ECLI:NL:GHARL:2026:5478

ECLI:NL:GHARL:2026:5478

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 26-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer 21-003111-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een gaspistool inclusief patroonmagazijn, het voorhanden hebben van één centraal knalpatroon en het bedreigen van vier nog jonge jongens. Hoewel bij feiten als de onderhavige een zeer forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf zonder meer passend en geboden is, ziet het hof, gezien de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het inmiddels ingezette reclasseringstraject, reden om in dit geval te volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor langere duur met daaraan verbonden de in het reclasseringsadvies genoemde bijzondere voorwaarden. Het hof beoogt verdachte met deze straf te ondersteunen in het inmiddels ingezette reclasseringstraject. Mocht verdachte zich niet aan een of meer van die voorwaarden houden, dan wacht hem een zeer forse gevangenisstraf. Verdachte dient daarnaast de door de benadeelde partijen gevorderde immateriële schadevergoeding te voldoen.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 augustus 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de politierechter.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. N.E. Renders, hebben aangevoerd en van wat de benadeelde partijen, [benadeelde partij 1] en dhr. [benadeelde partij 2] , naar voren hebben gebracht.

Het vonnis

In het vonnis is bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een gaspistool inclusief patroonmagazijn, het voorhanden hebben van één centraal knalpatroon en het bedreigen van vier slachtoffers met enig misdrijf tegen het leven gericht.

De politierechter heeft verdachte hiervoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De politierechter heeft daarnaast het onder verdachte in beslag genomen pistool en patroon aan het verkeer onttrokken.

Verder heeft de politierechter de vordering van de [benadeelde partij 1] toegewezen, bestaande uit € 1.000,00 aan immateriële schade. Deze vordering is vermeerderd met de wettelijke rente en de politierechter heeft ter hoogte van datzelfde bedrag de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Tot slot heeft de politierechter de vordering van de [benadeelde partij 2] eveneens toegewezen, bestaande uit € 750,00 aan immateriële schade. Deze vordering is vermeerderd met de wettelijke rente en de politierechter heeft ter hoogte van datzelfde bedrag de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs dan de politierechter. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij in of omstreeks 25 maart 2025 tot en met 26 maart 2025 te [plaats] , een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten gaspistool inclusief patroonmagazijn, van het merk Umarex, type Walther P22, kaliber 9 millimeter, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad;

2. hij in of omstreeks 25 maart 2025 tot en met 26 maart 2025 te [plaats] , munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten (1) zegge: één, centraalvuur knalpatroon van het kaliber 9 millimeter Pistol Automatik Knall (PAK) voorhanden heeft gehad;

3. hij in of omstreeks 25 maart 2025 tot en met 26 maart 2025 te [plaats] , - [benadeelde partij 3] , en/of - [benadeelde partij 2] , en/of - [benadeelde partij 1] , en/of - [benadeelde partij 4] , meermalen, althans eenmaal heeft bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling door - een vuurwapen te tonen en daarbij zijn wijsvinger op/om de trekker te houden, en/of - een vuurwapen op en/of in de richting van de buik van die [benadeelde partij 3] te duwen en/of gericht te houden en daarbij te zeggen: ‘Ik kan jullie alle vier makkelijk aan, je weet niet wat ik allemaal gedaan heb in mijn verleden. Jullie stellen niets voor voor mij, Je weet niet allemaal waar ik toe in staat ben’.

Onder feit 3 is in regel drie het woord ‘bedreiging’ opgenomen. Uit het tenlastegelegde maakt het hof op dat bedoeld is ‘bedreigd’ in plaats van ‘bedreiging’. Het hof leest de tenlastelegging onder feit 3 verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdedigingsbelang geschaad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Verdachte heeft de aan hem ten laste gelegde feiten ondubbelzinnig bekend en namens hem is geen vrijspraak bepleit. Om die reden behoeft de bewezenverklaring geen nadere motivering. Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1. hij op 25 maart 2025 te [plaats] , een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een gaspistool inclusief patroonmagazijn, van het merk Umarex, type Walther P22, kaliber 9 millimeter, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad;

2. hij op 25 maart 2025 te [plaats] , munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten (1) zegge: één, centraalvuur knalpatroon van het kaliber 9 millimeter Pistol Automatik Knall (PAK) voorhanden heeft gehad;

3.hij omstreeks 25 maart 2025 te [plaats] ,

- [benadeelde partij 3] en

- [benadeelde partij 2] en

- [benadeelde partij 1] en

- [benadeelde partij 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door

- een wapen te tonen en daarbij zijn wijsvinger om de trekker te houden, en

een wapen op de buik van die [benadeelde partij 3] te duwen en gericht te houden en daarbij te zeggen: ‘Ik kan jullie alle vier makkelijk aan, je weet niet wat ik allemaal gedaan heb in mijn verleden. Jullie stellen niets voor voor mij. Je weet niet allemaal waar ik toe in staat ben’.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, eventueel met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden genoemd in het reclasseringsadvies van 21 april 2026. De reclassering is momenteel in het kader van een andere strafzaak bezig met het opzetten van een passende behandeling voor verdachte. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou dit inmiddels ingezette reclasseringstraject doorkruisen.

Oordeel van het hof

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een gaspistool inclusief patroonmagazijn en het voorhanden hebben van één centraal knalpatroon. Het ongecontroleerd bezit daarvan vormt ernstige risico’s voor de maatschappij. Dat dient verdachte te beseffen. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het bedreigen van vier nog jonge jongens met enig misdrijf tegen het leven gericht door dreigende bewoordingen te uiten en het betreffende gaspistool onder meer aan de slachtoffers te tonen. Door aldus te handelen heeft verdachte sterke gevoelens van angst en onveiligheid bij de slachtoffers teweeggebracht. Op de zitting in hoger beroep zijn twee van de slachtoffers verschenen. Zij waren nog steeds zichtbaar ontdaan.

Strafblad

Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het strafblad van verdachte van 17 juli 2026, waaruit blijkt dat hij in 2008 onherroepelijk is veroordeeld voor meerdere bedreigingen. Gelet op het tijdsverloop, weegt het hof deze veroordeling niet in strafverzwarende zin mee. Verder blijkt uit het strafblad dat verdachte na de bewezenverklaarde feiten onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen van andere strafbare feiten. Gelet hierop is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.

Persoon van verdachte

Verder neemt het hof in aanmerking de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die op de zitting door verdachte en zijn raadsvrouw naar voren zijn gebracht en zoals die ook blijken uit het dossier. Verdachte heeft op de zitting in hoger beroep naar voren gebracht dat er inmiddels een reclasseringstraject is ingezet en hij graag wil veranderen. Hij is bereid de genoemde bijzondere voorwaarden in het reclasseringsadvies van 21 april 2026 na te leven.

Strafoplegging

Hoewel bij feiten als de onderhavige een zeer forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf zonder meer passend en geboden is, ziet het hof, gezien de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het inmiddels ingezette reclasseringstraject, reden om in dit geval te volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor langere duur met daaraan verbonden de in het reclasseringsadvies van 21 april 2026 genoemde bijzondere voorwaarden. Het hof beoogt verdachte met deze straf te ondersteunen in het inmiddels ingezette reclasseringstraject. Mocht verdachte zich niet aan een of meer van die voorwaarden houden, dan wacht hem dus een zeer forse gevangenisstraf.

Rekening houdend met het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof de oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden met een proeftijd van 3 jaren, met daaraan verbonden de in het dictum genoemde bijzondere voorwaarden, passend en geboden.

Onttrekking aan het verkeer

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder verdachte in beslag genomen pistool en patroon aan het verkeer kunnen worden onttrokken.

Oordeel van het hof

Het bewezenverklaarde is begaan met behulp van het onder verdachte in beslag genomen pistool en patroon. Zij zullen aan het verkeer worden onttrokken aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend, bestaande uit € 1.000,00 aan immateriële schade. De politierechter heeft dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de politierechter gevorderde schadevergoeding van € 1.000,00.

Standpunt van de verdediging

Verdachte heeft aangegeven spijt te hebben van zijn handelen en heeft zich bereid verklaard de schadevergoeding te betalen.

Oordeel van het hof

Op de zitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 3 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. De benadeelde partij heeft door het handelen van verdachte psychisch letsel opgelopen, waardoor sprake is van een ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ en hij ingevolge artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek voor vergoeding van immateriële schade, ook wel ‘smartengeld’ genoemd, in aanmerking komt. In het schade-onderbouwingsformulier heeft de benadeelde partij omschreven dat er sinds het incident verschillende psychische klachten bij hem zijn vastgesteld, waaronder slaapproblemen, nachtmerries, paniekaanvallen en vermijdend gedrag. Hij heeft hiervoor inmiddels EMDR-therapie gevolgd. Hoewel de therapie inmiddels is geëindigd, heeft het incident nog altijd impact op hem. Op de zitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij zichtbaar geëmotioneerd naar voren gebracht dat hij zich sinds het incident niet meer vrij heeft gevoeld.

Gelet op alle omstandigheden van het geval stelt het hof de immateriële schade naar billijkheid vast op het gevorderde bedrag van € 1.000,00. Bij de begroting van die schade heeft het hof de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan verdachte gemaakte verwijt laten meewegen, en verder gelet op de bedragen die door de Nederlandse rechters in enigszins vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt aldus toegewezen.

Wettelijke rente

Het hof bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 25 maart 2025, de dag waarop de benadeelde partij door verdachte is bedreigd.

Schadevergoedingsmaatregel

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Proceskosten

Gelet op het vorenstaande wordt verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend, bestaande uit € 750,00 aan immateriële schade. De politierechter heeft dit bedrag toegewezen. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de politierechter gevorderde schadevergoeding van € 750,00.

Standpunt van de verdediging

Verdachte heeft aangegeven spijt te hebben van zijn handelen en heeft zich bereid verklaard de schadevergoeding te betalen.

Oordeel van het hof

Op de zitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het onder 3 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. De benadeelde partij heeft door het handelen van verdachte psychisch letsel opgelopen, waardoor sprake is van een ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ en hij ingevolge artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek voor vergoeding van immateriële schade, ook wel ‘smartengeld’ genoemd, in aanmerking komt. In het schade-onderbouwingsformulier heeft de benadeelde partij omschreven dat hij als gevolg van het incident slaapproblemen heeft opgelopen. Dit resulteerde in concentratieproblemen en vermoeidheid overdag. Daarnaast heeft hij zich een tijd angstig en onveilig gevoeld. Op de zitting in hoger beroep was de benadeelde partij nog steeds zichtbaar ontdaan.

Gelet op alle omstandigheden van het geval stelt het hof de immateriële schade naar billijkheid vast op het gevorderde bedrag van € 750,00. Bij de begroting van die schade heeft het hof de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan verdachte gemaakte verwijt laten meewegen, en verder gelet op de bedragen die door de Nederlandse rechters in enigszins vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt aldus toegewezen.

Wettelijke rente

Het hof bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 25 maart 2025, de dag waarop de benadeelde partij door verdachte is bedreigd.

Schadevergoedingsmaatregel

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Proceskosten

Gelet op het vorenstaande wordt verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik, bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie, stabilisatie, observatie, diagnostiek, en/of crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;

Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:

Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.

Onttrekking aan het verkeer

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

Vordering van de [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 1.000,00 (duizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 10 (tien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 25 maart 2025.

Vordering van de [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 7 (zeven) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 25 maart 2025.

Dit arrest is gewezen door mr. J. Hielkema, mr. H.J. Deuring en mr. W. Geelhoed, in aanwezigheid van de griffier mr. S.A. van der Zwaag en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 26 augustus 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand