ECLI:NL:GHARL:2026:5480

ECLI:NL:GHARL:2026:5480

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 25-08-2026
Datum publicatie 25-08-2026
Zaaknummer 200.351.198
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBMNE:2024:7042

Samenvatting

Overeenkomst van aanneming van werk of vriendendienst? Artikel 7:750 BW. Het hof komt op grond van de in het arrest genoemde feiten en omstandigheden tot het oordeel dat hier sprake is van een overeenkomst van aanneming van werk, waarbij appellant is opgetreden als hoofdaannemer bij de verbouwing van een woon-/winkelpand. Appellant is tekortgeschoten in de uitvoering van deze werkzaamheden en moet de daardoor door geïntimeerde sub 1 geleden schade vergoeden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.351.198

zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 565657

arrest van 25 augustus 2026

in de zaak van

1. [appellant1] , handelend onder de naam [naam1]

2. [appellant2]

3. [appellant3]

4. [appellant4]

is gevestigd in [vestigingsplaats1]

die woont in [woonplaats1]

hierna: [appellant2]

die woont in [woonplaats1]

die woont in [woonplaats2]

die bij de rechtbank optraden als gedaagden

hierna gezamenlijk: [appellanten] en afzonderlijk de vof, [appellant2] , [appellant3] en [appellant4]

advocaat: mr. T.G.L.M. Meevis

tegen

1. [geïntimeerde1] ,

die woont in [vestigingsplaats1]

die ook voorwaardelijk hoger beroep heeft ingesteld

en bij de rechtbank optrad als eiser

hierna: [geïntimeerde1]

advocaat: mr. G.E. Tip

2. [geïntimeerde2] , handelend onder de naam [naam2]

die woont in [woonplaats3]

en bij de rechtbank optrad als gedaagde, tevens eiser in vrijwaring

hierna: [naam2]

advocaat: mr. M. Kartal

1. Het verloop van de procedure in hoger beroep

[appellanten] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, (hierna: de rechtbank) op 18 december 2024 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

de dagvaarding in hoger beroep

de memorie van grieven

de memorie van antwoord van [geïntimeerde1] tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep

de memorie van antwoord van [naam2]

de akte na memorie van antwoord van [naam2]

de akte overlegging producties van [appellanten]

het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 10 juni 2026 is gehouden.

2. De kern van de zaak

[geïntimeerde1] heeft een pand laten verbouwen. In een in opdracht van [geïntimeerde1] opgesteld expertiserapport staat dat de kwaliteit van het verrichte werk heel slecht is. [geïntimeerde1] stelt dat hij met de vof een overeenkomst van aanneming van werk heeft gesloten en dat de vof tekortgeschoten is in de uitvoering van die overeenkomst. [appellanten] heeft betwist dat er sprake was van een overeenkomst van aanneming van werk tussen de vof en [geïntimeerde1] . Volgens [appellanten] was het niet de vof, maar [naam2] , die de meeste werkzaamheden heeft verricht, de (hoofd)aannemer. Daarom had [geïntimeerde1] [naam2] ook gedagvaard bij de rechtbank.

[geïntimeerde1] heeft bij de rechtbank gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat [appellanten] en/of [naam2] tekortgeschoten zijn in de met hem gesloten overeenkomst van aanneming van werk en aansprakelijk zijn voor de schade als gevolg van die tekortkomingen. Ook vorderde hij dat [appellanten] en/of [naam2] veroordeeld zouden worden tot vergoeding van zijn schade, op te maken bij staat, en tot betaling van een voorschot van € 107.811 op die schadevergoeding. Daarnaast vorderde hij vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten, expertisekosten en proceskosten.

De rechtbank heeft de tegen [appellanten] ingestelde vorderingen toegewezen en de tegen [naam2] ingestelde vorderingen afgewezen. De bedoeling van het door [appellanten] ingestelde hoger beroep is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen. De bedoeling van het door [geïntimeerde1] ingestelde voorwaardelijk hoger beroep is dat de vorderingen tegen [naam2] worden toegewezen, als de vorderingen tegen [appellanten] alsnog zouden worden afgewezen.

Het hof zal het vonnis van de rechtbank bekrachtigen en licht dat hierna toe.

3. De toelichting op de beslissing van het hof

De vaststaande feiten

[geïntimeerde1] is sinds 1 juni 2022 eigenaar van een rijksmonument uit 1650 aan de [adres1] in [vestigingsplaats1] (hierna: het pand). Op het pand zit een woon- en winkelbestemming. [geïntimeerde1] wilde het pand laten verbouwen. Daarbij wilde hij aan de voorkant van het pand zijn kapsalon/winkel realiseren en aan de achterkant en op de twee verdiepingen wilde hij de woning verbouwen. De werkzaamheden bestonden onder meer uit het verwijderen van het dak tussen het voor- en achterhuis, het maken van een aanbouw met vide, balkon en een grote raampartij, het scheiden van de voorgevel van het pand van één ingang naar twee, het optrekken van nieuwe muren op de begane grond en eerste verdieping, het plaatsen van nieuwe trappen, het aanleggen van elektra en waterleidingen, het plaatsen en betegelen van een nieuwe keuken, toiletten en badkamers en het verbouwen van het achterhuis naar een schuur, slaapkamer en appartement.

