GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.361.608/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 548306
arrest van 25 augustus 2026
inzake
[appellante] (de vrouw)
wonende te [woonplaats]die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie
advocaat: mr. H. Loonstein te Amsterdam
en
[geïntimeerde] (de man)
wonende te [woonplaats]
die bij de rechtbank optrad als eiser in conventie, verweerder in reconventie
advocaat: mr. W.F. Wienen te Almere.
1. Het verloop van de procedure in hoger beroep
De vrouw heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) op 6 augustus 2025 tussen partijen heeft uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep (met eis in het incident ex artikel 351 Rv)
de antwoordmemorie in het incident
een journaalbericht namens de man op 9 december 2025 ter correctie van de antwoordmemorie in het incident
een journaalbericht namens de vrouw op 19 juni 2026 met producties.
De mondelinge behandeling heeft op 30 juni 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten, waarbij voor de vrouw mr. J.R. Núñes Casanova als waarnemer van mr. Loonstein ter zitting aanwezig was. Mr. Núñes Casanova heeft ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van een door hem overgelegde pleitnota.
Partijen hebben arrest gevraagd in het incident en zij hebben de stukken daarvoor aan het hof gegeven.
2. De feiten
Voor zover van belang voor de beoordeling in het incident, gaat het in deze zaak om het volgende.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. De samenlevingsovereenkomst is op 1 juli 2022 beëindigd.
Partijen hebben samen twee kinderen: [de meerderjarige] (20 jaar) en [de minderjarige] (17 jaar).
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning aan de [adres] in [woonplaats] .
In de onderhavige bodemzaak heeft de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 6 augustus 2025 (het bestreden vonnis) - voor zover van belang in deze procedure - het volgende bepaald ten aanzien van de woning:
- de rechtbank veroordeelt de vrouw uiterlijk binnen veertien dagen na het wijzen van dit vonnis gezamenlijk met de man opdracht tot verkoop van de woning te geven aan [naam] in [woonplaats] dan wel aan een andere makelaar indien partijen daarover overeenstemming hebben bereikt;
- partijen zullen in onderling overleg met de makelaar de vraagprijs, die dient te zijn gebaseerd op de woningmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, bepalen;
- indien partijen er niet binnen twee weken na de opdrachtverlening aan de makelaar in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, zal de makelaar de woning te koop mogen aanbieden tegen een marktconforme vraagprijs;
- partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de makelaar dit bindend kunnen bepalen;
- als de verkoopprijs bindend is vastgesteld zijn beide partijen verplicht hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning;
- na verkoop moet met de verkoopopbrengst en de uitkering van de kapitaalverzekering, de hypothecaire geldlening worden afgelost en de aan de verkoop verbonden kosten worden betaald;
- het eventuele restant moeten partijen bij helfte delen dan wel voor zover er een restschuld ontstaat, moeten zij ieder de helft daarvan dragen.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De vrouw heeft op 5 november 2025 hoger beroep ingesteld tegen het bestreden vonnis. Bij incidentele memorie in hoger beroep heeft zij een incidentele vordering ingesteld die ertoe strekt dat de uitvoerbaarheid bij voorraad wordt geschorst ex artikel 351 Rv.
De man heeft de vrouw op 4 december 2025 in kort geding gedagvaard. Bij vonnis van 12 maart 2026 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, beslist als volgt:
- machtigt de man om de woning van partijen te gelde te maken en hem te machtigen om alles te doen dat noodzakelijk is om de verkoop van de woning te bewerkstelligen;
- veroordeelt de vrouw om ten behoeve van de verkoop van de woning de sleutels van de voor- en achterdeur aan de man te verstrekken en de man ten behoeve van bezichtigingen toegang tot de woning te verlenen, dit binnen één week na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de vrouw deze veroordeling niet nakomt tot een maximum van € 50.000,-;
- veroordeelt de vrouw tot ontruiming van de woning, dit met al haar eigendommen, uiterlijk 24 uur voorafgaand aan de notariële overdracht van de woning aan de kopers, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de vrouw deze veroordeling niet nakomt tot een maximum € 50.000,-;
- compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
De vrouw heeft tegen deze beslissing hoger beroep bij het hof ingesteld. Op deze vordering zal door het hof worden beslist onder zaaknummer 200.366.268.
3. De toelichting op de beslissing van het hof
In dit incident vordert de vrouw dat het hof de tenuitvoerlegging van het vonnis van 6 augustus 2025 schorst op de voet van artikel 351 Rv, althans voor zover dit ziet op de veroordeling onder 4.1 van het vonnis. De man heeft in zijn antwoordmemorie in incident geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering met veroordeling van de vrouw in de kosten van het incident.
