GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.354.501 en 200.355.194
zaaknummer rechtbank 530463
arrest van 25 augustus 2026
in de zaak met zaaknummer 200.354.501:
1. [naam VOF] (hierna: [naam VOF] )
2. [naam3] Finance B.V. (hierna: [naam3] Finance)
3. [naam4] Finance B.V. (hierna: [naam4] Finance)
die zijn gevestigd in [vestigingsplaats1]
hierna gezamenlijk [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194]
advocaat: mr. S. Besli
tegen:
[geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] B.V. (hierna: [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] )
die is gevestigd in [vestigingsplaats2]
advocaat: mr. I.A. Hoedemaeker
en in de zaak met zaaknummer 200.355.194:
[geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] B.V. (hierna: [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] )
die is gevestigd in [vestigingsplaats2]
advocaat: mr. I.A. Hoedemaeker
tegen:
1. [geïntimeerde] (hierna: [geïntimeerde] )
die woont in [woonplaats]
2. [naam VOF] (hierna: [naam VOF] )
3. [naam3] Finance B.V. (hierna: [naam3] Finance)
4. [naam4] Finance B.V. (hierna: [naam4] Finance)
die zijn gevestigd in [vestigingsplaats1]
advocaat: mr. S. Besli
5. Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V. (hierna: Zilveren Kruis)
die is gevestigd in Utrecht
6. Achmea Zorgverzekeringen N.V. (hierna: Achmea)
die is gevestigd in Zeist
geïntimeerden 2 tot en met 4 worden hierna gezamenlijk genoemd [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] , geïntimeerden 5 en 6 worden hierna gezamenlijk genoemd ZKA
advocaat: mr. M.J. Bosselaar
1. Het verloop van de procedure in hoger beroep
In de zaak met nummer 200.354.501
[appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof tegen de vonnissen die de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) op 13 december 2023, 13 maart 2024 en 12 februari 2025 tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep
de incidentele memorie van voeging
de memorie van grieven
de memorie van antwoord
een akte van 24 maart 2026 van [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194]
het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 13 mei 2026 is gehouden.
Hierna heeft het hof arrest bepaald.
In de zaak met nummer 200.355.194
[geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) op 12 februari 2025 tussen partijen heeft uitgesproken en de daaraan voorafgaande tussenvonnissen. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep
de incidentele memorie van voeging
de memorie van grieven
de memorie van antwoord van [geïntimeerde] en [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194]
de memorie van antwoord van ZKA
het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 13 mei 2026 is gehouden.
Hierna heeft het hof arrest bepaald.
2. De kern van de zaak
[geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] bemiddelde op het gebied van zorgverzekeringsovereenkomsten tussen twee collectiviteiten en ZKA. [naam VOF] bemiddelt eveneens op het gebied van zorgverzekeringsovereenkomsten tussen een collectiviteit en ZKA. In december 2020 en januari 2021 zijn ongeveer 1990 verzekerden overgestapt vanuit de collectiviteiten van [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] naar de collectiviteit van [naam VOF] . Zij bleven verzekerd bij ZKA, maar [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] ontving geen provisie meer voor deze verzekerden. Per 1 januari 2022 heeft ZKA de twee collectiviteiten waar [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] voor bemiddelde beëindigd. Per 1 januari 2023 heeft ZKA de samenwerkingsovereenkomst met [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] beëindigd.
[geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] heeft bij de rechtbank gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat [geïntimeerde] , [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] en ZKA onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld, althans dat ZKA tekort is geschoten in haar verplichtingen jegens [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] .
Daarbij heeft zij een hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde] , [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] en ZKA gevorderd tot betaling van een bedrag van € 552.000. Subsidiair heeft zij een hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde] , [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] en ZKA gevorderd tot betaling van een bedrag van € 59.700 en daarnaast een veroordeling van ZKA tot betaling van een bedrag van € 405.365,93. Daarnaast vorderde zij een proceskostenveroordeling van [geïntimeerde] , [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] en ZKA.
De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] en dat [naam VOF] daarom een bedrag van € 20.025 aan schadevergoeding en een bedrag van € 5.978,50 aan proceskosten moet betalen. De vordering tegen [geïntimeerde] en de vorderingen tegen ZKA heeft de rechtbank afgewezen.
[appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] stelt zich in hoger beroep op het standpunt dat zij niets aan [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] hoeft te betalen, dan wel maximaal een bedrag van € 150, dan wel € 1.200, of € 10.560. [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] vordert ook terug hetgeen zij ter uitvoering van het vonnis (meer) heeft betaald.
[geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] vordert in hoger beroep dat haar vorderingen, zoals zij die bij de rechtbank had ingesteld, alsnog integraal worden toegewezen.
Het hof zal beslissen dat [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] een bedrag van € 1.350 aan [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] moet betalen en dat [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] de proceskosten van [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] voor de procedures bij de rechtbank en in hoger beroep aan haar moet vergoeden. Datgene wat [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] meer heeft betaald dan het bedrag van € 1.350 moet [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] aan haar terugbetalen. Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat de vorderingen van [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] tegen [geïntimeerde] en tegen ZKA moeten worden afgewezen.
Het hof licht zijn beslissing hierna toe.
3. De toelichting op de beslissing van het hof
De omvang van het hoger beroep
[appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] heeft geen grieven geformuleerd tegen het vonnis in incident van 13 maart 2024. Het hof verklaart [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] daarom niet-ontvankelijk in haar tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep.
[geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] heeft in haar dagvaarding in hoger beroep aangegeven hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van 12 februari 2025 en alle daaraan voorafgaande tussenvonnissen, waaronder het tussenvonnis van 13 december 2023. Zij heeft echter geen grieven gericht tegen de vonnissen in de incidenten van 2 februari 2022 en 13 maart 2024. Het hof verklaart [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] daarom niet-ontvankelijk in het tegen die vonnissen ingestelde hoger beroep.
De vaststaande feiten
Geen van de partijen heeft bezwaar gemaakt tegen de door de rechtbank onder 2.1. tot en met 2.32. van het tussenvonnis van 13 december 2023 (hierna: het tussenvonnis) vastgestelde feiten. Het hof gaat daarom ook van die feiten uit. Kort samengevat gaat het daarbij om het volgende.
[geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] wordt bestuurd door de heer [naam] (hierna: [naam] ). [naam3] Finance en [naam4] Finance zijn de vennoten in [naam VOF] .
[stichting1] (hierna: [stichting1] ), [stichting2] (hierna: [stichting2] ) en [stichting3] (hierna: [stichting3] ) zijn zogenaamde collectiviteiten in de zin van de Zorgverzekeringswet. Een collectiviteit is een groep verzekerden (‘deelnemers’ genoemd) met een zelfde verzekeringsovereenkomst, die als groep wordt aangemeld bij een verzekeraar. [stichting1] en [stichting2] hebben in het verleden voor hun deelnemers met ZKA collectieve overeenkomsten gesloten voor de basiszorgverzekering en voor aanvullende ziektekostenverzekeringen. [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] trad daarbij op als bemiddelaar voor [stichting1] en [stichting2] . [naam VOF] trad op als bemiddelaar voor [stichting3] en sloot voor de bij [stichting3] aangesloten deelnemers ook collectieve zorgverzekeringsovereenkomsten af bij ZKA. De drie collectiviteiten richtten zich met name op particulieren met een Turkse achtergrond. De deelnemers ontvangen op grond van de collectieve overeenkomsten een zogenaamde collectiviteitskorting op hun zorgverzekeringspremie. Voor het jaar 2021 ontvingen de deelnemers van [stichting3] een hogere collectiviteitskorting dan de deelnemers van [stichting1] en [stichting2] .
[geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] had met ZKA een ‘Samenwerkingsovereenkomst voor bemiddeling in financiële diensten’ (hierna: SWO) gesloten. Op grond van het daarmee verband houdende provisiereglement ontving [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] een provisie van € 30 per premiebetalende collectieve deelnemer per jaar tot een maximum van € 150.000 per collectieve zorgverzekeringsovereenkomst per jaar.
In artikel 8.2 van de SWO staat dat de klant kan verzoeken om zijn financiële producten over te boeken naar een portefeuille van een andere bemiddelaar en dat ZKA daaraan meewerkt, zodra zij van de overnemende bemiddelaar een door de klant ondertekend verzoek daartoe krijgt. ‘Klant’ is in bijlage 1 bij de SWO gedefinieerd als de wederpartij bij het aanbieden bij het sluiten van een overeenkomst inzake een financieel product. De klant kan zowel een natuurlijk als een rechtspersoon zijn. In artikel 1 van bijlage 3 bij de SWO is vermeld dat de collectieve contractant als verzekeringnemer wordt beschouwd als sprake is van een collectieve zorgverzekering.
