GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.370.345/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 607949
beschikking van 25 augustus 2026
over de uithuisplaatsing van [de minderjarige] ( [de minderjarige] )
in de zaak van
[verzoekster] (de moeder),
die woont op een bij het hof bekend adres,
advocaat: mr. J.J. Stobbe te Utrecht,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Samen Veilig Midden-Nederland (de GI),
die is gevestigd in Almere.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is in de procedure gekend:
de raad voor de kinderbescherming (de raad),
regio Midden Nederland, locatie Lelystad.
1. Samenvatting
De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, heeft de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 1 april 2027 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 1 oktober 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
2. De feiten
[de minderjarige] is geboren [in] 2012. De moeder heeft het gezag over [de minderjarige] . De vader van [de minderjarige] woont in Suriname. [de minderjarige] heeft telefonisch contact met hem. De moeder heeft nog een minderjarige zoon die bij haar woont, die jonger is dan [de minderjarige] .
In 2022 en 2024 is [de minderjarige] twee keer op vrijwillige basis een periode uit huis geplaatst geweest.
Sinds 1 april 2025 staat [de minderjarige] onder toezicht van de GI.
Op 8 mei 2025 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 22 mei 2025.
Op 21 mei 2025 heeft de kinderrechter een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 1 april 2026.
[de minderjarige] verblijft vanaf 9 mei 2025 doordeweeks op een woongroep van [naam1] . Als afspraak tussen de moeder en de GI geldt dat [de minderjarige] in de weekenden bij de moeder verblijft. In de praktijk verblijft [de minderjarige] ook tussentijds wel eens bij de moeder.
3. De procedure bij de kinderrechter
De GI heeft de kinderrechter verzocht de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] te verlengen met een jaar.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI over de ondertoezichtstelling toegewezen. Het verzoek van de GI over de machtiging tot uithuisplaatsing heeft de kinderrechter gedeeltelijk toegewezen, in die zin dat de kinderrechter de machtiging heeft verlengd met een half jaar, tot 1 oktober 2026. Het resterende deel van het verzoek is afgewezen.
Die beslissing is mondeling uitgesproken op 17 maart 2026 en schriftelijk vastgelegd op 27 maart 2026.
4. De procedure bij het hof
De moeder is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Zij komt daarvan in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt.
De GI wil dat de beslissing van de kinderrechter in stand blijft.
De informatie die het hof heeft ontvangen
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
het beroepschrift, ontvangen op 15 juni 2026;
een brief van de raad van 2 juli 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;
de stukken van de moeder, ingediend op 13 juli 2026 en 11 augustus 2026;
het verweerschrift.
[de minderjarige] heeft een brief geschreven. Hij heeft verteld wat hij vindt van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing. Tijdens de zitting heeft de voorzitter deze brief voorgelezen en hebben de moeder en de GI daarop kunnen reageren.
De zitting bij het hof was op 12 augustus 2026. Aanwezig waren:
de moeder met haar advocaat;
twee vertegenwoordigers van de GI.
5. Het oordeel van het hof
De ondertoezichtstelling
De kinderrechter kan een kind onder toezicht stellen als het kind ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat is als er grote zorgen zijn over zijn ontwikkeling. Ook moet vast komen te staan dat de ouders niet of niet genoeg meewerken aan vrijwillige hulpverlening. Ten slotte moet de kinderrechter ervan kunnen uitgaan dat de ouders de opvoeding en verzorging binnen een aanvaardbare termijn weer helemaal zelf op zich kunnen nemen. Dat is de periode van onzekerheid die een kind kan overbruggen zonder ernstige schade op te lopen in zijn ontwikkeling. De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling ook verlengen. Dat mag steeds voor maximaal een jaar.
Het hof is van oordeel dat uit de stukken en de verklaringen tijdens de zitting voldoende is gebleken dat aan de wettelijke criteria voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.
[de minderjarige] wordt nog altijd ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Weliswaar zijn dit, zo heeft de GI ook bevestigd, deels andere zorgen dan de zorgen die er waren bij het begin van de ondertoezichtstelling, maar de huidige zorgen vormen ook een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor [de minderjarige] . Zo is gebleken dat [de minderjarige] gemakkelijk beïnvloedbaar is en zich laat meeslepen door leeftijdsgenoten. Hierdoor is hij meerdere keren in risicovolle situaties terecht gekomen en maakt hij keuzes die niet in zijn eigen belang zijn. Bovendien overziet hij onvoldoende de gevolgen van zijn handelen of toont hij onvoldoende probleembesef.
Daarnaast zijn er grote zorgen op het gebied van onderwijs en dagbesteding voor [de minderjarige] . [de minderjarige] krijgt sinds begin 2026 hulp van [naam2] . Het doel hiervan is om [de minderjarige] terug te kunnen laten keren naar regulier onderwijs. In het begin was [de minderjarige] gemotiveerd voor deze hulp. Maar de afgelopen tijd is hij meer dan de helft van de tijd niet aanwezig geweest. Hij was die keren wel ’s ochtends op tijd vertrokken van de groep waar hij verblijft, maar hij verscheen dan niet op de afgesproken locatie en is andere dingen gaan doen.
Ook is er een diagnostisch onderzoek nodig, niet alleen om te bepalen welk onderwijs passend is voor [de minderjarige] maar ook om de mogelijke oorzaken van zijn gedrag te onderzoeken. [de minderjarige] weigert tot nu toe echter om mee te werken aan een dergelijk onderzoek.
Gezien het voorgaande heeft [de minderjarige] meer dan gemiddeld begeleiding, toezicht en structuur nodig en zijn er zorgen over de motivatie van [de minderjarige] en zijn verantwoordelijkheidsgevoel.
Naar het oordeel van het hof is voldoende komen vast te staan dat de moeder niet in staat is om in het vrijwillig kader ervoor te zorgen dat de ontwikkelingsbedreigingen van [de minderjarige] worden weggenomen. De afgelopen jaren is gebleken, zo heeft de kinderrechter in de bestreden beschikking ook overwogen, dat de moeder wel hulp zoekt voor [de minderjarige] , maar dat deze hulp vervolgens onvoldoende van de grond komt, onder andere omdat de moeder geen vervolgafspraken meer maakt. Het hof acht het dan ook noodzakelijk dat de GI regie blijft voeren, zodat de hulpverlening ingezet en afgerond kan worden die nodig is om de ontwikkelingsbedreigingen van [de minderjarige] voldoende weg te nemen.
De beslissing van de kinderrechter om de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen tot 1 april 2027 zal dus in stand blijven (worden bekrachtigd).
De machtiging tot uithuisplaatsing
De kinderrechter kan een machtiging geven een kind uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van het kind of voor onderzoek van het kind. De rechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoekt.
Het hof is van oordeel dat de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] terecht heeft verlengd tot 1 oktober 2026.
De afgelopen periode hebben meerdere (ernstige) incidenten plaatsgevonden op de groep waar [de minderjarige] verblijft, waarbij [de minderjarige] zelf ook was betrokken. Bovendien is [de minderjarige] een aantal keren weggelopen van de groep. Er zijn zorgen over de veiligheid, de hygiëne en de bejegening door het personeel. Het hof constateert dan ook, net als de moeder en de GI, dat deze groep niet (meer) geschikt is voor [de minderjarige] en dat (langdurige) voortzetting van het verblijf van [de minderjarige] op deze groep niet in zijn belang is. Dit betekent naar het oordeel van het hof echter niet, anders dan de moeder heeft betoogd, dat de maatregel van de machtiging tot uithuisplaatsing niet meer nodig is en [de minderjarige] weer bij de moeder kan wonen. Uit de stukken en de verklaringen tijdens de zitting is namelijk niet gebleken dat de (thuis)situatie van de moeder zelf is veranderd in vergelijking met mei 2025, toen [de minderjarige] uit huis is geplaatst. Daardoor is nog onvoldoende komen vast te staan dat de moeder in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] weer op zich te nemen.
De GI heeft tijdens de zitting uitgelegd dat er binnen afzienbare tijd zicht is op een betere woongroep voor [de minderjarige] . Het hof gaat er van uit dat [de minderjarige] op korte termijn op een voor hem passende plek geplaatst zal worden, waar hij de veiligheid, hulp en ondersteuning kan krijgen die hij nodig heeft.
De beslissing van de kinderrechter over de machtiging tot uithuisplaatsing zal dus ook in stand blijven (worden bekrachtigd).
6. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, van 17 maart 2026 over de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] ;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Knot, R. Prakke-Nieuwenhuizen en
J.U.M. van der Werff, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.