GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.139/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 11206759
arrest van 25 augustus 2026
in de zaak van
[appellante]
die woont in [woonplaats]
hierna: [appellante]
advocaat: mr. M. de Groot
en
[geïntimeerde] . B.V.
die is gevestigd in [vestigingsplaats]
hierna in mannelijk enkelvoud: [geïntimeerde]
advocaat: mr. T.E. Heslinga
1. Het verloop van de procedure in hoger beroep
[appellante] heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 11 februari 2025 tussen partijen is uitgesproken door de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep
• de memorie van grieven
• de memorie van antwoord
• een akte uitlaten producties van [appellante]
• het verslag van de mondelinge behandeling die op 27 mei 2026 is gehouden (het proces-verbaal)
[appellante] heeft in een brief van 9 juli 2026 opmerkingen gemaakt op het proces-verbaal.
Het hof heeft arrest bepaald op heden.
2. De kern van de zaak
[geïntimeerde] heeft verbouwingswerkzaamheden verricht aan (onder meer) de schuur van [appellante] . Tussen partijen is op enig moment onenigheid ontstaan over de uitvoering van de werkzaamheden en de facturering daarvan, waarna [appellante] de werkzaamheden en de betaling van de facturen heeft stopgezet. [appellante] heeft vervolgens de aannemingsovereenkomst ontbonden met een beroep op het herroepingsrecht en [geïntimeerde] daarbij gesommeerd om de reeds betaalde bedragen terug te betalen. [geïntimeerde] heeft niet terugbetaald.
[appellante] heeft bij de kantonrechter gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 7.410,60, vermeerderd met wettelijke rente en kosten. [geïntimeerde] heeft op zijn beurt bij de kantonrechter gevorderd dat [appellante] wordt veroordeeld tot betaling van de nog openstaande facturen van in totaal € 7.740,78 vermeerderd met wettelijke rente en kosten.
De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen. De vorderingen van [geïntimeerde] zijn gedeeltelijk toegewezen, in die zin dat de kantonrechter een sanctie van 25% korting heeft toegepast op de nog te betalen facturen, omdat [geïntimeerde] niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan.
[appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de kantonrechter. De bedoeling van dit hoger beroep is dat haar afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen en dat de vorderingen van [geïntimeerde] worden afgewezen. [geïntimeerde] heeft geen incidenteel hoger beroep ingesteld.
Het hof zal beslissen dat aan [appellante] geen herroepingsrecht toekomt, en dat de sanctie voor schending van de informatieplicht ook moet worden toegepast op de reeds betaalde facturen. Het hof zal deze beslissing hierna uitleggen, nadat eerst de feiten zijn vastgesteld.
3. De feiten
[geïntimeerde] exploiteert een bouwbedrijf. [appellante] is een consument.
[appellante] heeft eind maart 2023 een online een advertentie op Werkspot.nl geplaatst waarin zij een renovatieklus aanbiedt met betrekking tot de schuur van haar boerderij. Die advertentie ziet er uit als volgt:
[geïntimeerde] heeft laten weten geïnteresseerd te zijn in de aangeboden klus. Begin april 2023 heeft [geïntimeerde] een bezoek gebracht aan [appellante] voor een bespreking van de werkzaamheden.
Na de bespreking heeft [geïntimeerde] op 21 april 2023 een e-mail gestuurd aan [appellante] met als onderwerp ‘indicatie kosten ruw bouw woon boerderij’. In deze e-mail heeft [geïntimeerde] met betrekking tot de schuur prijzen gegeven voor de fundering, de vloer, de stalen spanten, de kap, het aftimmerwerk en het leggen van dakpannen. Verder zijn er stelposten opgenomen voor kozijnen, metselen, installatiewerkzaamheden en de serre/terras overkapping. De voorlopige kostenindicatie ruwbouw komt uit op € 154.000,- exclusief btw. Ook is aangegeven dat de stelposten in overleg uitgewerkt moeten worden.
Op 13 mei 2023 heeft [geïntimeerde] een aanvulling gegeven op de kostenindicatie met daarin een extra spant en een specificatie van de manuren en de kosten daarvan. De kostenindicatie is als volgt:
“Fundatie en vloer met isolatie er onder, 60 manuur a € 45,- = € 2700,-Beton gestort en afgewerkt, zonder kleur indicatieOok zetten/stellen ankers voor stalen spant € 25000,-
Eventueel op vullen grond onder de isolatie is meer werk
Leveren stalen spant excl transport 2 stuks voor € 8100,-
Opzetten spanten met kraan en manuren 16-24 uur = €1080,-
Extra spant € 3200,-
Let op komt nog transport overheen.