De vof is gevestigd aan de [adres2] in [vestigingsplaats1] . De vof is ingeschreven in het handelsregister onder de handelsnamen [appellant1] en [naam1] . Bij de activiteiten (van de onderneming) zijn de volgende SBI-codes en omschrijvingen van die codes vermeld:

“SBI-code: 9529 – Reparatie van overige consumentenartikelen

SBI-code: 47593 – Winkels in artikelen voor woninginrichting algemeen assortiment

SBI-code: 4120 – Algemene burgerlijke en utiliteitsbouw”

De verbouwingswerkzaamheden zijn voor een groot deel uitgevoerd door [naam2] . Deze werkzaamheden werden verricht door [geïntimeerde2] . [naam3] van HAS Elektrotechniek, [naam4] h.o.d.n. [naam5] , [naam6] h.o.d.n. [naam7] B.V. en [naam8] [de schilder, hof], hebben ook gewerkt ten behoeve van de door [geïntimeerde1] gewenste verbouwing. De schuifpui voor de nieuwe aanbouw aan de achterkant van de woning is geleverd door Tweelingglas & Tweelingtimmerfabriek B.V.

Bij brief van 5 december 2022 heeft (de gemachtigde van) [geïntimeerde1] [appellanten] gewezen op door [geïntimeerde1] geconstateerde gebreken en hem gesommeerd de overeenkomst alsnog na te komen, de gebreken te herstellen en het werk voor 26 januari 2023 op te leveren.

Op 12 januari 2023 heeft Dekra een deskundigenonderzoek uitgevoerd aan de werkzaamheden in het pand. In het daarvan opgemaakte rapport van 15 mei 2023 vermeldt Dekra 62 gebreken. Dekra concludeert: “Door de aard en omvang van de hieronder benoemde 62 punten, bestaande uit gebreken danwel niet gereed zijnde werkzaamheden en/of bouwfouten is onze indruk dat wij de kwaliteit van het verrichte werk als erbarmelijk beschouwen.”In het rapport is vermeld dat grote delen van het verrichte werk opnieuw uitgevoerd moeten worden en dat de voor- en achtergevelkozijnen door de onjuiste maatvoering ten opzichte van de binnenwanden en verdiepingsvloeren in het geheel als verloren beschouwd moeten worden. De geschatte herstelkosten bedragen volgens het rapport minimaal € 107.811 inclusief BTW.

Bij brief van 26 mei 2023 is [appellanten] opnieuw in gebreke gesteld en gesommeerd de tussen partijen geldende overeenkomst binnen vier weken na te komen en in het bijzonder om de nieuwe (in het rapport van Dekra vermelde) gebreken te herstellen. [appellanten] heeft niet op deze sommatie gereageerd. Vervolgens is [appellanten] bij brief van 15 juni 2023 bericht dat [geïntimeerde1] ook voor die nieuwe gebreken vervangende schadevergoeding vordert.

[geïntimeerde1] heeft een overeenkomst van aanneming van werk gesloten met de vof

[appellanten] heeft in hoger beroep zijn door de rechtbank gepasseerde verweer herhaald dat er geen sprake is geweest van aanneming van werk, maar slechts van een vriendendienst voor [geïntimeerde1] , waarbij [appellant2] slechts is opgetreden als bemiddelaar tussen [geïntimeerde1] en [naam2] en/of andere aannemers. [appellanten] heeft in dit verband onder meer gewezen op de door hem genoemde omstandigheid dat hij geen beloning zou hebben ontvangen voor zijn diensten.

In artikel 7:750 BW staat dat aanneming van werk de overeenkomst is waarbij de ene partij, de aannemer, zich jegens de andere partij, de opdrachtgever, verbindt om buiten dienstbetrekking een werk van stoffelijke aard tot stand te brengen en op te leveren tegen een door de opdrachtgever te bepalen prijs in geld. Het is niet nodig dat de aannemer zelf de werkzaamheden uitvoert. Ook het aansturen van onderaannemers valt hieronder.

Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat [geïntimeerde1] een overeenkomst van aanneming van werk – zijnde de hiervoor onder 3.1. beschreven verbouwing – heeft gesloten met de vof. Daar zijn de navolgende redenen voor.

De vof heeft zichzelf onder de naam [naam1] in het handelsregister ingeschreven met de SBI-code 41.20 – Algemene burgerlijke en utiliteitsbouw. Daaronder wordt verstaan het gedeeltelijk bouwen, vernieuwen of onderhouden van woningen en andere gebouwen. Bij de omschrijving (in het uittreksel van heet handelsregister onder de activiteiten van de vestiging) staat vervolgens – na “SBI-code: 4120 - Algemene burgerlijke en utiliteitsbouw Kledingherstelbedrijf, stomerij en woningstoffering.” - vermeld: “Aannemer.”. [appellanten] heeft de inschrijving van die code verklaard met zijn intentie om zijn bedrijfsactiviteiten uit te breiden naar het leggen van vloerbedekking, gordijnen en zonwering. Zoals [geïntimeerde1] heeft aangevoerd, had het in dat geval op de weg van de vof gelegen om de SBI-code 43.33 of 43.39 te laten registreren. [geïntimeerde1] heeft zichzelf daarentegen juist aangemeld met de SBI-code 41.20. [appellanten] heeft nog aangevoerd dat deze code automatisch zou zijn toegevoegd, maar [geïntimeerde1] heeft dat gemotiveerd betwist en heeft in dat verband uiteengezet dat in het handelsregister dergelijke codes niet automatisch worden toegekend. [appellanten] heeft vervolgens nagelaten toe te lichten hoe de inschrijving in het handelsregister heeft plaatsgevonden. Bovendien heeft [appellanten] nagelaten de toegekende code te wijzigen, als de bij deze code behorende omschrijving van de werkzaamheden niet overeenkwam met zijn daadwerkelijke werkzaamheden.

[geïntimeerde1] heeft er op gewezen dat de vof vaker als hoofdaannemer heeft opgetreden bij verbouwingswerkzaamheden in de omgeving. Ter onderbouwing daarvan heeft hij bij akte overleggen productie van 24 september 2024 een verklaring overgelegd van [naam9] , die schrijft dat [appellant2] bij haar kleine klussen heeft laten uitvoeren aan de keuken en de badkamer in de schuur en dat zij [appellant2] daarvoor ook een vergoeding heeft gegeven. In de toelichting bij voornoemde akte staat dat [geïntimeerde1] ermee bekend is dat [appellant2] in de regio diverse verbouwingswerkzaamheden heeft uitgevoerd. [geïntimeerde1] heeft tijdens de zitting bij het hof verklaard dat [appellant2] ook als hoofdaannemer werkzaamheden heeft laten uitvoeren bij woningen aan de [straatnaam1] en de [straatnaam2] . [appellant2] heeft desgevraagd tijdens de zitting slechts volstaan met de verklaring dat hij bij [naam9] vloeren heeft gelegd en een blote ontkenning dat hij andere aannemingswerkzaamheden heeft verricht, terwijl een nadere uitleg van zijn kant hier op zijn plaats was geweest.

[geïntimeerde1] heeft een krantenartikel overgelegd waarin de verbouwing aan zijn pand wordt aangekondigd. Daarin staat: “De verbouwing wordt gedaan door [appellant2] Projects [vestigingsplaats1] .” Tijdens de zitting bij de rechtbank heeft [geïntimeerde1] daarover verklaard: “Ook in de krant stond dat hij het als aannemer heeft gedaan. Ik heb hem nog gevraagd wat er in het artikel moest komen. Van hem moest het ‘projectmanagement’ worden genoemd. Dat is zo opgenomen.’ Op de vraag van de rechter waarom in de krant staat hij de verbouwing deed, antwoordde [appellant2] : “Waarom er staat ‘ [naam1] ’ is omdat ik heb gewerkt aan de vloeren en gordijnen. Daar ging ik van uit.”Uit dit antwoord blijkt dat [appellant2] zich op zijn minst bewust was van het krantenartikel en dat hij de verklaring van [geïntimeerde1] dat aan hem gevraagd was wat er in het artikel moest worden opgenomen niet heeft weersproken. Het ligt niet voor de hand dat [appellant2] uitsluitend vanwege het feit dat hij vloeren en gordijnen ging leveren werd vermeld in het krantenartikel als degene die de verbouwing aan het pand van [geïntimeerde1] deed.

Van belang is verder dat [geïntimeerde1] voorafgaand aan de start van de bouwwerkzaamheden bij e-mailberichten van 28 april 2022, 27 mei 2022 en 2 juni 2022 diverse bouwtekeningen en tekeningen met betrekking tot isolatie en constructieberekeningen aan [appellant2] heeft gezonden. Ook zijn aan [appellant2] tekeningen van de locatie van de riolering toegezonden. Daarnaast heeft [geïntimeerde1] op 8 mei 2022 bij e-mailbericht aan [appellant2] gevraagd of hij een aantal vragen zou kunnen beantwoorden ten behoeve van de vergunning die was aangevraagd bij de gemeente. Die vragen betroffen de hoogte van het vloerpeil van de nieuwe badkamer ten opzichte van de woonkamer en de Rc-waarde van de nieuwe dakkapel. Het ligt niet voor de hand dat deze gedetailleerde tekeningen, berekeningen en vragen aan [appellant2] zouden zijn voorgelegd als hij het werk niet zou hebben aangenomen.

Daarnaast heeft [geïntimeerde1] veel whatsapp-berichten van zijn partner [naam10] (hierna: [naam10] ) aan [appellant2] overgelegd, waaruit valt af leiden dat de betrokkenheid van [appellant2] bij de werkzaamheden veel verder ging dan die van een gewone vriendendienst of bemiddeling. In die berichten vraagt [naam10] aan [appellant2] naar de prijs van het glas en of het bedrijf dat de achterpui over het dak takelt verzekerd is. Op 20 juni 2022 wordt vermeld dat [naam10] de sleutel van de poort en de achterdeur naar [appellant2] brengt.V Verder staat er onder meer dat aan [appellant2] de offerte wordt gemaild van de elektrotechnicus [naam3] (Coskun van HAS Elektrotechniek). Ook wordt er aan [appellant2] bericht dat hij nog zou nadenken of een muur voor de badkamer moet blijven staan, en of hij mogelijkerwijs een dikkere maat balk kan vinden dan 20 cm, als die goedkoper is. In september 2022 wordt [appellant2] gewezen op het feit dat de bouwmaterialen in het water staan, op een moment waarop [appellant2] naar de beurs is. Tevens wordt – een jpg bestand is bijgevoegd –

gewezen op de opbouw van het balkon volgens de architect.. Op 3 oktober 2022 schrijft [naam10] aan [appellant2] : “Hi [appellant2] , zoals besproken vrijdag is er nu geen geld om het meerwerk te betalen. Daarom zouden we de laatste termijn betalen van de factuur van €50000. Volgens mijn gegevens staat er nog een

bedrag open van €5000 excl. Btw. Dat is €6050 incl . Btw. Ik heb gisteren tekst gestuurd in de email die in de factuur dient te worden gezet. Ik had gevraagd of de tekst ook in de vorige deelfactuur kon worden gezet.Factuur nr 18.” Op 4 oktober 2022 wordt aan [appellant2] gevraagd naar informatie over de hijskraan en wanneer hij het glas verwacht. Daarbij wordt vermeld dat de gemeente waarschijnlijk om een veiligheidsplan vraagt. Op 7 oktober 2022 vraagt [naam10] aan [appellant2] naar een foto van de zijmuur en van de sticker op de verpakking van het isolatiemateriaal. Vervolgens zijn diverse jpg-bestanden naar [naam10] verzonden, waarop [naam10] antwoordt: “Fantastisch!!! Dat is wel voldoende.” Als [naam10] vervolgens aan [appellant2] vraagt of [naam11] [van [naam2] , hof] op de plaats waar dun isolatiemateriaal zat, daar ook nog dik isolatiemateriaal in heeft gestopt, antwoordt [appellant2] : “Nog extra isolatie dan plastic dan gipsplaten.” Tot slot wordt op 12 oktober 2022 aan [appellant2] gevraagd: “als jij in de buurt bent, heb je dan even. Ik wil even over dakdekker hebben.” Daarop antwoordt [appellant2] : “Is goed”.

Diezelfde actieve betrokkenheid en bemoeienis van [appellant2] bij de verbouwingswerkzaamheden blijkt uit whatsappberichten tussen [geïntimeerde1] en [appellant2] . Daarin is [appellant2] verzocht om [geïntimeerde1] te bellen in verband met de betaling voor de gevel. Daarbij schrijft [geïntimeerde1] : “We hebben VANAVOND een handtekening nodig”. Daarop stuurt [appellant2] het e-mailadres van Tweelingglas. Verder vraagt [geïntimeerde1] aan [appellant2] of [naam12] [van [naam13] , hof] om 7.00 uur bij de warmtewinkel is, waarop [appellant2] antwoordt: “Is goed ik en [naam11] venkel”. Verder bericht [geïntimeerde1] [appellant2] over de (herstel)werkzaamheden die (nog) moeten plaatsvinden in drie slaapkamers, het trapgat, de badkamer, de winkel en de wc. Een week later is er contact over de nog uit te voeren (herstel)werkzaamheden aan twee slaapkamers, een zoldertje, de keuken en de wc van de winkel. Weer een week later vraagt [geïntimeerde1] aan [appellant2] naar de isolatie tussen de muren tussen de kamers en bij een muurtje met een gasbuis, naar de scheur in een slaapkamer en naar de afvoer van de cv-ketel. Nog een week later vraagt [geïntimeerde1] naar het verwarmingssysteem, waarbij hij opmerkt dat het lijkt alsof ze 2 thermostaten krijgen, wat lastig is met de cv-ketel. Daarna trekt [geïntimeerde1] op 28 september 2022 aan de bel bij [appellant2] , waarbij hij er op wijst dat het niet goed gaat en dat iedereen meer geld wil, terwijl er nog niemand klaar is. Tot slot wijst [geïntimeerde1] er op 16 oktober 2022 op dat er nog veel niet af is en niet gemonteerd, of vergeten is. Hij schrijft [appellant2] dat hij het daar met hem over wil hebben en stelt voor om de volgende dag om 8.30 uur af te spreken.

[geïntimeerde1] heeft tevens whatsapp-berichten van zijn partner aan de elektricien [naam3] van HAS Elektrotechniek overgelegd. Daarin valt te lezen dat de elektricien de definitieve offerte aan [appellant2] gaat sturen en dat het klopt dat [appellant2] hem heeft ingehuurd en dat hij om die reden eerst met [appellant2] wilde overleggen en daarna pas met [geïntimeerde1] en zijn partner.

In het dossier bevindt zich verder een foto van [appellant2] , waarop hij met zijn duim omhoog staat bij de constructie voor de nieuwe achterpui en daaronder de tekst “Hij staat”.

Al deze correspondentie wijst er op dat [appellanten] niet alleen de diverse onderaannemers heeft aangetrokken, maar ook de verbindende schakel was tussen [geïntimeerde1] en die onderaannemers, terwijl hij ook het directe aanspreekpunt was en degene die de werkzaamheden coördineerde. Dit sluit aan bij de verklaring van [geïntimeerde1] tijdens de zitting bij het hof, dat [appellant2] de planning deed en de regie voerde.

Daar tegenover heeft [appellanten] onvoldoende onderbouwd dat er geen sprake was van aanneming van werk, maar slechts van een vriendendienst of bemiddeling. Het had op zijn minst in de rede gelegen dat [appellanten] nader had toegelicht waarom alle hierboven vermelde whatsappberichten naar [appellant2] zijn gestuurd, als niet de vof maar [naam2] de aannemer zou zijn, zoals [appellanten] stelt.

In de door [appellanten] overgelegde verklaringen valt niet de benodigde onderbouwing voor de betwisting van de aanneming en voor de gestelde vriendendienst/bemiddeling te lezen.

De bij memorie van grieven overgelegde verklaring (e-mail) van [geïntimeerde2] van [naam2] houdt slechts in dat hij geen geld heeft overgemaakt en dat [appellant2] hem alleen kennis heeft laten maken met [geïntimeerde1] , dat [appellant2] hem alleen wilde helpen en hem als timmerman heeft geadviseerd. Daaruit valt niet af te leiden dat en zo ja waaruit [geïntimeerde2] de veronderstelling had verkregen dat [appellant2] slechts een vriendendienst voor [geïntimeerde1] verrichtte.

Deze verklaring staat bovendien haaks op het standpunt dat [naam2] in deze procedure heeft ingenomen, inhoudende dat [appellant2] de hoofdaannemer was en dat hij slechts als onderaannemer heeft gefungeerd.

Uit het transcript van het telefoongesprek tussen [appellant2] en [geïntimeerde2] valt evenmin af te leiden dat niet [appellant2] , maar [naam2] hoofdaannemer was bij de verbouwingswerkzaamheden aan het pand. [geïntimeerde2] zegt in het telefoongesprek dat hij een document, een A4 naar [appellant2] gestuurd heeft, dan wel gegeven heeft, voor de werkzaamheden die hij moest doen. Dit is in lijn met de verklaring van [naam14] die erop neer komt dat na de bezichtiging door [naam11] (namens [naam2] ), [naam14] en [appellant2] in de winkel van [appellant2] hebben overlegd en dat op aandringen van [appellant2] de werkzaamheden en kosten door [naam11] zijn opgeschreven en dat [appellant2] vervolgens (alleen) naar [geïntimeerde1] is gelopen en terug kwam bij [naam11] en [naam14] met de mededeling dat [geïntimeerde1] “goedkeuring” had gegeven. Vervolgens zegt [appellant2] dat hij die A4 heeft gegeven aan [geïntimeerde1] . Dat wijst juist op de rol van [appellanten] als hoofdaannemer. Overigens heeft [geïntimeerde1] tijdens de zitting bij het hof verklaard dat hij dit A4-tje met een offerte voor de door [naam2] te verrichten werkzaamheden nooit heeft ontvangen.

De door [appellanten] bij akte van 31 mei 2026 overgelegde verklaringen van [naam8] , [naam6] en H.M. Duran bevatten een voorgedrukte, gelijkluidende tekst en zijn om die reden te mager.

Aan de verklaring van [naam14] komt (overigens) ook weinig betekenis toe nu hij zelf niet betrokken is geweest bij de (uitvoering van de) werkzaamheden en dus niet uit eigen waarneming heeft kunnen verklaren wat de rol van [appellant2] daarbij was. Bovendien stemt het bedrag dat [naam14] noemt voor de werkzaamheden die [naam2] zou uitvoeren (€ 65.000) niet overeen met het bedrag dat [appellant2] , [naam2] en [geïntimeerde1] zelf noemen (€ 75.000).

In de verklaring van Tweelingglas en Tweelingtimmerfabriek B.V. staat slechts: Hierbij de bevestiging dat wij alle leveringen rechtstreeks met de eigenaar Dhr. [geïntimeerde1] afgehandeld hebben. [appellant2] heeft ons alleen in contact gebracht met de opdrachtgever.” Dat de leveringen rechtstreeks met [geïntimeerde1] zijn afgehandeld laat echter onverlet dat er tussen [geïntimeerde1] / [naam10] en [appellant2] wel meerdere malen contact is geweest over de leveringen door Tweelingglas en Tweelingstimmerfabriek B.V. en over de daarvoor opgemaakte facturen.

In de door [appellanten] overgelegde verklaring van [naam3] staat:

“Vorig jaar werd ik benaderd door [appellant2] Uzun voor het bovengenoemde project om een offerte te maken voor de elektrotechnische werkzaamheden. Ik ben een paar keer met de klant aan tafel gezeten voor de details te bespreken en de offerte is opgemaakt. Ik dacht eerste instantie dat ik het werk van [appellant2] aangenomen heb. Hij heeft ons kennis laten maken met de heer [geïntimeerde1] was meer een vriendendienst. Daarna heb ik alle facturen rechtstreeks op naam van de heer [geïntimeerde1] gestuurd en alle facturen zijn op tijd betaald. (…) Ik verklaar dat ik van [appellant2] geen geld heb gekregen en gegeven aan hem. Alle werkzaamheden en meerwerk zijn i.o.m. de eigenaar uitgevoerd. Dan ga ik vanuit dat mijn opdrachtgever dhr. [geïntimeerde1] is.”

[naam3] vermeldt verder niet waarom hij er vanuit ging dat er sprake was van een vriendendienst van [appellant2] .

De door [appellanten] bij memorie van grieven overgelegde whatsapp-correspondentie tussen [naam3] en [naam10] bevat daarentegen juist aanwijzingen dat [appellanten] wél de hoofdaannemer was. Zo geeft [naam3] daarin aan dat hij de offerte definitief naar [appellant2] zal sturen, bericht [naam10] aan [naam3] dat zij en [geïntimeerde1] met [appellant2] hebben overlegd dat ze het bedrag kunnen ophogen, schrijft [naam3] dat [appellant2] hem een half uur geleden gebeld heeft en dat hij daarna de factuur naar [naam10] heeft gemaild en vermeldt [naam10] dat [appellant2] nog even wilde overleggen met [naam3] . Verder schrijft [naam10] op 30 september 2022 aan [naam3] :”Goedenmorgen [naam3] , wij hadden vandaag een afspraak met [appellant2] en [naam11] over de financiën. Ik gaf aan dat jij even met mij en [geïntimeerde1] om de tafel wil. [appellant2] gaf aan dat hij eerst even met jou wil overleggen. Hij heeft jou ingehuurd en wil graag inzicht hebben. Zou je ven contact met hem willen opnemen?” Daarop antwoordt [naam3] : “Ja. Dat klopt ik wilde ook eerst met hem overleggen dan met jullie pas. Maar hij nam zijn telefoon gisteren niet op. Ik bel hem straks nog een keer.” Uit dit whatsappbericht blijkt juist dat [geïntimeerde1] en [naam10] [appellant2] wilden betrekken bij een overleg over de financiën. Dat plaatst de verklaring van [naam3] dat het contact over meerwerk met [geïntimeerde1] plaatsvond in een ander daglicht.

[appellanten] wijst nog op de omstandigheid dat [naam10] en [geïntimeerde1] direct contact hebben gehad met [naam3] over de uitvoering van de werkzaamheden. Dat [naam10] en [geïntimeerde1] zelf ook direct contact met [naam3] hadden, over onder meer de plaats van de stopcontacten en van andere elektrapunten, betekent echter nog niet dat de hoofdverantwoordelijkheid voor de aanleg van de elektra niet bij [appellanten] als aannemer berustte. Het is immers praktisch als dit soort zaken onderling wordt afgestemd, zonder dat de aannemer daarvoor iedere keer ingeschakeld hoeft te worden. Dat laat onverlet dat ook [naam3] [appellant2] beschouwde als de aannemer aan wie de definitieve offerte toegezonden moest worden en met wie overleg plaats moest vinden.

Anders dan [appellanten] heeft aangevoerd, staat het feit dat de facturen van de diverse onderaannemers op naam van [geïntimeerde1] zijn gesteld en dat [geïntimeerde1] deze facturen zelf heeft betaald, niet in de weg aan de omstandigheid dat de vof de werkzaamheden heeft aangenomen en uitgevoerd. Zo blijkt uit de whatsappberichten van [naam10] en [geïntimeerde1] aan [appellant2] dat zij de tenaamstelling van de facturen en de betalingen steeds met [appellant2] hebben afgestemd, terwijl ook nog bij diverse facturen aan [appellant2] is gevraagd of hij de omschrijving van de werkzaamheden op deze facturen wilde laten aanpassen. [naam10] heeft in dat verband tijdens de zitting bij het hof ook nog toegelicht dat zij die wijziging van de omschrijving aan [appellant2] vroeg om subsidie aan te kunnen vragen als de factuur de juiste tekst heeft. Tevens is op 1 oktober 2022 aan [appellant2] gevraagd of hij de factuur van Tweeling [bedoeld zal zijn: Tweelingglas en Tweelingtimmerfabriek B.V., hof] opnieuw wil mailen, omdat [naam10] die niet heeft ontvangen. Daarna antwoordt [appellant2] dat hij die heeft gestuurd. Ook hier ontbreekt de nodige toelichting van de zijde van [appellanten] hoe deze handelingen zich verhouden tot de door hem gestelde vriendendienst/bemiddeling.

Ook de verklaring van [appellant2] dat hij de sleutel van het pand kreeg vanwege zijn vriendendienst vraagt om een nadere toelichting, die ook niet is gegeven. Dit geldt te meer, nu [geïntimeerde1] tijdens de zitting bij het hof heeft verklaard dat zijn vorige pand 50 meter naast het huidige pand was gelegen, zodat het niet voor de hand lag dat [appellant2] degene was die veelvuldig bij het pand aanwezig zou zijn geweest, als hij niet de aannemer was.

[appellanten] heeft nog aangevoerd dat er geen prijsafspraak is gemaakt, geen werkomschrijving is overeengekomen, geen offerte is opgemaakt, geen afgesproken opleveringsverplichtingen en ook geen enkele schriftelijke bevestiging of correspondentie waaruit blijkt dat [geïntimeerde1] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [appellanten] zich contractueel verbonden had als hoofdaannemer.

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen hoeft een aannemingsovereenkomst niet schriftelijk te worden aangegaan, terwijl ook niet is vereist dat er een gespecificeerde offerte is uitgebracht.

[geïntimeerde1] heeft gemotiveerd onderbouwd dat hij met [appellant2] had afgesproken dat hij de werkzaamheden heeft aangenomen voor een vaste aanneemsom van €150.000. Hij heeft daarbij uiteengezet dat hij aanvankelijk een groot deel van de werkzaamheden had willen laten uitvoeren door een andere aannemer, voor een lagere prijs, namelijk € 107.000. [appellant2] zou daarbij een kleiner deel van de werkzaamheden (laten) uitvoeren. Omdat die andere aannemer geen tijd bleek te hebben, heeft [appellant2] de hele opdracht aangenomen. Daarbij was afgesproken dat het pand niet casco zou worden opgeleverd, zoals het geval was bij de offerte van de andere aannemer, maar volledig afgewerkt. De offerte van de andere aannemer was echter wel het uitgangspunt voor de werkzaamheden die verricht moesten worden. Er bleek achteraf tussen partijen weliswaar onduidelijkheid te bestaan over de vraag of het genoemde bedrag inclusief of exclusief BTW was – de andere aannemer had op zijn offerte een bedrag inclusief BTW vermeld en daarom ging [geïntimeerde1] er van uit dat de met [appellant2] afgesproken prijs ook inclusief BTW was, terwijl [appellant2] later stelde dat het door hem genoemde bedrag exclusief BTW was – maar dat laat onverlet dat partijen een vaste prijs hadden afgesproken voor het door partijen met elkaar besproken werk. Welk deel van die prijs uiteindelijk aan [appellant2] toekwam, was voor [geïntimeerde1] niet van belang. Hij heeft daar ook niet naar gevraagd en is daar niet in gekend. [geïntimeerde1] en [naam10] hebben tijdens de zitting een en ander gedetailleerd toegelicht. Zij hebben daarbij verklaard over de offerte die de eerste aannemer had opgemaakt en dat ze die offerte aan [appellant2] hebben gegeven. Volgens hen hebben zij meerdere malen aan [appellant2] gevraagd om de tussen [geïntimeerde1] en [appellanten] gemaakte afspraken op schrift te zetten en had [appellant2] iedere keer gezegd dat hij dat nog zou doen. Tegenover de gedetailleerde verklaringen van [geïntimeerde1] en [naam10] heeft [appellanten] ook hier slechts volstaan met een blote ontkenning daarvan. Het hof gaat er daarom van uit dat er wel degelijk een prijsafspraak is gemaakt en dat ook is afgesproken welke werkzaamheden daarvoor zouden worden uitgevoerd, namelijk de complete verbouwing van het pand, zoals aangegeven in de eerdere offerte van een andere aannemer, maar dan “instapklaar” in plaats van casco.

Het hof volgt [appellanten] ook niet in zijn verweer dat er aan [appellanten] niets betaald is voor de gestelde aannemingswerkzaamheden. De door [appellanten] overgelegde verklaring van [naam15] , van Adenfo administratieve en financiële ondersteuning, maakt dit niet anders. In die verklaring staat dat er slechts vijf betalingen in het jaar 2022 zijn ontvangen inzake het project [geïntimeerde1] en/of [naam10] . Daarbij heeft [appellanten] toegelicht dat twee daarvan betrekking hadden op de vloer die door [appellant2] is geleverd en gelegd en dat de overige drie facturen betrekking hadden op de betaling van de stucadoor, die zelf niet in de gelegenheid was om facturen op te maken.

Maar ook als er geen contante betalingen zouden zijn gedaan, heeft te gelden dat [geïntimeerde1] heeft toegelicht dat de waarde (prijs) voor het uitvoeren van de aannemingswerkzaamheden voor de verbouwing van het pand erin gelegen was dat [appellant2] met dit project zichzelf kon profileren en naam kon maken als aannemer en daarmee in de toekomst meer grote projecten zou kunnen binnenhalen en uitvoeren. Zo bezien, vormde het project een basis voor [appellanten] om in de toekomst mogelijke winsten te realiseren. Ook dat heeft [appellanten] niet gemotiveerd betwist.

De vof is de aannemingsovereenkomst aangegaan

[appellanten] heeft in hoger beroep verder aangevoerd dat, als het hof zou oordelen dat een overeenkomst met [geïntimeerde1] tot stand is gekomen, de vof geen partij is bij die overeenkomst en dat de vennoten dan ook niet hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden gehouden voor enige gestelde tekortkoming. [appellanten] betoogt in dat verband dat [appellant2] in persoonlijke hoedanigheid optrad (als buurman of informele bemiddelaar).

Het hof volgt [appellanten] daarin niet. Zoals hierboven overwogen heeft [appellant2] immers tegen [geïntimeerde1] gezegd dat in het krantenartikel mocht worden vermeld dat de verbouwing aan het pand zou worden uitgevoerd door [appellant2] Projects [vestigingsplaats1] . Weliswaar is dat niet helemaal dezelfde naam als de naam waarmee de vof in het handelsregister staat ingeschreven, te weten [naam1] , maar die, met medewerking van [appellant2] , tot stand gekomen vermelding in de krant, duidt er op dat ook [appellanten] zich op het standpunt stelde dat het werk was aangenomen door de vof. Dit ligt ook in de rede, nu de inschrijving voor burgerlijke en utiliteitsbouw was gedaan voor de vof en niet voor [appellant2] in privé.

Nu de overeenkomst is aangegaan met de vof, zijn alle vennoten hoofdelijk verbonden voor de daaruit voortkomende verplichtingen.

Toerekenbare tekortkoming en causaal verband

[appellanten] heeft ook betwist dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming en van causaal verband tussen deze tekortkoming en de door [geïntimeerde1] gevorderde schade. [appellanten] heeft ter onderbouwing van die betwisting herhaald dat geen sprake is geweest van betrokkenheid van [appellanten] bij de gestelde schade, terwijl [appellanten] in het deskundigenrapport van Dekra niet is vermeld als verantwoordelijke partij.

Het hof gaat ook hier niet in mee. De omstandigheid dat de vof de werkzaamheden heeft aangenomen, maakt dat de vof aansprakelijk is voor de schade die is ontstaan als gevolg van tekortkomingen die veroorzaakt zijn door fouten die gemaakt zijn door onderaannemers die door de vof zijn ingeschakeld. Dat [appellanten] de werkzaamheden niet zelf heeft uitgevoerd brengt daarin geen verandering, nu de taak van de aannemer juist is om er op toe te zien dat er geen gebreken ontstaan tijdens de uitvoering van het werk. Dat [appellanten] in het deskundigenrapport van Dekra niet is vermeld als verantwoordelijke partij is niet van belang, omdat dit rapport er slechts toe diende om de gebreken en de daaruit voortvloeiende schade vast te stellen en niet om vast te stellen wie daarvoor aansprakelijk is.

Waarom er aanleiding zou zijn voor matiging van de schadevergoedingsplicht op grond van artikel 6:101 BW, is door [appellanten] verder niet toegelicht. Het hof verwerpt daarom ook dat verweer.

De schadevergoeding

[appellanten] voert daarnaast aan dat de door de rechtbank toegewezen schadevergoeding en bijkomende kosten ten onrechte zijn toegewezen. Volgens [appellanten] zijn de betreffende schadeposten niet, dan wel onvoldoende onderbouwd, zijn zij niet (volledig) toerekenbaar aan [appellanten] en onevenredig en voor matiging vatbaar op grond van artikel 6:109 BW. Ook hier onderbouwt [appellanten] zijn standpunt door er op te wijzen dat hij niet verantwoordelijk is geweest voor de uitvoering, regie of oplevering van het werk.

[appellanten] heeft erkend dat het rapport van Dekra in beginsel kan dienen ter vaststelling van de gebreken in de uitvoering van de werkzaamheden. Dat het rapport ziet op werkzaamheden van meerdere partijen, laat onverlet dat [appellanten] als aannemer verantwoordelijk is voor al deze gebreken die zijn ontstaan tijdens de uitvoering van het werk. Voor toepassing van matiging van de schadevergoeding is, evenmin als voor vermindering van de door [appellanten] te vergoeden schade op grond van eigen schuld, geen plaats. Bij gebrek aan door [appellanten] naar voren gebrachte aanwijzingen dat de door Dekra voorlopig begrote schade minder bedraagt dan het door de rechtbank bij wijze van voorschot aan [geïntimeerde1] toegekende bedrag van € 107.811, zal ook het hof van dit bedrag uitgaan.

Verwerping bewijsaanbod

Het hof verwerpt het door [appellanten] gedane (tegen)bewijsaanbod, omdat [appellanten] zijn stellingen en verweren van onvoldoende onderbouwing heeft voorzien om tot tegenbewijs te kunnen worden toegelaten.

De conclusie in het door [appellanten] ingestelde principaal hoger beroep tegen [geïntimeerde1]

Het hoger beroep slaagt niet. Omdat [appellanten] ongelijk krijgt, zal het hof [appellanten] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.

Het door [appellanten] tegen [naam2] ingestelde hoger beroep

[naam2] was samen met [appellanten] gedagvaard bij de rechtbank. [appellanten] had [naam2] in die procedure echter niet in vrijwaring opgeroepen en als zodanig een zelfstandige vordering tegen [naam2] ingesteld. [appellanten] kan dan vervolgens niet in hoger beroep opkomen tegen de afwijzing van de vordering die [geïntimeerde1] tegen [naam2] heeft ingesteld. [appellanten] is daarom niet-ontvankelijk in het door hem tegen [naam2] ingestelde hoger beroep. [appellanten] zal worden veroordeeld om de proceskosten van [naam2] in hoger beroep te vergoeden. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.

Het door [geïntimeerde1] ingestelde (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep tegen [naam2]

De rechtbank heeft de door [geïntimeerde1] tegen [naam2] ingestelde vorderingen afgewezen. [geïntimeerde1] heeft geen zelfstandig, principaal, hoger beroep ingesteld tegen [naam2] dat gericht was tegen de afwijzing van die vorderingen. In plaats daarvan heeft hij voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld tegen [naam2] , die (ten onrechte) mede gedagvaard is in het door [appellanten] ingestelde principaal hoger beroep. Het is echter niet mogelijk om incidenteel hoger beroep in te stellen tegen een mede-geïntimeerde (een partij die eveneens gedagvaard is in hoger beroep). [geïntimeerde1] zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in het door hem ingestelde voorwaardelijk incidenteel hoger beroep. Overigens is de voorwaarde waaronder dit incidenteel hoger beroep is ingesteld niet vervuld, zodat het hof ook niet zou zijn toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling hiervan.

Omdat [naam2] wel kosten heeft moeten maken in dit voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, zal het hof [geïntimeerde1] veroordelen tot vergoeding van die kosten. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

De proceskostenveroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4. De beslissing

Het hof:

In het door [appellanten] ingestelde hoger beroep tegen [geïntimeerde1] :

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 18 december 2024;

veroordeelt [appellanten] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde1] :

€ 2.129 aan griffierecht

€ 7.594 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde1] (2 procespunten x het toepasselijke tarief V)

In het door [appellanten] ingestelde hoger beroep tegen [naam2] :

verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk in het tegen [naam2] ingestelde hoger beroep

veroordeelt [appellanten] tot betaling van de volgende proceskosten van [naam2] :

€ 241 aan griffierecht€ 7.594 aan salaris van de advocaat van [naam2] (2 procespunten x het toepasselijke tarief V)

bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente

In het door [geïntimeerde1] ingestelde (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep tegen [naam2] :

verklaart [geïntimeerde1] niet-ontvankelijk in het tegen [naam2] ingestelde incidenteel hoger beroep

veroordeelt [geïntimeerde1] tot betaling van de volgende proceskosten van [naam2] :

€ 1.898,50 aan salaris van de advocaat van [naam2] (1 procespunt x het toepasselijke tarief V x 0,5)

bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.B. Boorsma, B.J. Engberts en V. van der Kuil, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand