GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.324.171/01 en 200.327.913/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/137958 / FA RK 21-2423)
beschikking van 25 augustus 2026
in de zaak van
[verzoekster] (de moeder),
die woont in [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep (zaaknummer 200.324.171/01),verweerder in hoger beroep (zaaknummer 200.327.913/01),
advocaat: mr. M. Elderhuis te Drachten,
en
[verweerder] (de vader),
die woont op een geheim te houden adres,
verzoeker in hoger beroep (zaaknummer 200.327.913/01),verweerder in hoger beroep (zaaknummer 200.324.171/01),
advocaat: voorheen mr. J.A.M. Staal-Olislaegers, thans mr. F. Zoer te Meppel.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming (de raad),
regio Noord Nederland, locatie Groningen.
1. Het verloop van het geding in hoger beroep
Voor het verloop van het geding tot 19 december 2023 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
Het verdere verloop blijkt uit:
- een tussenrapport [de minderjarige2] van 27 juni 2024 met bijlagen;- een eindbrief van [de minderjarige2] van 2 januari 2025 met bijlage;- een brief namens de moeder van 29 januari 2025;- een brief namens de vader van 30 januari 2025;- een rapport van de raad van 12 november 2025;- een brief van de raad van 17 november 2025;
- een journaalbericht namens de moeder van 16 april 2026 met bijlagen;
-een brief namens de vader van 23 april 2026 met bijlagen;
- een journaalbericht namens de vader van 29 april 2026 met bijlagen;
- een journaalbericht namens de moeder van 30 april 2026 met bijlagen.
Op 6 mei 2026 is de mondelinge behandeling voortgezet. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad is een vertegenwoordiger verschenen. Mr. Staal-Olislaegers heeft mede het woord gevoerd aan de hand van de door haar overgelegde pleitnota.
Na sluiting van de mondelinge behandeling van 6 mei 2026 heeft de vader de raadsheren van het hof gewraakt, waarna de zaak is aangehouden. Bij beslissing van 2 juli 2026 heeft de wrakingskamer van het hof het verzoek tot wraking afgewezen. Het hof heeft vervolgens een datum voor uitspraak bepaald.
De zonder toestemming van het hof na sluiting van de mondelinge behandeling ingezonden stukken zijn buiten beschouwing gelaten.
2. De motivering van de beslissing
Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de beschikking van 19 december 2023, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.
In die beschikking heeft het hof de partijen verwezen naar het hulpverleningstraject ‘Hulp na Scheiding’ van [de minderjarige2] voor hulp aan de ouders en het starten van omgang onder begeleiding tussen de vader en [de minderjarige1] . Daarnaast heeft het hof bij een niet positief verlopen traject opdracht gegeven aan de raad een onderzoek te verrichten naar het gezag over [de minderjarige1] en een zorg- en contactregeling tussen de vader en [de minderjarige1] en daarover bij het hof een rapport in te dienen.
Uit de stukken is gebleken dat er drie begeleide omgangsmomenten tussen de vader en [de minderjarige1] zijn geweest en een aantal gezamenlijke gesprekken tussen de ouders. [de minderjarige2] adviseert in de eindrapportage het ouderschap zo in te richten dat er weinig onderlinge afstemming nodig is en benoemt een aantal punten waarop ouders wel en waarop ouders niet tot overeenstemming kunnen komen. De hulpverlening bij [de minderjarige2] is daarmee beëindigd en de raad is daarna een onderzoek gestart. Op 12 november 2025 heeft de raad een eindrapport ingediend met een advies.
Gezag Wettelijk kader
Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Contra-expertise
Wettelijk kader
Artikel 810a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
bepaalt dat in zaken betreffende minderjarigen, uitgezonderd zaken als bedoeld in het tweede lid alsmede die welke het levensonderhoud van een minderjarige betreffen, de rechter pas beslist nadat een ouder, indien deze daarom verzoekt, in de gelegenheid is gesteld een rapport van een niet door de rechter benoemde deskundige over te leggen, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.
Het tweede lid bepaalt dat in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag of van de voogdij, de rechter op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.
Het oordeel van het hof
Partijen hebben na de tussenbeschikking van 19 december 2023 een traject van ouderschap na scheiding gevolgd. Daarbij is uitgebreid geïnvesteerd in het nader tot elkaar brengen van ouders. Dit heeft deels een positief resultaat gehad. Ouders zijn tot overeenstemming gekomen over de contacten tussen de vader en [de minderjarige1] . Op veel punten is er echter verschil van mening gebleven. Dit heeft na de tussenbeschikking van het hof geleid tot twee procedures tussen ouders over gezagskwesties. Ouders verschillen van mening over veel basale kwesties betreffende de opvoeding. Zo was er een geschil over de behandeling van [de minderjarige1] toen zij krentenbaard had; de vader wilde behandeling volgens de natuurgeneeswijze met kruiden, de moeder wilde een behandeling met antibiotica zoals de dokter voorschreef. Er is verschil van mening over het volgen van het rijksvaccinatieprogramma en ook de schoolkeuze leidt tot veel discussies. [de minderjarige1] is nog jong en in haar leven zullen veel beslissingen genomen moeten worden waarvan sommige (zoals bij medisch urgente kwesties) mogelijk snel ingrijpen vergen. Partijen zijn -zo blijkt uit het dossier- beiden overtuigd van hun meningen en argumenteren lang om de ander te overtuigen van hun standpunt. Het hof neemt aan dat zij dit beiden doen vanuit hun liefde voor [de minderjarige1] en de wens voor haar het beste te willen kiezen. Echter, met de raad is het hof van oordeel dat moet worden geconcludeerd dat zij niet in staat zullen zijn gezamenlijk het gezag uit te oefenen zonder dat [de minderjarige1] klem komt te zitten. Intensieve mediation zonder dat zij tot een ouderschapsplan zijn gekomen, diverse rechterlijke procedures, de ook nu nog diverse lopende discussies en de volstrekt verschillende wijze hoe zij in het leven staan en beiden vasthoudend zijn in hun overtuigingen, brengen het hof tot deze conclusie.
Zowel de moeder als de vader zijn naar het oordeel in staat het gezag uit te oefenen. Het is echter de moeder die van rechtswege belast is met het gezag. De vraag of de vader nu mede met het gezag moet worden belast leidt, omdat zij niet in staat zijn het gezag samen uit te uitoefenen, het hof tot het oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord.
De vader heeft verzocht de beslissing aan te houden in afwachting van de beslissing op zijn klacht op het raadsonderzoek. Ook heeft hij het hof verzocht een contra-expertise te laten verrichten in de zin van 810a Rv waartoe volgens hem wellicht een deskundige van het NIFP benoemd kan worden. Namens de vader is ter zitting toegelicht dat het weliswaar is geformuleerd als een verzoek in de zin van lid 2 van artikel 810a Rv, maar dat het verzoek voor contra-expertise moet worden begrepen als een verzoek in de zin van lid 1 van voornoemd artikel. De vader beoogt daarmee te bewerkstelligen dat er een nader onderzoek wordt verricht naar de vraag of gezamenlijk gezag mogelijk is. Het hof begrijpt uit de stellingen en toelichting van de vader dat onderzocht moeten worden waarom ouders steeds verschil van mening hebben en houden. Deze oorzakenanalyse kan helpen de juiste hulp te vinden. De klacht van de vader bij de raad ziet onder meer op het ontbreken van een dergelijke analyse, waarom het rapport en advies van de raad wat hem betreft niet gebruikt zou mogen worden.
Het hof zal het verzoek van de vader om op de voet van artikel 810a lid 1 Rv in de gelegenheid te worden gesteld een rapport van een deskundige over te leggen, afwijzen. Het verzoek is onvoldoende onderbouwd en onvoldoende concreet. Het bevat niet de daarvoor benodigde elementen, zoals de naam van een deskundige die hij opdracht had willen geven of concrete onderzoeksvragen die hij had willen stellen en ook is geen verzoek tot aanhouding gedaan om hem de gelegenheid te geven een rapport in te dienen. Voor zover de vader heeft bedoeld zijn verzoek op artikel 810a lid 2 Rv te baseren, oordeelt het hof dat het tweede lid niet van toepassing is nu sprake is van een geschil tussen de ouders onderling. Het tweede lid regelt het recht op een contra-expertise in zaken waarin een maatregel van kinderbescherming wordt getroffen. Ook de verwijzing die zijn advocaat, mr. Staal-Olislaegers namens hem heeft gedaan naar de zaak [naam] t. Nederland (EHRM 15 april 2025, nr. 45644/18), ziet op een zaak waarin sprake was van een maatregel van kinderbescherming en is derhalve niet relevant in de onderhavige zaak..
Het hof ziet evenmin zelf aanleiding om de zaak aan te houden voor het verrichten van een contra-expertise. Een onderzoek waarbij met name een oorzakenanalyse verricht zou moeten worden kan niet bijdragen aan de beslissing en is naar het oordeel van het hof in strijd met het belang van [de minderjarige1] . Het hof acht een onaanvaardbaar risico aanwezig dat zij bij verdere voortduring van onduidelijkheid omtrent het gezag, [de minderjarige1] klem zal blijven zitten tussen de vader en de moeder. Om diezelfde reden zal ook het verzoek van de vader tot aanhouding vanwege de klacht bij de raad worden afgewezen. De overige klachten die bij de raad zijn neergelegd kunnen niet tot een ander oordeel leiden.
Het hof zal dan ook in het hoger beroep met zaaknummer 200.324.171/01 het verzoek van de moeder toewijzen en de bestreden beschikking van 14 december 2022 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, waarin de vader samen met de moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige1] , vernietigen.
Omgang
Het oordeel van het hof 2.12 Het hof zal in het hoger beroep met zaaknummer 200.327.913/01 de bestreden beschikking van 2 maart 2023 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, waarin het verzoek van de vader tot vaststelling van een zorg- en contactregeling is afgewezen, ook vernietigen. Het hof overweegt daartoe het volgende.
De vader wil een regeling waarbij [de minderjarige1] één keer per twee weken een weekend, iedere dinsdag na schooltijd tot 18.00 uur en de helft van alle schoolvakanties, feestdagen en margedagen bij hem verblijft. Daarnaast verzoekt hij te bepalen dat de moeder [de minderjarige1] na afloop van de omgangsmomenten ophaalt bij de vader en andersom. De moeder heeft hier bezwaren tegen. Zij maakt zich zorgen of de vader deze regeling wel zal naleven. Tijdens de zitting heeft zij echter aangegeven in te kunnen stemmen met het verzoek van de vader, met uitzondering van het halen en brengen vanwege de reisafstand en de zorg voor haar jonge kind en de verdeling in de zomervakantie.
Momenteel loopt er een regeling waarbij [de minderjarige1] één weekend per twee weken bij de vader is en er is een videobel-afspraak. Er is geen omgang op doordeweekse dagen. De raad adviseert duidelijke afspraken over de omgang te maken, zodat [de minderjarige1] kan genieten van structureel contact met beide ouders. Tijdens de zitting is gebleken dat de huidige weekendregeling goed wordt nageleefd. Het hof is het met de raad eens dat het in het belang van [de minderjarige1] is om een duidelijke en gestructureerde omgangsregeling met haar ouders te hebben. Ter zitting is naar voren gekomen dat de ouders het eens zijn over de huidige weekendregeling en de extra omgang op dinsdagmiddag. Het hof zal daarom deze weekendregeling, waarbij [de minderjarige1] één weekend per veertien dagen bij de vader is, vastleggen. Daarnaast voegt het hof daaraan toe dat [de minderjarige1] op dinsdagmiddag vanaf schooltijd tot 18.00 uur bij de vader verblijft. De ouders zijn het niet eens over het halen en brengen van [de minderjarige1] bij deze omgangsmomenten. Het hof bepaalt dat de vader, gelet op de relatief korte tijdsduur van de omgang op die dag, [de minderjarige1] op dinsdagen haalt en brengt, terwijl het halen en brengen in het weekend door de ouders onderling wordt verdeeld. Met betrekking tot de zomervakantie legt het hof vast dat [de minderjarige1] de eerste twee weken bij de ene ouder verblijft, de daaropvolgende twee weken bij de andere ouder, en de laatste twee weken om en om bij elke ouder. Dit geldt, tenzij de ouders vóór 1 februari van elk jaar in onderling overleg anders besluiten. Margedagen worden hierbij niet als vakantiedagen meegeteld. Verder stelt het hof, overeenkomstig het verzoek van de vader, vast dat de overige vakanties bij helfte worden verdeeld waarbij geldt dat bij een vakantie van twee weken [de minderjarige1] de eerste week bij de ene ouder verblijft en de tweede week bij de andere en het jaar daarop omgekeerd. Het hof is van oordeel dat deze verdeling het meest recht doet aan het belang van [de minderjarige1] .
3. De slotsom
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking in de zaak met zaaknummer 200.324.171/01 en de bestreden beschikking in de zaak met zaaknummer 200.327.913/01 vernietigen en beslissen als volgt.
4. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
in de zaak met zaaknummer 200.324.171/01
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 14 december 2022, ten aanzien van de beslissing over het gezag over [de minderjarige1] en wijst af het inleidend verzoek van de vader tot gezamenlijk gezag;
in de zaak met zaaknummer 200.327.913/01
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 2 maart 2023 en opnieuw beschikkende:
en bepaalt dat: - [de minderjarige1] één weekend per twee weken, van vrijdag 14.15 uur tot zondag 16.00 uur bij de vader verblijft;- [de minderjarige1] iedere dinsdag na schooltijd tot 18.00 uur bij de vader verblijft;- de vader [de minderjarige1] ophaalt en wegbrengt voor en na de omgangsmomenten op dinsdagen;- de ouders het ophalen en het wegbrengen voor het overige om en om verdelen;- [de minderjarige1] tijdens de zomervakantie de eerste twee weken bij de ene ouder zal verblijven, de twee weken daarop bij de andere ouder, en de laatste twee weken één om één, tenzij de ouders in onderling overleg voor 1 februari van dat jaar anders beslissen;
- de overige vakanties bij helfte worden verdeeld waarbij geldt dat bij een vakantie van twee weken [de minderjarige1] de eerste week bij de ene ouder verblijft en de tweede week bij de andere en het jaar daarop omgekeerd;
in beide zaken
verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.A.F. Veenstra, mr. L. van Dijk en mr. S. Rezel, bijgestaan door mr. I.I. Buitenhuis als griffier, en is op 25 augustus 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.