ECLI:NL:GHARL:2026:5464

ECLI:NL:GHARL:2026:5464

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer 200.366.268/01
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Kort geding. Belangenafweging of woning te gelde mag worden gemaakt, dient plaats te vinden in de bodemzaak. Belangenafweging van de voorzieningenrechter is niet onbegrijpelijk.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden, afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.366.268/01

zaaknummers rechtbank Midden-Nederland 603122

arrest in kort geding van 25 augustus 2026

in de zaak van

[appellante] (de vrouw)

wonende te [woonplaats]die hoger beroep heeft ingesteld

en bij de voorzieningenrechter optrad als gedaagde

advocaat: mr. H. Loonstein te Amsterdam

en

[geïntimeerde] (de man)

wonende te [woonplaats]

die ook hoger beroep heeft ingesteld

en bij de voorzieningenrechter optrad als eiser

advocaat: mr. W.F. Wienen te Almere.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 12 maart 2026, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de appeldagvaarding met producties, ingekomen op 13 maart 2026;

- de memorie van antwoord, tevens incidenteel hoger beroep;

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;

- een journaalbericht namens de vrouw op 19 juni 2026 met producties.

De mondelinge behandeling heeft op 30 juni 2026 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten, waarbij voor de vrouw mr. J.R. Núñes Casanova als waarnemer van mr. Loonstein ter zitting aanwezig was. Mr. Núñes Casanova heeft ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van een door hem overgelegde pleitnota.

3. De feiten

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. De samenlevingsovereenkomst is op 1 juli 2022 beëindigd.

Partijen hebben samen twee kinderen: [de meerderjarige] (20 jaar) en [de minderjarige] (17 jaar).

Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning aan de [adres] in [woonplaats] .

In de bodemzaak heeft de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 6 augustus 2025 dat uitvoerbaar bij voorraad is verklaard - voor zover van belang in deze procedure - ten aanzien van de woning het volgende bepaald:

de rechtbank veroordeelt de vrouw uiterlijk binnen veertien dagen na het wijzen van dit vonnis gezamenlijk met de man opdracht tot verkoop van de woning te geven aan [makelaardij] in [woonplaats] dan wel aan een andere makelaar indien partijen daarover overeenstemming hebben bereikt;

partijen zullen in onderling overleg met de makelaar de vraagprijs, die dient te zijn gebaseerd op de woningmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, bepalen;

indien partijen er niet binnen twee weken na de opdrachtverlening aan de makelaar in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, zal de makelaar de woning te koop mogen aanbieden tegen een marktconforme vraagprijs;

partijen zullen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de makelaar dit bindend kunnen bepalen;

als de verkoopprijs bindend is vastgesteld zijn beide partijen verplicht hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning;

na verkoop moet met de verkoopopbrengst en de uitkering van de kapitaalverzekering, de hypothecaire geldlening worden afgelost en de aan de verkoop verbonden kosten worden betaald;

het eventuele restant moeten partijen bij helfte delen dan wel voor zover er een restschuld ontstaat, moeten zij ieder de helft daarvan dragen.

De vrouw heeft op 5 november 2025 bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis in de bodemzaak. In het hoger beroep heeft zij een incidentele vordering ingesteld die ertoe strekt dat de uitvoerbaarheid bij voorraad wordt geschorst ex artikel 351 Rv. Op deze vordering zal door het hof worden beslist onder zaaknummer 200.361.608.

Bij kort geding vonnis van 12 maart 2026 (hierna: ‘het bestreden vonnis’) heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, – uitvoerbaar bij voorraad – beslist als volgt:

machtigt de man om de woning van partijen te gelde te maken en hem te machtigen om alles te doen dat noodzakelijk is om de verkoop van de woning te bewerkstelligen;

veroordeelt de vrouw om ten behoeve van de verkoop van de woning de sleutels van de voor- en achterdeur aan de man te verstrekken en de man ten behoeve van bezichtigingen toegang tot de woning te verlenen, dit binnen één week na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de vrouw deze veroordeling niet nakomt tot een maximum van € 50.000,-;

veroordeelt de vrouw tot ontruiming van de woning, dit met al haar eigendommen, uiterlijk 24 uur voorafgaand aan de notariële overdracht van de woning aan de kopers, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de vrouw deze veroordeling niet nakomt tot een maximum € 50.000,-;

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4. De omvang van het geschil

Tussen partijen is in geschil de verdeling van de gemeenschappelijke woning.

De vrouw is met zeven grieven in hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis. De vrouw vordert dat het bestreden vonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van de man worden afgewezen en dat de uitvoerbaarheid bij voorraad wordt geschorst totdat een beslissing door het hof is genomen, met veroordeling van de man in de proceskosten in beide instanties.

De man is op zijn beurt met een grief in incidenteel hoger beroep gekomen. De grief ziet op de beslissing van de voorzieningenrechter om de proceskosten te compenseren. De man vordert dat de vrouw alsnog in de kosten van de procedure in eerste aanleg wordt veroordeeld, alsmede in die van het hoger beroep.

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5. De motivering van de beslissing

Spoedeisend belang

De vrouw stelt dat de man geen spoedeisend belang heeft, omdat de man al geruime tijd bij een nieuwe partner woont en zijn belang alleen is gelegen in het verkrijgen van de overwaarde van de woning.

In deze procedure is gebleken dat de vrouw niet meewerkt aan het bestreden vonnis en aan het vonnis van 6 augustus 2025 in de bodemzaak, waarin zij is veroordeeld om mee te werken aan verkoop van de woning. Daarmee is het spoedeisend belang van de man gegeven.

Belangenafweging

De vrouw richt zich met een grief tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat het belang van de man zwaarder weegt dan het belang van de vrouw. De omstandigheid dat de vrouw en de kinderen in een beroerde woonsituatie dreigen te komen moet volgens de vrouw zwaarder wegen dan het belang van de man om op korte termijn tot verkoop van de woning over te gaan. Ook heeft de man geen belang bij toewijzing van de vordering om hem te machtigen tot verkoop van de woning, omdat deze vordering niet is gericht tegen de meerderjarige zoon van partijen. De vrouw stelt daarnaast dat zij een minderjarig kind thuis heeft zitten die te kampen heeft met persoonlijke psychische problematiek. Omdat er geen vervangende woonruimte beschikbaar is, is verkoop niet in het belang van het kind.

Het hof oordeelt als volgt. De vraag of de woning te gelde mag worden gemaakt, vergt een inhoudelijke belangenafweging die thuishoort in de bodemzaak. Het hof zal in dit kort geding die belangenafweging niet maken en ook niet de belangenafweging van de voorzieningenrechter inhoudelijk beoordelen, gelet op het karakter van een kort geding en de terughoudendheid die daarmee gepaard gaat. Dat zou slechts anders zijn als de belangenafweging van de voorzieningenrechter onbegrijpelijk zou zijn, maar dat is hier niet het geval. Het hof ziet in het door de vrouw aangevoerde geen feiten of omstandigheden die de voorzieningenrechter in zijn beoordeling niet heeft betrokken. Dat de man geen belang zou hebben bij verkoop van de woning is niet gebleken, omdat het in deze procedure niet gaat om ontruiming, maar om verkoop van de woning en de zoon van partijen geen geldige titel heeft om na verkoop in de woning te verblijven.

Aan het voorgaande doet niet af dat de door de vrouw aangevraagde urgentieverklaring is afgewezen. Door de vrouw is erkend dat de reden voor de afwijzing was dat de woning nog niet was verkocht en de vrouw derhalve geen koopovereenkomst heeft overgelegd. Niet gesteld of anderszins gebleken is dat deze afwijzing in de weg staat aan de aanvraag van een urgentieverklaring op een later moment waarop de woning is verkocht. Daarnaast heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling erkend dat zij geen gebruik heeft gemaakt van of een onderzoek heeft ingesteld naar de alternatieve woonmogelijkheden die de gemeente heeft voorgesteld bij een afwijzing van de urgentieaanvraag. Dat de vrouw na verkoop van de woning in een noodtoestand zou komen te verkeren, is daarom niet gebleken.

De overige grieven behoeven gelet op het voorgaande geen afzonderlijke bespreking.

6. De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven van de vrouw. Het hof zal het bestreden vonnis, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu zij een relatie hebben gehad en het geschil de afwikkeling van hun samenlevingsovereenkomst betreft.. Het hof ziet – anders dan de man vordert en in dat kader aanvoert – geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat in familierechtelijke geschillen de proceskosten worden gecompenseerd. Van misbruik van procesrecht door de vrouw is geen sprake.

7. De beslissing

Het hof

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 12 maart 2026, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Veenstra, J.G. Knot en A.K. Oostlander-Vos, bijgestaan door mr. G.J. Rauw als griffier, en is op 25 augustus 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. G.J. Rauw

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand