ECLI:NL:GHARL:2026:5465

ECLI:NL:GHARL:2026:5465

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 26-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer 21-005234-22
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Het hof spreekt verdachte vrij van het onder 1 ten laste gelegde medeplegen van valsheid in geschrifte. Veroordeling voor witwassen. Middels oplichting van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland door coronasteun aan te vragen, terwijl verdachtes bedrijf daar geen recht op had, heeft verdachte geld verkregen dat uit misdrijf afkomstig was. Hij heeft een deel uit het verkregen geldbedrag overgedragen aan medeverdachte en een deel van het geld gebruikt ten eigen nutte. Het hof veroordeelt verdachte, mede door overschrijding van de redelijke termijn met bijna 1 jaar en 9 maanden, tot een taakstraf van 180 uren. Toewijzing van de vordering benadeelde partij RvOen oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1963 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 augustus 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. T.R. Oude Veldhuis, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank Overijssel heeft bij vonnis van 28 november 2022, waartegen het hoger beroep is gericht:

Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de rechtbank Overijssel. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.hij in of omstreeks de periode 23 juli 2020 tot en met 8 januari 2021, in [plaats] , althans (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer (rechts)personen,

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van meerdere, althans een, vals(e) of vervalst(e) geschrift(en), zijnde (telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware het echt en onvervalst, te weten:

een suppletieaangifte omzetbelasting over het tijdvak 1 april 2019 tot en met 30 juni 2019 (DOC-005) en/of

een suppletieaangifte omzetbelasting over het tijdvak 1 juli 2019 tot en met 30 september 2019 (DOC-005) en/of

een suppletieaangifte omzetbelasting over het tijdvak 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2019 (DOC-112),

bestaande die vervalsing en/of die valsheid hierin dat in strijd met de waarheid

in de suppletieaangifte omzetbelasting over het tijdvak 1 april 2019 tot en met 30 juni 2019 is aangegeven dat sprake is van leveringen/diensten belast met het hoge BTW-tarief ad EUR 162.000,00 en/of leveringen/diensten belast met het lage BTW-tarief ad EUR 336.000,00, en/of

in de suppletieaangifte omzetbelasting over het tijdvak 1 juli 2019 tot en met 30 september 2019 is aangegeven dat sprake is van leveringen/diensten belast met het hoge BTW-tarief ad EUR 176.000,00 en/of leveringen/diensten belast met het lage BTW-tarief ad EUR 344.000,00,

en/of

in de suppletieaangifte omzetbelasting over het tijdvak 1 oktober 2019 tot en met 31 december 2019 is aangegeven dat sprake is van leveringen/diensten belast met het hoge BTW-tarief ad EUR 288.000,00 en/of leveringen/diensten belast met het lage BTW-tarief ad EUR 589.000,00,

bestaande dat gebruikmaken en/of gebruik doen maken – zakelijk weergegeven – hierin dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), de hiervoor genoemde suppletieaangifte(n) aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ter onderbouwing van (een) aanvra(a)g(en) voor financiële ondersteuning in het kader van de regeling Tegemoetkoming Vaste Lasten (DOC-006 en DOC-010) heeft verzonden en/of verstrekt;

2. primairhij in of omstreeks de periode 7 juli 2020 tot en met 12 februari 2021 in [plaats] , althans (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(sub a)

van (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) van (in totaal) EUR 37.057,67 euro,

- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld dan wel

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) was/waren, en/of

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den),

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), dan wel redelijkerwijze moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

en/of

(sub b)

(een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) van (in totaal) EUR 37.057,67 euro (AMB-002),

heeft overgedragen en/of omgezet en/of van genoemd voorwerp gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), dan wel redelijkerwijze moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

2. subsidiair[medeverdachte] in of omstreeks de periode 21 december 2020 tot en met 12 februari 2021 in [plaats] , althans (elders) in Nederland,

(van) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) van (in totaal) EUR 30.000,00 euro,

(sub a)

- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)

terwijl die [medeverdachte] (telkens) wist, dan wel redelijkerwijze moest vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf

en/of

(sub b)

(een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) van (in totaal) EUR 30.000,00 euro,

- heeft overgedragen, heeft omgezet,

en/of

- gebruik heeft gemaakt

terwijl die [medeverdachte] (telkens) wist, dan wel redelijkerwijze moest vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op/in of omstreeks de periode van 21 december 2020 tot en met 23 december 2020 in [plaats] , althans in Nederland,

opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, en/of opzettelijk behulpzaam is geweest

door zijn pinpas en/of pincode af te geven en/of ter beschikking te stellen en/of (toegang tot) zijn bankrekening ( [rekeningnummer] ) te verlenen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak ten aanzien van feit 1

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 ten laste gelegde medeplegen van valsheid in geschrifte wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hiertoe heeft hij – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de onderneming van verdachte geen activiteiten ontplooide en geen omzet genereerde. Door die omzet toch op te geven en daarmee de suggestie te wekken dat aan de subsidievoorwaarden voor de coronasteunmaatregel TVL was voldaan, zijn de suppletieaangiften vals.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde medeplegen van valsheid in geschrifte. Hiertoe heeft zij – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte niet betrokken is geweest bij het verstrekken en/of verzenden van de valse suppletieaangiften. Er is geen nauwe en bewuste samenwerking geweest tussen verdachte en medeverdachte. Het opzet ontbreekt bij verdachte en hij had geen kennis van de inhoud van de aangiften. Verdachte had evenmin wetenschap van de intentie bij [medeverdachte] .

Oordeel van het hof

Het hof heeft uit het onderzoek op de zitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan. Het hof overweegt hiertoe het volgende.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is het hof gebleken dat sprake is geweest van oplichting van de [benadeelde partij] door het aanvragen van twee subsidies in het kader van de coronasteunmaatregelen, de zogenaamde TOGS en TVL. Hoewel uit het dossier naar voren komt dat verdachte bewust heeft meegewerkt aan deze oplichtingsconstructie waarbij zowel verdachte als [medeverdachte] een rol hebben gespeeld, is betrokkenheid bij oplichting aan verdachte niet ten laste gelegd. De vaststelling dat verdachte daarbij strafrechtelijk betrokken is geweest acht het hof van belang voor de beoordeling van feit 2 en zal bij de beoordeling daarvan verder worden toegelicht

Een onderdeel van de oplichtingsconstructie is het onder feit 1 tenlastegelegde opzettelijk gebruikmaken van valselijk opgemaakte suppletieaangiften het indienen daarvan bij de [benadeelde partij] . Juist op dit onderdeel ziet het hof echter niet dat verdachte daarin een – eigen – aandeel heeft gehad. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte de betreffende documenten zelf valselijk heeft opgemaakt. Ook komt uit het dossier onvoldoende naar voren dat verdachte van die valselijk opgemaakte aangiften gebruik heeft gemaakt door deze zelf in te dienen dan wel door een ander te laten indienen bij de [benadeelde partij] ter onderbouwing van aanvragen van coronasteun. Evenmin blijkt uit de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen dat hij in dat kader nauw en bewust heeft samengewerkt met de medeverdachte.

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 ten laste gelegde valsheid in geschrifte, dan wel het medeplegen daaraan. Om die reden spreekt het hof verdachte daarvan vrij.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 ten laste gelegde medeplegen van witwassen wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hiertoe heeft hij – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat oplichting kan worden aangemerkt als gronddelict. Nu verdachte en medeverdachte de oplichters zijn geweest, hadden ze ook wetenschap van de criminele herkomst van de geldbedragen.

Verdachte heeft verhuld wat de herkomst was van het geldbedrag, wie de rechthebbende daarvan was en wie het geldbedrag voorhanden had. Het geldbedrag dat door de [benadeelde partij] is uitgekeerd als inkomenssteun voor ondernemers in financiële nood – dus ten behoeve van de onderneming [onderneming] (hierna [onderneming] ), een onderneming van verdachte, – is door verdachte en de medeverdachte omgekat tot een uit eigen financiële middelen gefinancierde persoonlijke lening van verdachte aan de medeverdachte via de bankrekening van de zoon van de medeverdachte.