Kap op de schuur/dak
Hout voor gording en balken 1e en 2e verdieping
Vloer 1e en 2e verdieping plaatmateriaal
Isolatie tussen de plafonds
Geïsoleerde dakplaten 226 m2 RC3,5m2/kw met kraan € 25.000,-
Indicatie werk uren 160 x € 45,- =€ 7200,-
Dicht maken dak met goot werk en aftimmeren en leggen pan dak
Dakpan snel dekker Monier 8 pannen per m2
Huren pannen lift
Kopen panlatten
8 dakramen van 94x118 + inzetten € 25.000,-
Werk uren 300 uur = € 13500,-
Stelposten;
Kozijnen en toebehoren € 20.000,-
Metselen (voorstel topgevel HSW toepassen) € 10.000,-
Installateur € 40.000,-
Serre/terras overkapping € 5.000,-
Serre/terras is duur kan oplopen tot wel 15 d
Voorlopige kostenindicatie ruwbouw € 86.300,- (excl. werk uren)
Stelposten € 75.000,-
Schatting werk uren 536 uur- 600 uur € 27.000,-
Totaal € 188.300,-
Alle prijzen zijn excl. Btw
Alle prijzen van het materiaal zijn dag prijzen.
[…]
De installatie kan 40 tot 60 d kosten, hangt af van wat je zelf allemaal wilt.
Maar nogmaals, ik werk het liefst met een openbegroting, jullie betalen ons per uur en alle materialen die ik moet inkopen voor jullie is dan factuur + 10%
Het lijkt mij beter om nog een keer bij elkaar te komen en het een en ander door te nemen voor de wederzijdse duidelijkheid.
Tenminste als jullie met mij door willen.
Zullen we volgende week een afspraak maken, even bellen eerst.”
Op 17 mei 2023 heeft [appellante] een whatsappbericht aan [geïntimeerde] gestuurd: “Zou je a.s. vrijdag middag langs kunnen komen om nog wat door te spreken?” [geïntimeerde] is vervolgens op 19 mei 2023 bij [appellante] thuis geweest.
Op 24 mei 2023 heeft [geïntimeerde] afdichtwerkzaamheden verricht aan het dak van de woning van [appellante] . [geïntimeerde] heeft hiervoor apart een bedrag van € 1.530,- in rekening gebracht. [appellante] heeft dit bedrag (contant) betaald.
[geïntimeerde] is vervolgens gestart met de werkzaamheden aan de schuur.
Ten aanzien van de verrichte werkzaamheden heeft [geïntimeerde] aan [appellante] de volgende facturen gestuurd:
[factuurnummer] d.d. 5 juni 2023 ad € 2.940,30 met als omschrijving “Uren regie aanbrengen fundering en vloer schuur week 22”.
[factuurnummer] d.d. 5 juni 2023 ad € 2.545,54 met als omschrijving “Leveren EPS 100 isolatie 150x125x7 cm RD 1,98 x twee/ 14 cm dik voor vloer woon boerderij”.
[factuurnummer] d.d. 15 juni 2023 ad € 2.940,30 met als omschrijving “Aanbrengen fundering en vloer schuur week 23”.
[factuurnummer] d.d. 15 juni 2023 ad € 2.235,18 met als omschrijving “Levering materiaal voor fundering en vloer van de schuur / deel betaling fundering wapening”.
[factuurnummer] d.d. 17 juni 2023 ad € 1.606,28 met als omschrijving “Uren week 24 gewerkt aan fundering en vloer schuur”.
[factuurnummer] d.d. 20 juni 2023 ad € 2.872,54 met als omschrijving “Levering en verwerking beton fundering ring balk 13 m3 incl pomp”.
[factuurnummer] d.d. 18 juli 2023 ad € -1.518,76 met als omschrijving “Creditering op de isolatie materiaal schuur vloer B-keus EPS platen Materiaal wat niet gebruikt is retour”.
[appellante] heeft de facturen met nummer [factuurnummer] en [factuurnummer] betaald. De andere facturen zijn onbetaald gebleven.
Op 13 juni 2023 is tussen partijen onenigheid ontstaan over de uitvoering van de werkzaamheden en de facturatie daarvan. Op 19 juni 2023 hebben partijen via Whatsapp het volgende gesprek met elkaar gevoerd:
[appellante] – “Hallo Gabe keek even naar je nota van vorige week. Tot mijn verbazing zag ik voor de maandag 8uur staan. Daniel gaf op dinsdag naar man van riolering aan dat jullie eerder waren weggegaan vanwege de warmte. Dat klopt verder hebben jullie van 13 uur tot 14.30 opgeruimd? Ik heb je daar op aangesproken. Toen gaf je aan dat jullie nog met het dak verder zouden gaan. Er zijn door jullie twee vier latjes gelegd. Jullie zijn om 15.15 uur vertrokken. Helaas zal ik deze uren niet betalen. […] Ik neem bij deze afscheid van je zo kan ik niet met jou werken. Helaas maar ik hoop na vanmorgen dat je beseft dat je volledig verkeerd zat. Ik wens je heel veel succes met je toekomst. Het is hier over en uit. Je kunt je spullen op komen laten halen. Met vrijdag groet, Willeke [appellante]
[geïntimeerde] – “Willeke wat je nu allemaal weer zegt…ik weet het niet hoor. Maar ik kom zo wie zo om dan in elkgeval de dingen afte handelen in alle redelijkheid, er staat ook nog 13 m3 beton open. Je kunt het niet met een apje af doen. […]
[appellante] – “Ik denk dat ik duidelijk ben. Even rekenen. Hoe kom jij aan 13 m3 beton en wie ruimt de afval op met stort kosten. Ik ben duidelijk. Na vanmorgen was duidelijk dat je fout zat met je fundering en isolatie. Los nog van het niveau verschil. Je hebt wel geprobeerd om je gelijk te krijgen bij de installatie medewerkers. Je maakte daar mij behoorlijk belachelijk over mijn kennis. Je bent zelf vanmorgen afgegaan als een gieter. Er was geen en excuses. Vervolgens declareer je uren die je niet gewerkt heb. Je gaf aan in bijzijn van iemand anders dat je dat niet bijhoudt. Daarom voor ons is het einde verhaal. […] Je kunt je spullen op komen laten halen. Verder geen discussies meer mogelijk”
[geïntimeerde] – “De fundering is gestort en de wapening zit er in dus dat is geleverd willeke. Dat snap je toch. Er is tevens arbeid geleverd, dat jij daar je twijvels over hebt is tot daar aan toe, maar je kunt er niet omheen dat we bij jullie drie weken aan het werk zijn geweest. Sorry hoor maar dit kan je echt niet maken.”
[…]
“Wij hebben steeds ons best gedaan. Zijn het dak eerder op gegaan omdat het snel dicht moest. Vanmorgen nog heb ik de dek kleden er op gedaan, omdat er slecht weer aan kwam. Ik heb met alle goede bedoelingen mijn ervaring mbt de vloer ingezet. Dus waarom nu zo ik snap het niet hoor.”
Op 27 juni 2023 heeft [appellante] een brief gestuurd naar [geïntimeerde] met als onderwerp ‘ingebrekestelling’. In deze brief klaagt [appellante] over de uren- en materiaaldeclaratie en gebreken in het uitgevoerde werk, waaronder het betonwerk, de bekisting, de wapening en het dakraam. [appellante] stelt [geïntimeerde] in deze brief aansprakelijk voor alle schade en zegt dat zij de onterecht gedeclareerde uren en genoemde schades zal verrekenen met alle (nog) openstaande facturen. De gemachtigde van [geïntimeerde] heeft op deze brief gereageerd in een e-mail van 5 juli 2023, waarna nog enige correspondentie volgt met de gemachtigde van [appellante] .
Op 4 januari 2024 stuurt de gemachtigde van [appellante] een brief waarin met een beroep op het herroepingsrecht de overeenkomst wordt ontbonden. Door de gemachtigde van [geïntimeerde] is afwijzend gereageerd op dit bericht, waarna [appellante] ten slotte deze procedure is begonnen.
4. De toelichting op de beslissing van het hof
Inleiding
Partijen hebben een aannemingsovereenkomst gesloten als bedoeld in artikel 7:750 BW, waarbij [geïntimeerde] zich heeft verplicht om een werk tot stand te brengen en op te leveren. Hier staat in beginsel de verplichting van [appellante] tegenover om hiervoor te betalen. De centrale vraag in deze procedure is of [appellante] deze overeenkomst heeft kunnen herroepen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat aan [appellante] een dergelijk recht niet toekomt, omdat de tussen partijen gesloten overeenkomst niet kwalificeert als een overeenkomst gesloten buiten de verkoopruimte of op afstand. [appellante] is het daar niet mee eens en is in hoger beroep gekomen.
De eerste grief van [appellante] is gericht tegen de feitenvaststelling door de kantonrechter. Het hof heeft de feiten opnieuw vastgesteld en aangevuld, zodat [appellante] geen belang meer heeft bij deze grief. De andere grieven zal het hof hierna thematisch behandelen.
Is het consumentenrecht van toepassing?
Het hof stelt vast dat [appellante] een consument is in de zin van artikel 6:230g lid 1 aanhef en onder a BW, omdat zij een natuurlijke persoon is die handelt voor doeleinden die buiten haar bedrijfs- of beroepsactiviteiten vallen. Het begrip consument is een objectief begrip, waarbij de kennis van een persoon geen rol speelt. Het is dus niet van belang dat [appellante] een hbo-opleiding bouwkunde heeft gevolgd, zoals door [geïntimeerde] is aangevoerd. Het hof stelt ook vast dat [geïntimeerde] . B.V. een handelaar is als bedoeld in artikel 6:230g lid 1 aanhef en onder b BW, omdat zij een rechtspersoon is die handelt in het kader van haar handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit.
Gelet hierop is het consumentenrecht van toepassing op de verhouding tussen [appellante] en [geïntimeerde] .
Is sprake van een ‘ingrijpende verbouwing’?
[appellante] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat haar een beroep toekomt op het herroepingsrecht zoals geformuleerd in artikel 6:230o BW. Het meest verstrekkende verweer dat [geïntimeerde] heeft gevoerd, is dat het consumentenrecht uit afdeling 2b van titel 5 van het Burgerlijk Wetboek – waaronder deze bepaling – niet van toepassing is, omdat sprake is van de uitzondering voor ingrijpende verbouwingen zoals bedoeld in artikel 6:230h lid 2 aanhef en onder g BW. Uit de parlementaire geschiedenis en de considerans bij Richtlijn 2011/83/EU volgt dat onder ‘ingrijpende verbouwing’ moet worden verstaan een verbouwing die vergelijkbaar is met het bouwen van een nieuw gebouw. Dit is bijvoorbeeld de situatie waarbij alleen de gevel blijft staan. Het oprichten van een aanbouw en het verrichten van renovatiewerkzaamheden vallen niet onder de term ‘ingrijpende verbouwing’.
De vraag of sprake is van een ingrijpende verbouwing moet beantwoord worden aan de hand van datgene wat partijen zijn overeengekomen. Partijen zijn het in deze procedure echter niet eens over welke werkzaamheden wel en niet tot de aannemingsovereenkomst behoren. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellante] opdracht gegeven tot de gehele verbouwing van de schuur en hij verwijst in dat verband naar de kostenindicatie van 13 mei 2023. [appellante] heeft juist aangevoerd dat partijen weliswaar hebben gesproken over een ruimere verbouwing, maar dat zij uiteindelijk alleen opdracht heeft gegeven om de fundering en het dak van de schuur te realiseren.
Het hof overweegt dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting niet voldoende duidelijk is komen vast te staan wat partijen precies zijn overeengekomen. Partijen zijn het erover eens dat een aannemingsovereenkomst is gesloten waarbij [geïntimeerde] op basis van regie verbouwingswerkzaamheden zou verrichten aan de schuur van [appellante] . Daaronder vallen gelet op de standpunten van partijen in ieder geval de werkzaamheden met betrekking tot de fundering en het dak. In het dossier zijn weliswaar aanknopingspunten te vinden dat de opdracht verder reikte, gelet op de kostenindicaties. Echter, de precieze reikwijdte is naar het oordeel van het hof niet voldoende duidelijk geworden. Er is bijvoorbeeld geen schriftelijke bevestiging of akkoord gegeven op de kostenindicatie. Bovendien heeft [geïntimeerde] ter zitting verklaard dat de uit te voeren werkzaamheden afhankelijk waren van keuzes die [appellante] gaandeweg het proces nog moest maken. Ook de feitelijke uitvoering van de overeenkomst biedt geen verdere aanknopingspunten, nu [appellante] de werkzaamheden gedurende de aanleg van de fundering al heeft stopgezet.
Gelet op de onduidelijkheid over de reikwijdte van de werkzaamheden kan naar het oordeel van het hof niet worden aangenomen dat partijen een ‘ingrijpende verbouwing’ zijn overeengekomen als bedoeld in artikel 6:230h lid 2 aanhef en onder g BW. Er kan om die reden niet worden aangenomen dat de uitzondering voor grote werken van toepassing is en dus zal het hof de zaak verder inhoudelijk beoordelen aan de hand van (mede) het consumentenrecht uit afdeling 2b, titel 5 van het Burgerlijk Wetboek.
Is er sprake van een overeenkomst gesloten buiten de verkoopruimte?
[appellante] heeft primair een beroep gedaan op het herroepingsrecht zoals geformuleerd in artikel 6:230o BW. Het eerste lid aanhef en onder a daarvan bepaalt dat een consument een overeenkomst op afstand of een overeenkomst buiten de verkoopruimte zonder opgave van redenen kan ontbinden tot een termijn van veertien dagen nadat de overeenkomst is gesloten verstreken is. Op grond van artikel 6:230o lid 2 jo. 6:230m lid 1 onder h BW wordt deze termijn met hoogstens een jaar verlengd indien de handelaar de consument niet heeft gewezen op de mogelijkheid van ontbinding.
De kantonrechter heeft de verschillende types overeenkomsten uit het consumentenrecht uiteengezet: de overeenkomst op afstand (artikel 6:230g lid 1 sub e BW), de overeenkomst buiten de verkoopruimte (artikel 6:230g lid 1 sub f BW) en de overeenkomst anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte (artikel 6:230l BW). Het hof verenigt zich met deze overwegingen van de kantonrechter en beschouwt ze als hier ingelast. [appellante] kan alleen een beroep doen op het herroepingsrecht als sprake is van een overeenkomst op afstand of een overeenkomst buiten de verkoopruimte. Partijen zijn het erover eens dat zij in ieder geval geen overeenkomst op afstand hebben gesloten, en dat is naar het oordeel van het hof ook niet aan de orde. Het hof zal hierna beoordelen of sprake is van een overeenkomst buiten de verkoopruimte. Daarvoor moet in dit geval komen vast te staan dat partijen op 19 mei 2023 bij [appellante] thuis een overeenkomst hebben gesloten, hetgeen volgens [appellante] het geval is.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [geïntimeerde] op 19 mei 2023 bij [appellante] thuis is geweest om een toelichting te geven op de kostenindicatie van 13 mei 2023. Volgens [geïntimeerde] is er die dag geen overeenstemming bereikt, omdat [appellante] nog moest nadenken over de prijs. [appellante] is van daarentegen van mening dat partijen op deze dag zijn overeengekomen dat [geïntimeerde] de werkzaamheden genoemd onder het kopje ‘aanvullende informatie’ op Werkspot.nl zou uitvoeren. Het hof is van oordeel dat niet kan worden aangenomen dat de overeenkomst op 19 mei 2023 bij [appellante] thuis tot stand is gekomen en licht dat als volgt toe.
Ten aanzien van de omvang van de opdracht stelt het hof vast dat – gelet op de kostenindicaties – partijen in gesprek waren over een ruimere verbouwing dan enkel de werkzaamheden aan de fundering en het bestellen van drie spanten, zoals genoemd in de aanvullende informatie bij de advertentie op Werkspot.nl. Dat partijen op 19 mei 2023 een beperktere opdracht zijn overeengekomen ligt dan ook niet voor de hand zonder een nadere toelichting en concretisering van datgene wat tijdens dat bezoek is besproken. [appellante] heeft op de mondelinge behandeling bij de kantonrechter verklaard dat zij zich moeilijk kon herinneren wat er precies die dag besproken is. In hoger beroep heeft zij verklaard dat partijen overeenstemming hadden bereikt over dat ‘wij met elkaar door wilden gaan’. Een nadere concretisering of toelichting van wat precies is besproken, is niet of slechts in (zeer) beperkte mate gegeven. [appellante] heeft ter zitting wel verklaard dat zij op 19 mei 2023 heeft gevraagd om een aparte kostenindicatie voor de werkzaamheden genoemd onder het kopje ‘aanvullende informatie’ op Werkspot.nl. Hieruit zou volgens haar moeten blijken dat het alleen ging om de beperkte werkzaamheden genoemd op Werkspot.nl. Het hof kan [appellante] in deze stelling niet volgen. Ten eerste blijkt uit het verdere dossier niet dat een dergelijke kostenindicatie is gevraagd of gegeven. Door [geïntimeerde] is weersproken dat [appellante] hierom heeft gevraagd. Ook is niet duidelijk geworden waarom [appellante] zou vragen om een aparte kostenindicatie, omdat uit de indicatie van 13 mei 2023 afgeleid kan worden wat de kosten voor de fundering en de spanten afzonderlijk zijn, nu [geïntimeerde] deze kosten heeft uitgesplitst. Ook indien het hof er wel vanuit zou gaan dat [appellante] om een dergelijke kostenindicatie heeft gevraagd, is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk dat [appellante] in datzelfde gesprek een overeenkomst heeft gesloten en [geïntimeerde] opdracht heeft gegeven om te starten met de werkzaamheden zonder dat – in de visie van [appellante] – er een prijs bekend was. [appellante] heeft bovendien ter zitting nog verklaard dat na de start van de werkzaamheden de ‘prijsindicatie’ niet meer aan de orde was, omdat partijen ‘verder zijn gegaan op regiebasis’. Ook deze verklaring valt niet of niet goed te rijmen met de stelling van [appellante] dat partijen al op 19 mei 2023 een overeenkomst hebben gesloten.
Daar komt nog het volgende bij. [geïntimeerde] is op 24 mei 2023 gestart met de werkzaamheden. De kantonrechter is [geïntimeerde] gevolgd in zijn betoog dat [appellante] die dag telefonisch contact met hem opnam, omdat met de sloop van de schuur ook een deel van het dak van de woning was gesloopt en dat met spoed gedicht moest worden. Indien [geïntimeerde] diezelfde dag nog deze spoedklus zou verrichten, zou hij ook de opdracht met betrekking tot de schuur krijgen, aldus [geïntimeerde] . [appellante] heeft in hoger beroep zich op het standpunt gesteld dat dit telefoongesprek niet heeft plaatsgevonden en dat [geïntimeerde] die dag plotseling op de stoep stond. Volgens [appellante] blijkt hieruit dat partijen wel degelijk op 19 mei 2023 al een overeenkomst hebben gesloten. Het hof acht echter aannemelijk dat het telefoongesprek van 24 mei 2023 wel heeft plaatsgevonden.
[appellante] en [geïntimeerde] zijn het erover eens dat [geïntimeerde] op 24 mei 2023 werkzaamheden heeft verricht aan het dak van de woning van [appellante] en dat die werkzaamheden aan de woning buiten de originele offertevraag en prijsindicatie vielen. [appellante] heeft ter zitting verklaard dat zij niet gebeld heeft, omdat er geen noodzaak bestond om deze afdichtwerkzaamheden te verrichten. Deze verklaring weerspreekt nog niet dat zij hiertoe wel degelijk opdracht heeft gegeven aan [geïntimeerde] en daarvoor ook heeft betaald. [geïntimeerde] moet dan op enig moment op de hoogte zijn geraakt van het feit dat deze werkzaamheden aan het dak van de woning moesten plaatsvinden, nu duidelijk is dat hierover niet is gesproken op 19 mei 2023. [appellante] geeft daarvoor geen verklaring, terwijl [geïntimeerde] daar wel een op zichzelf logische en plausibele verklaring voor heeft.
Gelet op dit alles, in samenhang bezien, is het hof van oordeel niet kan worden aangenomen dat op 19 mei 2023 bij [appellante] thuis al een overeenkomst tot stand is gekomen en dat daarentegen voldoende is komen vast te staan dat partijen, zoals [geïntimeerde] meent en heeft toegelicht, op een later moment – telefonisch – zijn overeengekomen dat [geïntimeerde] op regiebasis de werkzaamheden aan de schuur van [appellante] zou uitvoeren. Gelet hierop is sprake van een overeenkomst anders dan op afstand en buiten de verkoopruimte en komt aan [appellante] niet het recht toe om de overeenkomst te ontbinden zoals bedoeld in artikel 6:230o BW.
Voor zover [geïntimeerde] een beroep heeft gedaan op de uitzondering van artikel 6:230p sub b BW behoeft dat geen beoordeling, omdat geen sprake is van een overeenkomst op afstand of gesloten buiten de verkoopruimte en [appellante] om die reden al geen recht van ontbinding heeft.
Is [appellante] betaling van de facturen verschuldigd?
Nu partijen een aannemingsovereenkomst op regiebasis hebben gesloten en aan [appellante] geen herroepingsrecht toekomt, is [appellante] in beginsel verplicht om de door [geïntimeerde] gefactureerde bedragen te betalen. [geïntimeerde] heeft in reconventie betaling gevorderd van de nog openstaande factureren voor een bedrag van € 7.740,78. De kantonrechter heeft vastgesteld dat [appellante] geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van deze vordering en heeft de vordering – na een prijsvermindering van 25% – toegewezen. In hoger beroep betwist [appellante] uitdrukkelijk de verschuldigdheid van de facturen en zij wijst in dit verband op de whatsapp-bericht van 19 juni 2024 waarin zij klaagt over de ‘nota van vorige week’. Dit betreft [factuurnummer] van € 1.606,28 met als omschrijving “Uren week 24 gewerkt aan fundering en vloer schuur”. Dit verweer tegen de openstaande facturen wordt verworpen op grond van het volgende.
[geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van de factuur aangevoerd dat hij een correct aantal uren heeft genoteerd en dat [appellante] mondeling akkoord heeft gegeven op het register van week 24. Hierna is de factuur pas opgemaakt, aldus [geïntimeerde] . [appellante] heeft deze gang van zaken niet weersproken. Zij heeft enkel verwezen naar het whatsapp-bericht van 19 juni waarin zij klaagt dat [geïntimeerde] op maandag onterecht 8 uren heeft opgeschreven, omdat hij eerder naar huis was gegaan. Daarbij is door [appellante] niet aangegeven hoeveel uren onterecht zouden zijn gedeclareerd. Dat de omschrijving niet zou kloppen, omdat er slechts werkzaamheden aan de fundering zijn verricht en niet aan de vloer, maakt nog niet dat de hoogte van de factuur niet correct zou zijn. Overigens is de vloer kennelijk alleen op de factuur genoemd omdat ‘fundering en vloer’ door [geïntimeerde] kennelijk gezamenlijk als deel van het werk zijn aangeduid. Het hof stelt vast dat [appellante] verder geen bezwaren heeft gericht tegen de hoogte van de reeds betaalde facturen [factuurnummer] en [factuurnummer] van € 2.940,30.
[appellante] wijst verder op een onjuiste creditfactuur [factuurnummer] , waarop een bedrag van € 1.518,75 is gecrediteerd, en stelt dat die correspondeert met [factuurnummer] van € 2.545,54 voor bestelde isolatiematerialen voor de vloer. Volgens [appellante] dient het gehele bedrag gecrediteerd te worden. Het hof gaat hier niet in mee. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat hij bestelde materialen voor vloerisolatie gedeeltelijk heeft gebruikt. Uit de omschrijving van de creditfactuur blijkt ook dat het gaat om de niet-gebruikte isolatiematerialen die retour zijn gegaan. [appellante] heeft gelet op deze onderbouwing, onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de gehele factuur voor de isolatiematerialen gecrediteerd dient te worden.
[appellante] heeft tot slot nog aangevoerd dat [geïntimeerde] ten onrechte geen creditnota heeft gestuurd voor het staal dat retour is gegaan. [geïntimeerde] heeft onderbouwd dat hij de bestelde staalmaterialen heeft gebruikt in de fundering. [appellante] heeft dit laatste niet voldoende duidelijk en gemotiveerd weersproken.
[appellante] heeft subsidiair aangevoerd dat als de hoogte van de facturen correct zou zijn, de contante betaling van € 1.530 van het openstaande bedrag afgetrokken moet worden, zodat slechts € 6.210,78 verschuldigd is. Het hof kan [appellante] hierin niet volgen. Tussen partijen staat vast dat een aparte opdracht is verstrekt voor de werkzaamheden aan het dak van de woning van [appellante] en dat [appellante] daarvoor contant heeft betaald. Dat en waarom deze contante betaling in mindering moet worden gebracht op de betalingsverplichting ten aanzien van de facturen, is door [appellante] verder ook niet toegelicht.
Heeft [geïntimeerde] de informatieplicht geschonden?
Het hof heeft hiervoor geoordeeld dat sprake is van een overeenkomst anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte. In dat geval bepaalt artikel 6:230l aanhef en onder c BW dat de handelaar op duidelijke en begrijpelijke wijze informatie moet verstrekken over de totale prijs van de zaken of diensten, met inbegrip van alle belastingen, of, als door de aard van de zaak of dienst de prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend, de manier waarop de prijs moet worden berekend. De kantonrechter heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] deze informatieplichten heeft geschonden, omdat partijen op regiebasis hebben gewerkt zonder dat aan [appellante] informatie is verstrekt over de totale prijs van die werkzaamheden of een manier waarop die berekend kon worden. De kantonrechter heeft daarom reden gezien om de overeenkomst met toepassing van de Sanctierichtlijn gedeeltelijk te vernietigen en de betalingsverplichting van [appellante] te verminderen met 25%. [appellante] heeft tegen dit oordeel gegriefd, omdat zij van mening is dat de sanctie ook toegepast dient te worden over de reeds door haar betaalde bedragen.
Het hof overweegt – anders dan de kantonrechter – dat [geïntimeerde] met de kostenindicatie van 13 mei 2023 in beginsel voldoende duidelijk heeft gemaakt op welke manier de totale prijs van de (op regiebasis) te verrichten werkzaamheden zal worden berekend. Zo heeft [geïntimeerde] benoemd dat hij een factuur stuurt voor het materiaal en de manuren met een opslag van 10%. In de kostenindicatie heeft [geïntimeerde] uiteengezet wat de kosten zijn voor het materiaal en de manuren van de afzonderlijke werkzaamheden. [geïntimeerde] heeft echter nagelaten om een bedrag, of in ieder geval een percentage, te noemen voor de btw. Dit is wel vereist gelet op artikel 6:230l BW. Het hof is om deze laatste reden van oordeel dat de kantonrechter de sanctierichtlijn toch terecht heeft toegepast. Het hof volgt [appellante] in de stelling dat de sanctie ook toegepast moet worden op de reeds betaalde facturen. De sanctie behelst immers een gedeeltelijke vernietiging van de aannemingsovereenkomst als geheel. Daaronder vallen ook de reeds betaalde facturen. De derde grief van [appellante] slaagt in zoverre.
[appellante] heeft nog geklaagd dat de kantonrechter ten onrechte aan haar standpunt voorbij is gegaan dat, als de overeenkomst niet ontbonden kon worden op grond van het herroepingsrecht, de overeenkomst dient te worden vernietigd in verband met een oneerlijke handelspraktijk als bedoeld in artikel 6:193c lid 1 sub d en artikel 6:193j lid 3 BW. Het hof overweegt dat een voldoende ernstige schending van de essentiële informatieplichten op de voet van artikel 6:230l BW een omissie oplevert op grond waarvan de rechter kan beslissen tot vernietiging van de overeenkomst tussen de handelaar en de consument. In dit geval heeft de kantonrechter besloten om de tussen partijen gesloten overeenkomst gedeeltelijk te vernietigen. Voor zover er gelet op onder meer de inhoud van de door [geïntimeerde] toegezonden kostenindicatie al sprake zou zijn van een schending van oneerlijke handelspraktijken, rechtvaardigt dit – in aanmerking genomen wat het hof hierboven al heeft overwogen en gelet op de samenhang daarmee – niet een nog nadere, aanvullende sanctie. Het betoog van [appellante] op dat punt is dan ook tevergeefs.
[appellante] heeft betoogd dat de gedeeltelijke vernietiging ook zou moeten gelden voor de contante betaling van € 1.530. Het hof overweegt dat tussen partijen vaststaat dat de werkzaamheden waarvoor contant is betaald zien op het afdichten van het dak van de woning van [appellante] nadat de schuur was gesloopt en dat voor deze werkzaamheden een aparte overeenkomst is gesloten. Niet gebleken is dat [appellante] btw heeft betaald over dit bedrag en het hof ziet gelet op de wijze van betaling ook geen reden om ervan uit te gaan dat [geïntimeerde] in dat kader btw in rekening heeft gebracht. Van een schending van informatieplichten ten aanzien van deze overeenkomst is daarom geen sprake. Bovendien volgt uit de gedingstukken dat het een dringende herstelling betrof waar [appellante] specifiek om heeft verzocht. Bij dergelijke overeenkomsten heeft de consument geen recht van ontbinding (zie artikel 6:230p aanhef en onder b BW).
Is [geïntimeerde] ongerechtvaardigd verrijkt?
[geïntimeerde] heeft nog een beroep gedaan op ongerechtvaardigde verrijking, die optreedt indien [appellante] niet (volledig) hoeft te betalen voor uitgevoerd werk. Het hof zal ook aan dit beroep voorbij gaan. Als al sprake zou zijn van een verrijking van [appellante] dan komt dat door toepassing van het sanctiemodel en is daardoor gerechtvaardigd.
De conclusie
Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] in totaal € 13.621,35 heeft gefactureerd aan [appellante] . Na toepassing van de sanctie resteert een betalingsverplichting van € 10.216,91. [appellante] heeft de facturen met nummer [factuurnummer] en [factuurnummer] van in totaal € 5.880,60 al betaald. Het hof zal [appellante] daarom veroordelen tot betaling van € 4.335,41 (€ 10.216,91 – 5.880,60).
Het hof bepaalt dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen van het hoger beroep (compensatie van proceskosten) omdat partijen ieder deels gelijk hebben gekregen. Het hof zal de proceskosten bij de rechtbank in zowel conventie als reconventie compenseren, omdat de tegenvordering van [geïntimeerde] voor een beperkter deel wordt toegewezen als gevolg van het deels slagen van het hoger beroep ‘van [appellante] ’ en gelet op de samenhang van beide vorderingen.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
5. De beslissing
Het hof:
vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 11 februari 2025, zowel in conventie als in reconventie;
veroordeelt [appellante] om aan [geïntimeerde] een bedrag van € 4.335,41 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van volledige voldoening;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedures bij de kantonrechter, in zowel conventie als in reconventie, en bij het hof;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. J. Smit, mr. O.E. Mulder en mr. A.A.J. Smelt, bijgestaan door mr. I.M. Walinga als griffier, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.