Ter onderbouwing van haar incidentele vordering stelt de vrouw dat de beslissing dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard niet berust op een belangenafweging. Die belangenafweging dient alsnog te worden gemaakt en in het voordeel van de vrouw uit te vallen. Zij is een alleenstaande moeder van twee kinderen die bij verkoop van de woning ten gevolge van woningnood dakloos zullen worden.
De man voert aan dat de rechtbank al een belangenafweging heeft gemaakt waardoor de beslissing om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren is gemotiveerd. Daarom moet er sprake zijn van een juridische of feitelijke kennelijke misslag om tot schorsing van de beslissing over te kunnen gaan. Daarvan is geen sprake. Er zijn al drie jaren verstreken sinds het feitelijk uiteengaan van partijen en de woning is nog steeds niet verdeeld. Dat de vrouw op straat zou komen te staan blijkt nergens uit. Zij komt in aanmerking voor een urgentie nadat de echtelijke woning is verkocht, zo blijkt uit Bijlage II bij de Huisvestingsverordening 2025 van de gemeente [woonplaats] , paragraaf 3 onderdeel b.
Voor de beoordeling van een incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging (artikel 351 Rv) geldt het volgende toetsingskader:
a. Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd, ook als daartegen hoger beroep is ingesteld. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als omstandigheden meebrengen dat het belang van de veroordeelde partij om de bestaande situatie te houden zoals deze is totdat op het hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de uitspraak uit te kunnen (laten) voeren.
b. Het hof gaat bij toepassing van de onder a. genoemde maatstaf in een incident uit van de overwegingen en beslissingen in de uit te voeren uitspraak en kijkt voor zijn beslissing niet naar de kans van slagen van het hoger beroep. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een kennelijke misslag berust, kan het hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid verbinden.
c. Als de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad door de rechtbank is gemotiveerd, moet de eiser in zijn vordering feiten en omstandigheden noemen waarmee bij het nemen van de beslissing nog geen rekening kon worden gehouden omdat die feiten of omstandigheden zich pas na de uitspraak hebben voorgedaan. Die feiten en omstandigheden moeten kunnen rechtvaardigen dat van de eerdere beslissing van de rechtbank wordt afgeweken. De eiser hoeft dit punt niet te noemen als de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad berust op een kennelijke misslag.
Belangenafweging
De rechtbank heeft – anders dan de vrouw aanvoert – in rechtsoverweging 3.8 de beslissing over de uitvoerbaarverklaring bij voorraad uitdrukkelijk gemotiveerd. De rechtbank wilde met deze beslissing voorkomen dat een hoger beroep enkel werd gebruikt om de termijn verder op te rekken. Daarom is sprake van de situatie zoals hierboven in 3.4 onder c beschreven. De vrouw heeft niet gesteld dat zich sinds het bestreden vonnis nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan, noch dat sprake is van een kennelijke misslag. Zij heeft enkel zich op het standpunt gesteld dat haar belang en het belang van de kinderen zwaarder wegen dan het belang van de man. Omdat de rechtbank haar beslissing heeft gemotiveerd, is er geen ruimte voor het hof om een (nieuwe) belangenafweging te maken. Het is ook niet aan het hof om die motivering te toetsen.
De vrouw heeft verder gesteld dat zij – in tegenstelling tot wat de rechtbank als vaststaand heeft aangenomen – niet in aanmerking komt voor een urgentieverklaring omdat haar aanvraag daartoe is afgewezen. Dit is echter onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. De vrouw heeft niet weersproken dat zij bij het aanvragen van de urgentieverklaring bij de gemeente [woonplaats] niet de vereiste gegevens heeft aangeleverd en dat dit ook niet mogelijk is voordat de woning is verkocht. De reden voor de afwijzing van de aanvraag is daarmee niet gelegen in de situatie van de vrouw, maar in het tijdstip waarop de aanvraag is ingediend en de gegevens die daarbij zijn aangeleverd. Door de vrouw is niet gesteld en het hof is anderszins ook niet gebleken dat de afwijzing van deze aanvraag in de weg staat aan toewijzing van een urgentieverklaring op een later tijdstip. Ook hierin ziet het hof daarom geen reden de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis te schorsen.
Uit het voorgaande volgt dat het hof de incidentele vordering zal afwijzen. De beslissing over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot de einduitspraak. De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen om voort te procederen.
4. De beslissing
Het hof:
in het incident
wijst de vordering af;
houdt de beslissing over de proceskosten aan tot hierover bij eindarrest zal worden beslist;
in de hoofdzaak in hoger beroep
verwijst de hoofdzaak naar de roldatum van 6 oktober 2026 voor het nemen van de memorie van grieven door de vrouw;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Veenstra, J.G. Knot en A.K. Oostlander-Vos, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.