Daarnaast hebben verdachte en de medeverdachte eveneens in nauwe en bewuste samenwerking de door de [benadeelde partij] uitgekeerde geldbedragen overgedragen en omgezet en hebben zij er gebruik van gemaakt.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde medeplegen van witwassen. Hiertoe heeft zij – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte niet op de hoogte was van de fraude, gepleegd door de medeverdachte. Verdachte heeft altijd gedacht dat het geld voor hem bestemd was vanwege de coronacrisis. Hij heeft zich wijs laten maken dat hij recht had op het geld en dit heeft hij geloofd. Zodoende kan de wetenschap dat de geldbedragen uit misdrijf afkomstig waren, niet worden bewezen.

Oordeel van het hof

Verdachte heeft aangevoerd dat vrijspraak moet volgen. Het hof is evenwel van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het onder feit 2 tenlastegelegde witwassen. Het hof twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Het hof overweegt hiertoe het volgende.

Feiten en omstandigheden

De onderneming [onderneming] werd op 22 december 2017 ingeschreven in het register van de Kamer van Koophandel en heeft als bedrijfsactiviteiten ‘haarverzorging, kapperszaak/kapsalon’. Vanaf de oprichting van [onderneming] stond verdachte geregistreerd als de enige bestuurder. Op 17 april 2020 werd de onderneming met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020 gevestigd op het adres [straat] in [plaats] . Verdachte heeft op 8 juni 2020 een bankrekening aangevraagd bij de online bank Bunq B.V. Het IBAN-nummer van deze bankrekening betrof [rekeningnummer] en stond op naam van verdachte.

Op 24 juni 2020 werd op naam van [onderneming] een eHerkenningsmiddel aangevraagd bij We-ID.

Door middel van eHerkenning kan namens een organisatie worden ingelogd om online zaken met overheidsinstanties te regelen. Het eHerkenningsmiddel was voorzien van een 2-factorauthenticatie via SMS. Dit betekende dat op het moment van inloggen een code via

SMS werd verstrekt, die nodig was om de inlog te voltooien. Hiervoor werd het telefoonnummer [nummer] opgegeven. Dit telefoonnummer werd op 28 december

2020 gewijzigd in [nummer] . Beide telefoonnummers worden gebruikt door de medeverdachte.

Op 25 juni 2020 werd verdachte op het adres [straat] in [plaats] in persoon geïdentificeerd als de bevoegde vertegenwoordiger en beheerder van [onderneming] . Vervolgens werd op diezelfde datum het aangevraagde eHerkenningsmiddel afgegeven en geactiveerd.

Verdachte heeft tegenover de opsporingsambtenaren verklaard dat hij de bewoner van de woning aan de [straat] te [plaats] , [naam] [getuige] , kende en dat hij [getuige] heeft gevraagd of hij diens adres mocht gebruiken als post- en bedrijfsadres voor [onderneming] . [getuige] heeft als getuige verklaard dat hij de voor de verdachte bestemde post op een afgesproken locatie aan hem overhandigde en dat verdachte op 25 juni 2020 op de [straat] aanwezig was en een meneer te woord heeft gestaan. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte bevestigd dat hij [getuige] kent.

Met gebruikmaking van het eHerkenningsmiddel op naam van [onderneming] werd op 25 juni 2020 bij de [benadeelde partij] namens [onderneming] een aanvraag voor de TOGS ingediend. Naar aanleiding van

deze aanvraag verzocht de [benadeelde partij] verdachte om nadere informatie te verschaffen met betrekking tot het vestigingsadres, zodat kon worden beoordeeld of [onderneming] aan de gestelde voorwaarden voldeed. Op 2 juli 2020 werd het verzoek beantwoord met een e-mailbericht afkomstig van ‘ [e-mail adres] ’. Als bijlagen werden de pdf-bestanden

‘Huurovereenkomst [straat] .pdf’ en ‘Huurovereenkomst [naam] 10.pdf’ meegestuurd.

Hiermee voldeed [onderneming] aan het verzoek van de [benadeelde partij] en vervolgens kende de [benadeelde partij] op 3 juli

2020 een tegemoetkoming van € 4.000,00 toe. Op 9 juli 2020 werd voornoemd bedrag bijgeschreven op de bankrekening bij Bunq op naam van verdachte.

Op 23 juli 2020 ontving de [benadeelde partij] een aanvraag voor de regeling TVL op naam

[onderneming] . Ter onderbouwing van de aanvraag werden als bewijs van de gerealiseerde omzet in het tweede en derde kwartaal van 2019 suppletieaangiften over die kwartalen in een pdf-bestand meegestuurd. In zowel de aanvraag als de bijlage stond dat [onderneming] over het tweede kwartaal van 2019 een gerealiseerde omzet van € 498.000,00 had behaald; daarvan werden de diensten/leveringen belast met het hoge btw-tarief over een bedrag van € 162.000,00 en met het lage btw-tarief over een bedrag van € 336.000,00. De in de aanvraag en bijlage vermelde gerealiseerde omzet over het derde kwartaal betrof € 520.000,00 (de diensten/leveringen werden belast met het hoge btw-tarief over een bedrag van € 176.000,00 en met het lage btw-tarief over een bedrag van 344.000,000). De [benadeelde partij] wees de aanvraag van [onderneming] in eerste instantie af omdat de SBI-code in het handelsregister van de Kamer van Koophandel niet voldeed aan de gestelde voorwaarden.

Nadat tegen deze afwijzing op 7 september 2020 bezwaar was ingediend, heeft de [benadeelde partij] per brief van 17 december 2020 kenbaar gemaakt dat het bezwaar gegrond werd verklaard en dat een voorschot van 80% van het voorlopige subsidiebedrag zou worden toegekend. Op 21 december 2020 heeft de [benadeelde partij] een bedrag van € 33.058,67 overgemaakt naar de Bunq-rekening van verdachte. Diezelfde dag werd vanaf die Bunq-rekening een bedrag van € 10.000,00 overgemaakt naar het rekeningnummer [rekeningnummer] op naam van [medeverdachte] . Ook op 22 en 23 december 2020 werden bedragen van € 10.000,00 overgemaakt naar voornoemd rekeningnummer op naam van [medeverdachte] (totaal € 30.000,00). De overboekingen waren voorzien van de beschrijving ‘persoonlijk krediet tnv [medeverdachte] ’. Het totale geldbedrag van € 30.000,00 werd contant opgenomen door [medeverdachte] (in 3 keer, telkens een bedrag van € 10.000,00). Verdachte heeft het overgebleven bedrag contant opgenomen en gebruikt om onder andere te voorzien in zijn levensonderhoud.

Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij [onderneming] heeft opgericht en dat er niet echt sprake was van bedrijfsactiviteit. Verdachte knipte weleens een beetje als kapper en dat leverde hier en daar een beetje geld op, maar niet veel. Het was bijklussen. Bij de FIOD heeft verdachte verklaard dat hij door iemand werd aangesproken die hem zei dat als hij met zijn bedrijf bij de Kamer van Koophandel was ingeschreven er geld kon worden aangevraagd. Hij moest daarvoor een legitimatiebewijs en een postadres aanleveren en zou dan € 1.000,00 krijgen. Na een tijdje werd er € 4.000,00 gestort. Verdachte heeft dat geld in een paar dagen gepind. € 1.000,00 heeft hij zelf gehouden, de rest heeft hij afgegeven. Toen er een tijd later € 33.000,00 op zijn rekening werd overgemaakt zag verdachte dat het afkomstig was van een overheidsinstelling. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij de gelden die hij zelf heeft gehouden heeft uitgegeven, hij heeft daarvan geleefd.

Uit enig misdrijf afkomstig

Voor een bewezenverklaring van witwassen is vereist dat vast komt te staan dat het

geldbedrag waarop de verdenking van witwassen betrekking heeft middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Het hof stelt vast dat het onderzoek Abbots heeft geresulteerd in direct bewijs voor een criminele herkomst van het ten laste gelegde geldbedrag. Uit de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden volgt naar het oordeel van het hof dat verdachte en de medeverdachte een fraudeconstructie hebben bedacht waarmee zij de Staat der Nederlanden, waarvan de [benadeelde partij] een agentschap is, hebben opgelicht. Doordat de [benadeelde partij] kennis nam van de ingediende valse suppletieaangiften, verkeerde zij – ten onrechte – in de veronderstelling dat [onderneming] als gevolg van de coronamaatregelen omzetverlies had geleden en recht had op vergoedingen op grond van de TOGS en TVL. De [benadeelde partij] heeft in totaal een bedrag van € 37.058,67 aan [onderneming] uitgekeerd, welk bedrag naar de in de aanvraag opgegeven Bunq-bankrekening op naam van verdachte is overgemaakt.

Wetenschap

Daarnaast is voor een bewezenverklaring van witwassen vereist dat verdachte wetenschap heeft gehad dat de voorwerpen middellijk of onmiddellijk afkomstig zijn uit enig misdrijf.

Verdachte heeft op zijn rekening gelden ontvangen van de overheid, wat hij onder andere heeft aangewend voor zijn eigen levensonderhoud. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij dacht dat hij recht had op het geld van de overheid, omdat hij een bedrijf had. Verdachte had geen geld of inkomen, kon de ontvangen gelden goed gebruiken en hij heeft een deel van dit geld dan ook voor zichzelf gebruikt.

Om dit geld te ontvangen heeft verdachte voor de eHerkenning een derde benaderd om diens adres te mogen gebruiken als post- en bedrijfsadres voor zijn onderneming. Verdachte noemt deze verdachte ter zitting van het hof ‘een verslaafde’. Verdachte wist dat op dat adres feitelijk geen kapperszaak van hem was gevestigd en dat er geen kappersactiviteiten werden ontplooid. Toch is dit adres als vestigingsadres opgegeven bij de Kamer van Koophandel en de [benadeelde partij] en is dit adres gebruikt voor de aanvraag van het eHerkenningsmiddel, benodigd voor het aanvragen van overheidssteun. Vervolgens is verdachte in persoon naar dit adres gegaan om de eHerkenningsprocedure te voltooien. Verdachte heeft tevens de post die voor [onderneming] op dat adres werd ontvangen, waaronder post van de [benadeelde partij] , ook van de bewoner [getuige] in ontvangst genomen.

Het hof overweegt dat personen niet ‘zomaar’ substantiële geldbedragen krijgen, helemaal niet van de overheid. Nu verdachte gelden heeft gekregen van de overheid, waarvoor hij eerst een vals vestigingsadres voor zijn feitelijk niet in bedrijf zijnde kappersonderneming heeft geregeld en in persoon heeft meegewerkt aan een eHerkenningsprocedure, in onderlinge samenhang bezien met alle hiervoor omschreven handelingen die door hem en de medeverdachte zijn verricht, heeft hij – naar het oordeel van het hof – op zijn minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat voornoemde geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren.

Verhullen

Volgens vaste rechtspraak hebben het verbergen en verhullen betrekking op gedragingen die erop zijn gericht het zicht op de herkomst van voorwerpen te bemoeilijken. Die gedragingen moeten tevens geschikt zijn om dat doel te bereiken. Verdachte heeft in totaal een bedrag van € 37.058,67 van de [benadeelde partij] op zijn Bunq-bankrekening ontvangen. Van dit bedrag heeft verdachte € 30.000,00 overgemaakt naar de bankrekening van [medeverdachte] , de zoon van de medeverdachte onder de noemer van een persoonlijke lening. Direct na de ontvangst is dit geldbedrag in 3 dagen contant door de medeverdachte opgenomen. Verdachte heeft verklaard dat het bedrag van € 30.000,00 een persoonlijke lening betrof aan de zoon van de medeverdachte, omdat zijn vader kampte met schulden en daarvoor werd bedreigd. Deze lening is evenwel niet nader onderbouwd met bijvoorbeeld een leningsovereenkomst en ten aanzien waarvan verdachte, medeverdachte en de zoon van de medeverdachte tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd. Het hof vindt die verklaring dan ook niet geloofwaardig.

Door aldus te handelen konden verdachte en de medeverdachte doen alsof het door verdachte naar de bankrekening van de zoon van de medeverdachte overgemaakte, en door de medeverdachte vervolgens contant opgenomen geld, van een reguliere lening afkomstig was, terwijl het erop neerkwam dat dit geldbedrag uit misdrijf, namelijk oplichting van de [benadeelde partij] , afkomstig was. Zodoende heeft verdachte met de medeverdachte nauw en bewust samengewerkt om de herkomst van het geldbedrag van de lening te verhullen.

Overdragen, gebruik maken en omzetten

Op 9 juli 2020 is op de Bunq-rekening van verdachte een bedrag van € 4.000,00 bijgeschreven op grond van de TOGS. Het geldbedrag was afkomstig van een bankrekening op naam van de [benadeelde partij] . Op 21 december 2020 heeft de [benadeelde partij] een bedrag van € 33.058,67 overgemaakt naar de Bunq-rekening van verdachte ten behoeve van de TVL. Verdachte heeft een gedeelte van dit geldbedrag van in totaal € 37.058,67 zelf gebruikt, nadat hij dit op verschillende momenten contant had opgenomen. Vervolgens heeft hij een bedrag van € 30.000,00 overgemaakt naar de bankrekening van [medeverdachte] . Dit geldbedrag werd door de medeverdachte contant van laatstbedoelde bankrekening opgenomen.

Gelet op al het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met een ander bij het overdragen en omzetten van de aan medeverdachte overgemaakte geldbedragen van € 30.000,00, terwijl dit middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig was.

Daarnaast heeft verdachte de door hem zelf contant opgenomen bedragen alleen omgezet en daar gebruik van gemaakt, terwijl dit middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig was. Uit het dossier blijkt dat van het bedrag van € 4.000,00 een bedrag van € 3.500 in delen is gepind dan wel contant opgenomen en dat van het bedrag van € 33.058,67 een bedrag van € 2.900,00 in delen van de bankrekening van verdachte is gepind. Verdachte heeft verklaard dat de niet aan [medeverdachte] overgeboekte bedragen door hem voor dagelijkse uitgaven zijn gebruikt. Daaronder vallen ook de bedragen die niet contant zijn opgenomen, maar zijn gebruikt voor girale betalingen. Uiteindelijk zijn alle van het [benadeelde partij] ontvangen bedragen omgezet, hetzij door verdachte alleen, hetzij door verdachte en zijn medeverdachte. Van deze bedragen stelt het hof vast dat alleen verdachte hiervan gebruik heeft gemaakt. Onvoldoende is komen vast te staan dat medeverdachte ook betrokken was bij opnemen en omzetten van deze bedragen.

Het hof heeft – net als de rechtbank - vastgesteld dat in de tenlastelegging (feit 2 primair) abusievelijk het bedrag van € 37.057,67 is vermeld, terwijl dit gelet op de desbetreffende stukken in het dossier € 37.058,67 had moeten zijn. Het hof beschouwt het voorgaande als een kennelijke verschrijving van de steller van de tenlastelegging en zal, nu verdachte daardoor niet in zijn belangen wordt geschaad, de tenlastelegging verbeteren.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

2.primairhij in of omstreeks de periode 7 juli 2020 tot en met 12 februari 2021 in [plaats] , althans (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(sub a)

van (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) van (in totaal) € 30.000,00 euro,

- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld dan wel

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) was/waren, en/of

- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den),

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), dan wel redelijkerwijze moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf

en/of

(sub b)

tezamen en in vereniging (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) van (in totaal) € 30.000,00 euro (AMB-002), heeft overgedragen en/of omgezet en/of van genoemd voorwerp gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), dan wel redelijkerwijze moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf

en

(sub b)

alleen (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) van (in totaal) € 7.058,67 euro (AMB-002), heeft overgedragen en/of omgezet en/of van genoemd voorwerp gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), dan wel redelijkerwijze moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het onder 2 primair bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van witwassen.

en

witwassen.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard, de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte en het reclasseringsadvies van het Leger des Heils van 3 december 2021. Het hof overweegt in het bijzonder het volgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een bedrag van € 37.058,67, waarbij hij deels nauw en bewust samen heeft gewerkt met een ander, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven. Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken en daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer aangetast. Bovendien bevordert het handelen van verdachte het plegen van delicten, omdat zonder het verschaffen van een schijnbaar legale herkomst aan criminele gelden, het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief zou zijn.

Het hof heeft acht geslagen op het verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 juli 2026, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor andersoortige misdrijven.

Verder heeft het hof acht geslagen op de door verdachte afgelegde verklaring ter terechtzitting in hoger beroep met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden. Verdachte heeft verklaard dat zijn minderjarige zoon bij hem woont en dat hij de zorg voor hem draagt. De raadsvrouw heeft met stukken onderbouwd dat de zoon van verdachte bij hem inwoont.

Gelet op het tijdsverloop en de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep van bijna 1 jaar en 9 maanden acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet meer passend voor onderhavig feit.

Gelet op al het bovenstaande is het hof, alles afwegende van oordeel dat een taakstraf van 180 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 dagen hechtenis, passend en geboden is. De tijd die door verdachte in voorarrest is doorgebracht (4 dagen) zal, naar maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, in aftrek worden gebracht op de taakstraf.

Vordering van de [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 37.058,67, volledig bestaande uit materiële schade, ingediend. De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd, zodat de vordering voor het oorspronkelijke bedrag aan de orde is. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij bevoegd is zich als benadeelde partij te voegen en dat zij als gevolg van het onder 2 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het was weliswaar de oplichting waardoor de benadeelde partij werd bewogen tot het overmaken van de geldbedragen; doordat die bedragen vervolgens door verdachte contant zijn opgenomen en zijn overgemaakt naar [medeverdachte] waren deze niet meer te traceren. Daarmee staat ook (het medeplegen van) het witwassen in voldoende rechtstreeks verband tot de schade om de vordering te kunnen toewijzen. Het hof zal dit vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 december 2020.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Beslag

Onder verdachte zijn meerdere voorwerpen in beslag genomen. Het hof zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de aan hem toebehorende op de beslaglijst vermelde voorwerpen, aangezien deze niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet,

te weten:

Het hof zal, gelet op het bepaalde ex art. 57 Paspoortwet, de teruggave aan de burgemeester van [plaats] gelasten van de op de beslaglijst vermelde 1 STK paspoort op naam van [naam] en 1 STK paspoort op naam van [naam] , aangezien de burgemeester van [plaats] als uitgevende instantie bevoegd is tot het onttrekken aan het verkeer van voornoemde reisdocumenten.

Wetsartikelen

De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de burgemeester van [plaats] van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 1 STK paspoort op naam van [naam] (goednummer 152331)

- 1 STK paspoort op naam van [naam] (goednummer 152320).

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

- 4 STK administratie: 4x transactiebonnetjes van de ABN-AMRO (goednummer 152323);

- 1 STK administratie: afschrift van de SNS Bank (goednummer 152333);

- 1 STK administratie: klein wit papiertje met code (goednummer 152341);

- 1 STK administratie: aankoopbonnen verschillende winkels (goednummer 152354);

- 5 STK administratie: 5x verzendformulieren [onderneming] (goednummer 152355);

- 1 STK administratie: Brief belastingdienst [onderneming] (goednummer 152356);

- 1 STK administratie: offerte [onderneming] vloer (goednummer 152358);

- 1 STK telefoontoestel telefoon Cubot zwart met vergeelde hoes (goednummer 152318);

- 1 STK telefoontoestel smartphone Motorola blauw (goednummer 152319);

- 1 STK telefoontoestel (goednummer 152324).

Vordering van de [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij] ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 37.058,67 (zevenendertigduizend achtenvijftig euro en zevenenzestig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 37.058,67 (zevenendertigduizend achtenvijftig euro en zevenenzestig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 181 (honderdeenentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 21 december 2020.

Dit arrest is gewezen door mr. G. Dam, mr. T. Bertens en mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, in aanwezigheid van de griffier mr. L. Dijkman en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 26 augustus 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand