto zitten. [naam] heeft de gehele tijd het mes in zijn rechterhand gehouden, gericht naar mij. Alle drie zeiden dat ik mijn zakken moest legen. Dit zeiden ze terwijl [naam] een mes op mij gericht hield. Terwijl dit allemaal gebeurde stak [naam] mij in mijn rechterbeen. Ik zag dat hij mij stak. Vlak nadat ik was gestoken zag ik bloed door mijn broek komen. Dit heeft allemaal een half uurtje geduurd. [naam] heeft mijn zakken geleegd met zijn handen. Hij hield ook nog steeds het mes vast terwijl hij de spullen uit mijn zakken haalde. Ik had onder andere nog geld in mijn broekzak zitten en ik had cocaïne in mijn broekzak zitten. Ik had meerdere zakjes cocaïne bij me voor eigen gebruik. Dit geld en de cocaïne hebben ze van mij afgenomen. Het mes waarmee ik gestoken ben betrof een mes van ongeveer dertig centimeter. Doordat ik ben gestoken met een mes heb ik een wond op mijn rechterbeen.
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 december 2024, opgenomen op pagina 34 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] :
Een van de winkeliers, zijnde [getuige] , was getuige van de worsteling op straat. Getuige verklaarde mij, verbalisant [verbalisant] , het volgende:
Ik hoorde veel geschreeuw. Ik ben toen naar het geschreeuw gelopen. Ik zag een grijskleurige BMW staan. Ik zag 3 mannen om de auto staan. Ik zag dat man 1 man 2 een stomp in zijn buik gaf. Ik zag dat man 1 met zijn rechterhand in de buik van man 2 sloeg. Ik zag dat man 2 vervolgens voorover boog. Ik zag dat man 1, man 2 achter in de auto duwde. Ik zag dat man 3 ook achter in de auto stapte.
5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor medeverdachte [naam] d.d. 5 januari 2025, opgenomen op pagina 83 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [naam] :
[naam] is mij en degene die reed geld schuldig. Toen kwamen we hem tegen, toen heb ik hem de auto ingedaan. Ik heb hem alles afgepakt wat hij bij zich had samen met een ander. [verdachte] zat ook in de auto. We hadden afgesproken in [plaats] . [verdachte] en ik zijn eerder afgezet, daardoor kon [naam] ons niet zien. Hij schrok toen hij ons zag. Ik krijg nog geld van jou zei ik. Ik vroeg hem of hij de auto in wilde gaan. Hij wilde wegrennen en toen pakte [verdachte] hem vast en toen ging hij wel mee. Hij had niet de mogelijkheid om weg te gaan, want dan had ik hem nog een paar schoppen gegeven. Ik heb geld en drugs afgepakt.
Zaak met parketnummer 18-040897-24 (gevoegd):
Het hof volstaat met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en de verdediging geen vrijspraak heeft bepleit.
1. De bekennende verklaring van verdachte afgelegd op de zitting bij de rechtbank van 17 april 2025;
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 27 november 2023, opgenomen op pagina 70 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2023129369 (NNRBC 23 240, onderzoek ‘ [naam] ’) d.d. 25 januari 2024, inhoudend de verklaring van verdachte [verdachte] ;
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 8 juni 2023, opgenomen op pagina 24 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [benadeelde] .
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-007821-25 onder 1 primair en 2 en in de zaak met parketnummer 18-040897-24 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:
Zaak met parketnummer 18-007821-25:
1.primairhij op 30 december 2024 binnen de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een hoeveelheid geld en meerdere zakjes met een gebruikershoeveelheid cocaïne die aan [naam] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [naam] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken door
- een mes van ongeveer 30 centimeter in zijn hand te houden en met de punt van het mes te wijzen naar die [naam] en te tonen aan die [naam] en daarbij te zeggen en/of te schreeuwen: “Stap in de auto” en die [naam] daarbij achterin een auto te duwen en;
- vervolgens (achterin de auto) naast die [naam] te gaan zitten en daarbij het mes in zijn hand te houden en te richten op die [naam] en;
- te zeggen tegen die [naam] : “Maak je zakken leeg” en;
- vervolgens die [naam] te steken met het mes ten gevolge waarvan die [naam] een wond opliep aan zijn been en;
- met zijn handen de zakken van die [naam] leeg te maken en daarbij het mes in zijn hand te houden en;
- een hoeveelheid geld en meerdere zakjes cocaïne met een gebruikershoeveelheid aan cocaïne van die [naam] af te nemen;
2.hij op 30 december 2024 binnen de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [naam] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door
- een mes van ongeveer 30 centimeter in zijn hand te houden en met de punt van het mes te wijzen naar die [naam] en te tonen aan die [naam] en daarbij te zeggen en te schreeuwen: ”Stap in de auto” en;
- vervolgens die [naam] achter in de auto (een grijze Bmw) te duwen en in de auto achterin naast die [naam] te gaan zitten en daarbij het mes in zijn hand te houden en te richten op die [naam] en;
- vervolgens die [naam] te steken met het mes ten gevolge waarvan die [naam] een wond opliep aan zijn been en;
- gedurende ongeveer een half uur met de auto te rijden en daarbij steeds een mes in zijn hand te houden en te tonen aan die [naam] in de auto en die [naam] te beletten om weg te komen.
Zaak met parketnummer 18-040897-24 (gevoegd):
1.hij op 20 mei 2023 en/of 21 mei 2023 te [geboorteplaats] , met [benadeelde] , geboren op [geboortedatum] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde] , immers heeft hij, verdachte
- een of meer van zijn vingers in de vagina van die [benadeelde] geduwd/gebracht en;
- zich door die [benadeelde] laten aftrekken en;
- zijn penis in de vagina van die [benadeelde] geduwd/gebracht.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het in de zaak met parketnummer 18-007821-25 onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Het in de zaak met parketnummer 18-007821-25 onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.
Het in de zaak met parketnummer 18-040897-24 bewezenverklaarde levert op:
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal met geweld en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Verdachte heeft, samen met zijn medepleger(s), niet alleen materiële schade en lichamelijk letsel veroorzaakt, maar ook ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit, de persoonlijke vrijheid van aangever en zijn eigendomsrecht. Bovendien heeft verdachte met zijn handelen angstgevoelens bij hem teweeggebracht. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen (met seksueel binnendringen) met aangeefster [benadeelde] , die destijds 15 jaar oud was. Met zijn handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van aangeefster, en haar normale en gezonde seksuele ontwikkeling, waar ieder kind recht op heeft, ruw verstoord.
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het strafblad van verdachte van 3 juli 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens soortgelijke strafbare feiten. Ook blijkt uit het strafblad dat verdachte in het verleden is veroordeeld tot verblijf in een inrichting voor stelselmatige daders, maar desondanks wederom onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
Verder heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Het hof heeft hieromtrent kennisgenomen van een verdachte betreffend reclasseringsrapport van 8 april 2025. De reclassering schrijft dat verdachte sinds 1 mei 2014 geregistreerd staat als veelpleger. Volgens de reclassering is sprake van verschillende delictgerelateerde factoren, zoals drugsverslaving, een licht verstandelijke beperking (LVB), ADHD en psychotrauma. Door zijn LVB achtergrond heeft verdachte moeite met het overzien van problemen en het vinden van adequate oplossingen. Daarnaast handelt hij impulsief, wat past bij ADHD en verslaving. De instabiele woonsituatie van verdachte en zijn omgang met criminele en verslaafde personen verhogen de kans op recidive. Verdachte heeft op de zitting van het hof verklaard zich te herkennen in het beeld dat de reclassering schetst.
Verder schrijft de reclassering dat er, gezien de ernst en diversiteit van de tenlasteleggingen, op verzoek de reclassering verdiepingsdiagnostiek is uitgevoerd. Er wordt verblijf in een beschermde woonvorm (waarbinnen expertise aanwezig is op het gebied van LVB) en een ambulante behandelverplichting geadviseerd. Dit biedt verdachte volgens de reclassering de kans om zijn leven op de rit te krijgen en verdere recidive te voorkomen. Om de motivatie van verdachte kracht bij te zetten adviseert de reclassering oplegging van een (fors) voorwaardelijk strafdeel als stok achter de deur. De reclassering adviseert aan dit voorwaardelijk strafdeel de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen en deze voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren:
Het hof overweegt dat het in zijn straftoemeting rekening houdt met het feit dat de rol van verdachte bij de diefstal met geweld en wederrechtelijke vrijheidsberoving kleiner was dan de rol van medeverdachte [naam] . Tegelijk weegt het hof het zedenfeit zwaar mee in de straftoemeting. Het hof acht enkel oplegging van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur op zijn plaats. Een situatie zoals bedoeld in artikel 67a lid 3 Wetboek van Strafvordering doet zich niet voor zodat het hof geen reden ziet de voorlopige hechtenis op te heffen, zoals door de raadsman verzocht. Gelet op hetgeen de reclassering schrijft, is het hof van oordeel dat een fors voorwaardelijk strafdeel moet worden opgelegd, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden die de reclassering adviseert. Daarnaast is het hof van oordeel dat als bijzondere voorwaarde een contactverbod jegens aangeefster [benadeelde] moet worden opgelegd.
Gelet op het voorgaande acht het hof het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Het voorwaardelijk strafdeel moet verdachte ervan weerhouden wederom strafbare feiten te plegen. Aan de voorwaardelijke straf zal het hof de eerdergenoemde bijzondere voorwaarden verbinden.
Gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de veelvuldige recidive van verdachte, is het hof van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Het hof zal daarom de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden bevelen.
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.075,00 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen. De vordering is ook in hoger beroep aan de orde.
Op de zitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 18-040897-24 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Ten aanzien van de materiële schade gaat het hof uit van de schade zoals deze is gevorderd. De waarde van de afgegeven kleding is geschat op € 75,00 en het hof sluit zich bij deze schatting aan.
Ten aanzien van de immateriële schade overweegt het hof als volgt. Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan onder meer een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in de persoon is aangetast. De vordering is onderbouwd met stukken van zorgverlener [bedrijf] , waaruit blijkt dat bij de benadeelde partij naar aanleiding van het bewezenverklaarde een posttraumatische stressstoornis is vastgesteld. Hiervoor is de benadeelde partij gestart met EMDR-therapie. Ook heeft de benadeelde partij op advies van [bedrijf] besloten gebruik te maken van een intensieve behandeling in een kliniek.
Het hof leidt uit voorgaande af dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde handelen van verdachte in de persoon is aangetast, zodat de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 lid 1 aanhef en onder b BW in aanmerking komt voor schadevergoeding. Het hof zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar billijkheid schatten op een bedrag van € 5.000,00, waarbij is gelet op de ernst en de gevolgen van het bewezenverklaarde en op bedragen aan immateriële schadevergoeding die volgens de Rotterdamse Schaal in vergelijkbare gevallen doorgaans worden toegekend.
Verdachte moet de schade vergoeden. De vordering wordt daarom toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 57, 63, 245, 282 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-007821-25 onder 1 primair en 2 en in de zaak met parketnummer 18-040897-24 ten laste gelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 18-007821-25 onder 1 primair en 2 en in de zaak met parketnummer 18-040897-24 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 (veertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met de veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich laat behandelen door [bedrijf] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de verdachte zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte verblijft in de beschermde woonvorm van [locatie] in [geboorteplaats] of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte toont openheid van zaken ten aanzien van zijn financiële situatie.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol, harddrugs en softdrugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met aangeefster [benadeelde] , geboren op [geboortedatum] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat voormelde voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-040897-24 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.075,00 (vijfduizend vijfenzeventig euro) bestaande uit € 75,00 (vijfenzeventig euro) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-040897-24 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.075,00 (vijfduizend vijfenzeventig euro) bestaande uit € 75,00 (vijfenzeventig euro) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 50 (vijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 21 mei 2023.
Dit arrest is gewezen door mr. F.E.J. Goffin, mr. Z.J. Oosting en mr. A.F. van Kooij, in aanwezigheid van de griffier mr. G. Krist en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 21 augustus 2026.