GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.360.302/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 561346)
beschikking van 25 augustus 2026
in de zaak van
[verzoekster] (de vrouw),
die woont in [woonplaats] ,
verzoekster in het principaal hoger beroep,
verweerster in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. D.G. Nagel te Almere,
en
[verweerder] (de man),
die woont in [woonplaats] ,
verweerder in het principaal hoger beroep,
verzoeker in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. W.F. Wienen te Almere.
1. De procedure in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 13 september 2024 en 14 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De beschikking van 14 juli 2025 wordt de bestreden beschikking genoemd.
2. De procedure in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 6 oktober 2025;
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met bijlage(n);
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met bijlage(n);
- journaalberichten namens de vrouw van 26 januari 2026 en 4 juni 2026 met bijlage(n);
- journaalberichten namens de man van 26 juni en 30 juni 2026 met bijlage(n);
- journaalberichten namens de vrouw van 30 juni 2026, 2 juli 2026 en 3 juli 2026 met bijlage(n).
De mondelinge behandeling heeft op 7 juli 2026 plaatsgevonden. Beide partijen zijn met hun advocaten verschenen.
3. De feiten
De partijen zijn [in] 1993 met elkaar getrouwd. Bij beschikking van 24 april 2019 is de echtscheiding uitgesproken. In deze beschikking is bepaald dat het door partijen op 4 april 2019 ondertekende convenant deel uitmaakt van de beschikking. De echtscheidingsbeschikking is vervolgens ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de Burgerlijke Stand.
In het convenant is met betrekking tot de partneralimentatie, voor zover hier van toepassing, het volgende opgenomen:
“ 2. Levensonderhoud
Behoefte aan partneralimentatie
Partijen stellen de huwelijksgerelateerde behoefte van partijen vast op € 2.710,- netto per maand. De behoefte is berekend op basis van 60% van het netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk (…).
Partneralimentatie
Partijen stellen de partneralimentatie vast aan de hand van een draagkrachtberekening conform de tremanormen.
Partijen komen op basis van de behoefte en draagkracht overeen dat de man aan de vrouw een partneralimentatie verstrekt van € 3.017,- bruto per maand (…).
Partijen zijn ermee bekend dat de hiervoor genoemde partneralimentatie belast is bij de ontvanger en bij de betaler als persoonsgebonden aftrek in aanmerking mag worden genomen. Ten tijde van het opstellen van dit convenant is een wetsvoorstel aangenomen waarmee de persoonsgebonden aftrek van de partneralimentatie wordt beperkt. Hierdoor kan het zijn dat de man minder belasting terugkrijgt over de betaalde partneralimentatie dan in de berekening van de alimentatie is uitgerekend. Partijen vinden dat een reden om de partneralimentatie te herzien als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
de man netto € 270,00 per maand meer kwijt is aan partneralimentatie ten opzichte van het jaar waarin de partneralimentatie is ingegaan. Bij de berekening van het netto bedrag wordt geen rekening gehouden met de indexatie;
de man heeft aantoonbaar gemaakt dat de netto alimentatielast daadwerkelijk is gestegen;
een aanpassing werkt niet verder terug dan de eerste van de maand nadat de man de wijziging heeft verzocht.
(…)
Inkomen van de alimentatiegerechtigde
Bij de vaststelling van de alimentatie voor de vrouw is er vanuit gegaan dat de vrouw ten tijde van het ondertekenen van het convenant geen inkomsten uit arbeid heeft. De vrouw zal zich inspannen om in de komende jaren een betaalde baan te vinden, teneinde tenminste ten dele in het eigen levensonderhoud te voorzien.
Indien de vrouw inkomsten uit arbeid gaat genieten, zullen deze inkomsten zolang zij een bedrag van € 6.500,- bruto per jaar niet te boven gaan geen invloed hebben op de hoogte van de alimentatie. Indien de eigen inkomsten uit arbeid dit bedrag van € 6.500,- bruto per jaar te boven gaan, zal de alimentatie verminderd worden met 75% van het meerdere.
De in dit artikel genoemde bedragen worden jaarlijks per 1 januari, voor het eerst op 1 januari 2020 verhoogd met hetzelfde percentage als waarmee de alimentatie ingevolge de in dit artikel vastgestelde indexeringsregeling zal stijgen.
Desgevraagd is de vrouw gehouden om binnen zes maanden na afloop van een kalenderjaar aan de man een jaaropgave of een aanslag inkomstenbelasting te overleggen om te bezien of de partneralimentatie aanpassing behoeft. Een aanpassing werkt niet verder terug dan de eerste dag van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop de jaaropgave of de aanslag inkomstenbelasting betrekking heeft.
Inkomen van de alimentatieplichtige Bij de vaststelling van de alimentatie is er vanuit gegaan dat de man ten tijde van het ondertekenen van het convenant een inkomen heeft van € 107.380,- bruto per jaar.
Partijen hebben afgesproken dat de eventuele eigen inkomsten van de man geen invloed hebben op de partneralimentatie zolang deze met minder dan 10% stijgen of dalen. Indien de stijging of daling hoger is dan het voornoemde percentage, treden partijen in overleg of de partneralimentatie gewijzigd dient te worden. Desgevraagd is de man gehouden om binnen zes maanden na afloop van een kalenderjaar aan de man een jaaropgave of een aanslag inkomstenbelasting te overleggen om te bezien of de partneralimentatie aanpassing behoeft. Een aanpassing werkt niet verder terug dan de eerste dag van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop de jaaropgave of de aanslag inkomstenbelasting betrekking heeft.
(…)”
4. Het geschil
Bij de bestreden beschikking is, voor zover hiervan belang, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Limburg van 24 april 2019 en het daarvan deel uitmakende echtscheidingsconvenant van 4 april 2019, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar kosten van levensonderhoud (hierna: partneralimentatie) met ingang van 14 juli 2025 bepaald op € 3.191,- bruto per maand.
De vrouw is met zes grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op het duiden van de door haar ingediende stukken door de rechtbank en de op basis daarvan getrokken conclusie dat de vrouw verdiencapaciteit heeft. Ook stelt de vrouw dat door de rechtbank gerekend is met onjuiste bedragen. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de man om de partneralimentatie te wijzigen alsnog af te wijzen.
De man voert verweer en is op zijn beurt met vijf grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. Hij is van mening dat de vrouw een hogere verdiencapaciteit heeft dan de rechtbank heeft aangenomen en dat dit nader onderzocht had moeten worden. Ook stelt hij dat zijn draagkracht inmiddels lager is dan toen partijen tot afspraken kwamen. Hij verzoekt het hof de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in hoger beroep, althans haar verzoeken af te wijzen. Ook verzoekt de man de bestreden beschikking te vernietigen en de verzoeken van de man alsnog toe te wijzen, althans de door hem te betalen partneralimentatie op een lager bedrag te bepalen dan door de rechtbank is gedaan.
De vrouw voert verweer in het incidenteel hoger beroep en vraagt de verzoeken van de man af te wijzen.
5. De overwegingen voor de beslissing
Verdiencapaciteit van de vrouw
Het hof is van oordeel dat de vrouw met de door haar ingediende stukken voldoende heeft aangetoond dat zij geen verdiencapaciteit heeft. Voor zover uit de conclusie van de verzekeringsarts in het rapport van het Expertise Instituut van 8 januari 2025 zou volgen dat er in theorie sprake is van benutbare mogelijkheden op de arbeidsmarkt, blijkt uit de conclusie van de arbeidsdeskundige in datzelfde rapport, alsook uit de andere door de vrouw ingediende stukken die daarop aansluiten en die conclusie bevestigen, dat haar (psycho)medische toestand in de weg staat aan het benutten van die mogelijkheden. Zo blijkt uit de brief van de behandelaar van de vrouw van het Psychiatrisch Expertise Centrum van 3 juli 2026 onder meer dat de vrouw ten gevolge van PTSS ernstige angst-, paniek- en stressklachten met dissociatie vertoont en dat deze spanning zich uit via trillen van het lichaam. Tijdens de piek van deze ernstige psychische stresssituatie heeft de vrouw problemen met aandacht en concentratie en is zij niet in staat om cognitief helder na te denken en lukt het haar niet om zich goed te uiten. Volgens de behandelaar staat de vrouw aan de beginfase van de behandeling van een ernstige psychische stoornis, waarbij de verwachting is dat langdurige en intensieve poliklinische traumabehandeling noodzakelijk zal zijn. Onder deze omstandigheden komt het hof tot het oordeel dat de verdiencapaciteit van de vrouw op dit moment nihil is. Het hof ziet, anders dan de man, geen aanleiding om te twijfelen aan de authenticiteit van de stukken die de vrouw heeft ingediend.
Draagkracht van de man
Het echtscheidingsconvenant van partijen voorziet in een aantal specifieke scenario’s waarin de partneralimentatie kan worden herzien. Deze scenario’s zijn voor het hof leidend bij de beoordeling van de verzoeken en standpunten van de man.
De man stelt dat zijn draagkracht lager is dan toen partijen tot afspraken kwamen in hun convenant. Voor zover de man daarmee een beroep heeft willen doen op verhoogde netto maandlasten - vooral omdat de belastingdruk hoger is - als grond voor een verlaging van de partneralimentatie, slaagt dit beroep niet. Door de man is onvoldoende onderbouwd dat en hoe zijn netto maandlasten zijn gestegen en bovenal onvoldoende onderbouwd dat en waarom dit valt onder de voorwaarden voor herziening van de partneralimentatie in het convenant.
Voor zover de man op de mondelinge behandeling van het hof heeft willen betogen dat de voorwaarden voor wijziging van de overeengekomen partneralimentatie onder het kopje ‘Inkomen van de alimentatieplichtige’ ook zouden kunnen inhouden dat bij een hoger inkomen van de man er overlegd diende te worden over een lagere door hem te betalen partneralimentatie, kan het hof hem hier niet in volgen. Vaststaat immers dat de man nu een hoger bruto jaarinkomen geniet dan het in het convenant genoemde inkomen van de man van € 107.380,- bruto per jaar. In het licht van een redelijke uitleg van het convenant lijkt het duidelijk dat er in dit onderdeel gekozen is voor de neutrale termen ‘gewijzigd’ en ‘aanpassing’ omdat het zowel bij een stijging als daling van het inkomen mogelijk is de partneralimentatie te herzien. Dat daarbij een lagere partneralimentatie voor de vrouw het gevolg zou kunnen zijn van een hoger inkomen van de man ligt naar het oordeel van het hof, gelet op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen uit het convenant mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, niet in de partijafspraken uit het convenant besloten.
Het hof overweegt verder dat indien de man met zijn huidige substantieel hogere inkomen onvoldoende draagkracht zou hebben om aan de afspraken uit het convenant te voldoen, dit ook al het geval zou moeten zijn geweest bij het toenmalige inkomen. Dat ligt niet voor de hand omdat partijen in het convenant hebben vermeld de overeengekomen partneralimentatie aan de hand van een draagkrachtberekening conform de tremanormen te hebben vastgesteld. Is dat toch het geval, dan zijn partijen bij het maken van de afspraken in het convenant bewust afgeweken van de wettelijke maatstaven. Er is door de man niet aangevoerd dat, of waarom, er op dat onderdeel kennelijk niet meer uit zou hoeven te worden gegaan van de door partijen gemaakte afspraken.
Op grond van bovenstaande zal het hof de bestreden beschikking vernietigen. Het hof stelt vast dat de man gehouden is aan de vrouw een bedrag aan partneralimentatie te betalen zoals door partijen is overeengekomen in het echtscheidingsconvenant dat deel uitmaakt van de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 24 april 2019. Het oorspronkelijk in 2019 berekende bedrag van € 3.017,- dient daarbij steeds verhoogd te worden met de jaarlijkse indexering, zodat het in 2025 te betalen bedrag € 3.796,- bruto per maand bedraagt en het in 2026 te betalen bedrag € 3.970,- bruto per maand.
6. De beslissing
Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 14 juli 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:
wijst de inleidende verzoeken aan de zijde van de man en de vrouw af;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.G. Knot, mr. A.P. de Jong-de Goede en mr. E.F. Groot, bijgestaan door mr. M.C. Eisses als griffier, en is op 25 augustus 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.