ZKA heeft [naam VOF] voor het melden van omvangrijke mutaties (zogenaamde ‘bulkmutaties’) in haar portefeuille een digitaal mutatieformulier met bijbehorende invulinstructie toegestuurd. Daarmee kon een al bij Zilveren Kruis (individueel of collectief) verzekerde deelnemer aangemeld worden op het eigen collectiviteitnummer van [naam VOF] . Daarbij moesten de gegevens van de leden en het verzekeringsnummer van de deelnemer (dat hetzelfde was als het polisnummer) worden ingevuld.
[geïntimeerde] was van 1 juni 2015 tot 1 juni 2016 werknemer van [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] . Zij heeft daarna tot en met januari 2019 op oproepbasis nog enige werkzaamheden voor [stichting1] verricht. Op 3 februari 2020 is zij in dienst getreden van [naam VOF] .
Eind 2020 en begin 2021 zijn 2.146 deelnemers van [stichting1] en [stichting2] overgegaan naar andere bij ZKA aangesloten collectiviteiten, waarvan 1.990 naar [stichting3] .
In februari 2021 hebben twee besprekingen plaatsgevonden tussen ZKA en [naam] . Onderwerp van gesprek waren de campagne voor het seizoen 2020-2021 en de zogeheten ‘zorginhoudelijke lading’ van de collectiviteiten [stichting1] en [stichting2] . Dit laatste was daarvoor al een terugkerend onderwerp van gesprek tussen hen.
Bij brief van 11 maart 2021 heeft ZKA de collectieve zorgovereenkomsten met [stichting1] en [stichting2] opgezegd per 1 januari 2022.
Vanaf 20 maart 2021 hebben [stichting1] en [stichting2] e-mails verstuurd naar een aantal deelnemers die waren uitgestroomd naar [stichting3] . In de brief staat dat Zilveren Kruis zegt dat de deelnemer geen korting meer wil hebben via [stichting1] of [stichting2] . Aan de deelnemers is onder meer gevraagd of het klopt dat zij willen stoppen met de korting van [stichting1] of [stichting2] en of zij toestemming hebben gegeven om de collectiviteit van de zorgverzekering te veranderen.
Naar aanleiding van brieven van de advocaat van [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] , waarin twijfels zijn geuit over de rechtmatigheid van het overstappen van deelnemers van [stichting1] en [stichting2] naar [stichting3] , heeft ZKA op 21 september 2021 een brief gestuurd naar alle deelnemers die van [stichting1] of [stichting2] waren overgestapt naar [stichting3] . Daarin is hen gevraagd of zij de overstap van [stichting1] of [stichting2] naar [stichting3] wilden en dat zij het aan ZKA konden doorgeven als zij niet akkoord waren met deze overstap. Daarbij was een telefoonnummer vermeld van de klantenservice, indien de aangeschreven personen naar aanleiding van die brief vragen zouden hebben. 65 deelnemers hebben telefonisch contact opgenomen met ZKA. 45 deelnemers hebben daarbij aangegeven geen toestemming te hebben gegeven voor de overstap, althans zich dat niet te kunnen herinneren. 20 deelnemers hebben de brief niet goed begrepen. Uiteindelijk heeft één deelnemer aangegeven terug te willen naar de vorige collectiviteit.
Op 8 oktober 2021 heeft op verzoek van [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden waarbij [geïntimeerde] en mevrouw [naam2] , accountmanager bij ZKA (hierna: [naam2] ), zijn gehoord als getuigen. Op 22 mei 2021 is [naam] in het tegengetuigenverhoor gehoord.
In december 2021 heeft [stichting3] aan 50 deelnemers die hadden gereageerd op de mailing van de collectiviteiten van [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] een e-mail gestuurd. Daarin is onder meer vermeld dat de deelnemer met de wijziging van de collectiviteit naar [stichting3] een hogere collectiviteitskorting en een ruimere zorgverzekeringsdekking krijgt dan bij de collectiviteit van [stichting1] of [stichting2] . Aan de deelnemer is vervolgens gevraagd of het klopt dat hij/zij gekozen heeft voor de collectiviteitskorting van [stichting3] . 44 mensen hebben daarop geantwoord dat ze daarvoor wel toestemming hadden gegeven.
ZKA heeft de SWO met [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] opgezegd bij brief van 30 maart 2022 tegen 1 januari 2023.
Beoordeling van de vordering van [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] tegen [geïntimeerde]
De rechtbank heeft onder 4.4. tot en met 4.10. van het tussenvonnis geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] gegevens aan [naam VOF] heeft verstrekt. [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] is tegen die beslissing in hoger beroep opgekomen en heeft aangevoerd dat [geïntimeerde] vanwege haar dienstverband bij [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] en haar werkzaamheden voor de klantenadministratie van [stichting1] de beschikking had over de namenlijsten van [stichting1] en [stichting2] en de n.a.w.-gegevens van verzekerden en hun verzekerdennummers, die noodzakelijk zijn voor het overboeken van verzekerden zonder hun medeweten. [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] heeft daarbij gewezen op e-mailberichten waarin de heer [naam5] namens [stichting1] en [stichting2] haar borderellen en namenlijsten toestuurde.
Het enkele feit dat in de periode van juni 2015 tot en met januari 2019 namenlijsten en verzekeringsnummers van verzekerden bij de collectiviteiten [stichting1] en [stichting2] aan [geïntimeerde] zijn toegezonden, betekent echter nog niet dat [geïntimeerde] die namenlijsten en verzekerdennummers ook heeft verstrekt aan [naam VOF] , dan wel dat zij die gegevens heeft gebruikt om de op die lijsten genoemde verzekerden over te boeken naar de collectiviteit [stichting3] .
[geïntimeerde] heeft als getuige verklaard dat zij geen data vanuit [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] heeft meegenomen naar [naam VOF] . [geïntimeerde] heeft tijdens het getuigenverhoor eveneens verklaard dat zij 1 collega had bij [naam VOF] . Verder verklaarde zij dat zij ook voor diverse schadeverzekeringen als adviseur bij [naam VOF] werkte en dat zij, als zij met een klant in gesprek was, een compleet verzekeringspakket wilde aanbieden. Het kon zijn dat daar ook verzekerden van [stichting1] bij zaten en dat is ook veel gebeurd. [geïntimeerde] heeft verder verklaard dat [naam VOF] in 2020 een intensieve reclamecampagne heeft gevoerd via tv, radio, internet etcetera en dat dat veel nieuwe klanten heeft opgeleverd. Volgens haar waren dat er zo’n 8.000 à 9.000. Daar waren ook klanten van [stichting1] bij die [geïntimeerde] vertelden dat zij [stichting1] niet meer konden bereiken.
Dit sluit ook aan bij de verklaring van [naam3] , directeur van [naam3] Finance, tijdens de zitting bij het hof, dat hij [geïntimeerde] kende van de moslimgemeenschap, dat [geïntimeerde] niet de enige was die de overboekingen verzorgde en dat dat niet haar enige werk was. De taken van [geïntimeerde] bestonden uit meer dan het afsluiten en beheren van zorgverzekeringen. Ook heeft [naam3] verklaard dat de overstap het gevolg is geweest van een intensieve campagne die [naam VOF] en [stichting3] hebben gevoerd via diverse (social) media en de moskeeën (zie ook hierna onder 3.21 en volgende).
Het hof leidt hieruit af dat er weliswaar voormalige verzekerden van [stichting1] en [stichting2] zijn overgestapt naar [stichting3] , maar dat niet is komen vast te staan dat die overstap het gevolg is geweest van het feit dat [geïntimeerde] gegevens van [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] , [stichting1] en/of [stichting2] aan [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] en/of [stichting3] zou hebben verstrekt.
Het hof sluit zich voor het overige aan bij het onder 4.4. tot en met 4.10. van het tussenvonnis vermelde oordeel van de rechtbank. De vorderingen van [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] jegens [geïntimeerde] kunnen dus niet worden toegewezen en het hoger beroep van [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] faalt in zoverre.
Beoordeling van de vordering van [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] tegen [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194]
Het hof is van oordeel dat de overstap van klanten van [stichting1] en [stichting2] naar [naam VOF] is toe te schrijven aan de actieve campagne die [naam3] in de jaren 2020 en 2021 heeft gevoerd, onder meer via diverse moskeeën om verzekerden binnen te halen. [naam3] heeft daarover tijdens de zitting bij het hof verklaard dat er veel mensen op drift waren, nadat ZKA diverse contracten met bemiddelaars had opgezegd. Dat was aanleiding voor [naam VOF] om een campagne op te starten. [naam3] heeft ook verklaard dat mensen via de moskeeën bij [stichting3] terecht kwamen en dat deze mensen telefonisch of via de sociale media toestemming hebben gegeven.
Zo heeft hij het volgende tijdens de zitting bij het hof verklaard:
‘250 moskeeën zijn bij ons verzekerd. Een moskee is een heilig huis. De verzekeraar besloot in 2019 om alle collectiviteiten van de moskeeën te beëindigen. Dat was in coronatijd. Iedereen zat thuis. Wij hebben een mailing gedaan. Wij zijn een commerciële organisatie en we zagen kansen. We hebben ruim 9.000 verzekerden binnen gehaald. In de vijver waaruit wij al jaren vissen, hebben nog zeven andere intermediairs afscheid genomen. Er stroomden altijd mensen in en uit. Wij hebben een betere dekking en meer korting. Iedereen betaalde eerst een hogere premie. Mensen waren actief en onderzoekend. Vooral in 2020 toen de coronabeperkingen golden, waren mensen nog veel actiever online.
(…)
[stichting3] heeft informatieavonden georganiseerd in de moskeeën waar al deze mensen kwamen. Dat was voor [stichting3] het moment om te promoten. Veel mensen gaven aan dat ze graag wilden overstappen, omdat ze wilden profiteren van een hogere korting. Vooral in 2020 is dit aantal toegenomen, omdat er toen veel eigen collectiviteiten van de moskeeën waren opgezegd. Dat is de reden dat [naam3] meer informatieavonden ging organiseren. Als de mensen niet bij een nieuwe collectiviteit zouden aansluiten, dan zouden ze in het nieuwe verzekeringsjaar meer premie gaan betalen.
(…)
In Leerdam zit een Moskee, maar in Amsterdam en Rotterdam zitten nog 40 moskeeën. We hebben groot landelijk campagne gevoerd. We wilden een investering doen.’
Dat sluit ook aan bij hetgeen tijdens de zitting bij het hof namens ZKA naar voren is gebracht. Daarbij is gewezen op de presentatie van Zilveren Kruis van 10 februari 2021, waarin de uitstroom van het overstapseizoen van 2019 is vermeld. Een jaar later nam Zilveren Kruis afscheid van acht moskeeverzekeringen en twee intermediairs. Volgens ZKA is [naam VOF] daar op afgestapt en heeft zij de verzekerden overgehaald om over te stappen naar haar collectiviteit.
Het hof is het verder eens met het oordeel van de rechtbank onder 4.24. tot en met 4.26. van het tussenvonnis, dat de toestemming van verzekerden voor overstap van het ene collectief naar een andere door een verzekerde niet schriftelijk hoeft te worden gegeven. Zoals de rechtbank heeft geoordeeld moet onder de “cliënt”, zoals bedoeld in het tweede lid van artikel 4:103 van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft), worden begrepen de wederpartij van de zorgverzekeraar bij die collectieve overeenkomst en niet de individuele verzekerde zelf. Dit betekent dat de deelnemers van de collectiviteiten [stichting1] en [stichting2] die zijn overgestapt naar [stichting3] hiervoor niet schriftelijk hun toestemming hoefden te geven. [naam VOF] mocht daarvoor dus zogenaamde bulkmutaties uitvoeren via de speciaal daarvoor ter beschikking gestelde formulieren. Omdat er geen schriftelijke toestemming per afzonderlijke verzekerde was vereist, volstond een mondelinge toestemming van de verzekerde.
De vraag is vervolgens of er mondelinge toestemming was gegeven door de verzekerden voor de overstap van [stichting1] of [stichting2] naar [stichting3] .
Tijdens de zitting bij het hof heeft [naam3] daarover verklaard dat de verzekerden telefonisch toestemming hebben gegeven, via de DigiDapp of dat ze zelf hebben gebeld naar Zilveren Kruis. Een deel heeft ook via de sociale media toestemming gegeven. Volgens [naam3] hebben de moskeeën de mailing gedaan en vervolgens hebben de leden contact met hem opgenomen, omdat zijn gegevens door de moskeeën waren genoemd in hun mailing. [geïntimeerde] was degene die de telefoon opnam.
Dit stemt overeen met de verklaring die [geïntimeerde] als getuige heeft afgelegd.
Het hof gaat er daarom van uit dat door de meeste verzekerden mondeling toestemming is gegeven voor de overstap van [stichting1] of [stichting2] naar [stichting3] .
Uit de verklaringen van de door [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] tijdens het getuigenverhoor van 22 mei 2024 opgeroepen getuigen blijkt echter wel dat een aantal verzekerden in ieder geval geen toestemming had gegeven voor de overstap van [stichting1] of [stichting2] naar [stichting3] .
Tijdens de zitting bij het hof is van de zijde van [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] ook verklaard dat niet is betwist dat er aansprakelijkheid blijft bestaan ten aanzien van een deel van de verzekerden die zonder dat vaststaat dat daarvoor toestemming was gegeven zijn overgegaan van [stichting1] of [stichting2] naar [stichting3] . Er is ook niet aangevoerd dat er sprake zou zijn van overmacht of dat het handelen van [stichting3] niet aan haar toe te rekenen is. Er is verder door [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] niet gegriefd tegen rechtsoverweging 3.3. van het eindvonnis. De vraag is echter hoeveel verzekerden dit betreft.
Beoordeling van de verdere vordering van [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] tegen [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] en van het hoger beroep van [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] : het aantal verzekerden dat zonder toestemming is overgegaan
De vraag naar het aantal verzekerden dat zonder toestemming is overgeboekt naar [stichting3] ligt zowel voor in het door [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] ingestelde hoger beroep als in het door [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] ingestelde hoger beroep. Het gaat daarbij dus om de omvang van de schade die [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] geleden heeft.
Anders dan [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] voorstelt, ziet het hof geen aanleiding om de schade te schatten.
Het lag immers op de weg van [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] om voldoende feitelijke gegevens naar voren te brengen, waaruit de omvang van de schade kan worden afgeleid. Dat heeft zij nagelaten. Het door haar overgelegde overzicht van de verzekeringsportefeuille is onvoldoende, omdat daaruit niet inzichtelijk is welke verzekerde op welke wijze is overgegaan naar [stichting3] . Het hof ziet ook geen aanleiding om af te wijken van de gewone regels van (stelplicht en) bewijslastverdeling. [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] heeft in hoger beroep ook geen bewijsaanbod gedaan.
Voor de beantwoording van de hier voorliggende vraag naar het aantal verzekerden dat zonder toestemming is overgeboekt, zal het hof geen gebruik maken van het onderzoek dat uitgevoerd is door [stichting1] en [stichting2] . Het hof is het namelijk eens met het oordeel van de rechtbank onder 4.15. van het tussenvonnis dat [stichting1] en [stichting2] in de vraagstelling in hun brieven aan de diverse deelnemers/verzekerden op zijn minst suggestief zijn geweest, en dat daarin de kernvraag of deze deelnemers voorafgaand aan de overgang naar [stichting3] door [naam VOF] zijn gekend en daarvoor hun toestemming hebben gegeven, dan wel daar zelf op eigen initiatief opdracht voor hebben gegeven, onvoldoende duidelijk aan hen is voorgelegd.
De e-mail van [stichting1] en [stichting2] aan de deelnemers had als onderwerp ‘Belangrijk bericht over uw korting bij Zilveren Kruis’ en daarin stond onder meer: ‘De afgelopen jaren had u via onze collectiviteit [stichting2] korting bij Zilveren Kruis. Maar nu zegt Zilveren Kruis dat u geen korting meer wil hebben via [stichting1] / [stichting2] ’.
Vervolgens is er aan de deelnemers gevraagd:
‘Klopt het dat u wilt stoppen met de korting van de [ [stichting1] / [stichting2] , hof] collectiviteit? Antwoord: ja of nee
Heeft u toestemming gegeven om de collectiviteit van uw zorgverzekering te veranderen? Antwoord: ja of nee’.
Gelet op de inhoud van de e-mail is aannemelijk dat het de deelnemers, die gereageerd hebben op deze e-mail, niet zozeer ging om de vraag of zij al dan niet toestemming hadden gegeven, maar veeleer om de korting die zij meenden te verliezen door hun overstap naar een andere collectiviteit. Vanuit die optiek ligt het voor de hand, en valt in ieder geval niet uit te sluiten, dat het antwoord dat zij geen toestemming zouden hebben gegeven om de collectiviteit van de zorgverzekering te veranderen daardoor is ingegeven.
Het hof gaat ook niet mee in het betoog van [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] dat [naam VOF] in eerste aanleg zou hebben verklaard dat 89 personen geen toestemming zouden hebben gegeven. [naam VOF] heeft in eerste aanleg ten aanzien van 89 personen slechts aangevoerd dat zij die zelf niet goed thuis kon brengen. Dat wil echter niet zeggen dat die personen geen toestemming hebben gegeven.
Volgens [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] blijkt uit e-mails van [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] dat er 137 personen door (de collectiviteiten van) [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] waren benaderd. Van de respondenten zijn 50 personen benaderd door (de collectiviteit van) [naam VOF] . Daarvan zijn er 44 personen geweest die hebben aangegeven dat ze wel toestemming hadden gegeven voor de overstap. Dat wil echter nog niet zeggen dat slechts 6 personen geen toestemming hadden gegeven voor de overstap, omdat ook de mailing van (de collectiviteit van) [naam VOF] suggestief is geweest. Daarin is namelijk vooral gewezen op de hogere collectiviteitskorting bij [stichting3] en de ruimere zorgverzekeringsdekking, waarna de vraag gesteld is: “Klopt het dat u hebt gekozen voor de collectiviteitskorting van [stichting3] ?
De brief die ZKA heeft verzonden aan haar verzekerden was daarentegen wel neutraal. Op die brief hebben 45 deelnemers geantwoord dat zij geen toestemming hadden gegeven voor de overstap, althans dat zij zich dat niet meer konden herinneren. 20 andere deelnemers hadden de brief niet goed begrepen.
Hoewel uit de respons op die brief nog steeds niet met zekerheid valt af te leiden dat die 45 deelnemers allemaal vooraf geen toestemming hadden gegeven voor de overgang van de collectiviteiten [stichting1] en [stichting2] naar [stichting3] , gaat het hof niettemin uit van deze 45 deelnemers. Het hof ziet geen aanleiding om dit aantal uit te breiden met de 6 gehoorde getuigen. Mogelijkerwijs behoren die 6 personen eveneens tot de groep van 45 deelnemers die hebben gereageerd op de brief van ZKA, terwijl daarnaast geldt dat niet alle 45 deelnemers hebben aangegeven dat zij geen toestemming hebben gegeven, maar (dat een deel daarvan) zich dit slechts niet kon herinneren. Met deze onduidelijkheid/onzekerheid houdt het hof rekening door uit te gaan van 45 deelnemers.
Het hof ziet geen aanleiding om deze 45 deelnemers te extrapoleren en daar een vermenigvuldigingsfactor op toe te passen. Ook hier geldt dat het op de weg van [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] had gelegen om meer uitsluitsel over en inzicht te geven in het aantal personen dat zonder toestemming is overgegaan naar [stichting3] en de redenen voor de toepassing van een vermenigvuldigingsfactor. Nu [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] dit heeft nagelaten is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er (veel) meer schade is.
Het hof is daarom van oordeel dat moet worden aangenomen dat, afgezien van 45 deelnemers van wie niet kan worden vastgesteld dat zij toestemming hebben gegeven, de overige deelnemers toestemming hebben gegeven voor de overgang van [stichting1] en [stichting2] naar [stichting3] . In zoverre heeft [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] niet onrechtmatig gehandeld jegens [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] .
Het vorenstaande betekent dat de schade die [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] heeft geleden als gevolg van onrechtmatige overboekingen van deelnemers van [stichting1] of [stichting2] naar [stichting3] begroot wordt op 45 x de provisie à € 30 = € 1.350 die [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] is misgelopen.
Hetgeen [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] ingevolge het eindvonnis (meer) aan [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] heeft betaald is onverschuldigd betaald en moet aan haar worden terugbetaald.
De vordering van [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] tegen ZKA
[geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] heeft aan haar vorderingen jegens ZKA de stellingen ten grondslag gelegd dat ZKA:- de Wft zou hebben geschonden;
- artikel 8.2 van de SWO zou hebben geschonden;
- haar zorgplicht jegens [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] zou hebben geschonden door zonder voorafgaande controle de door [naam VOF] opgegeven mutaties door te voeren;
- zich de belangen van [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] onvoldoende zou hebben aangetrokken bij de opzegging van de collectieve zorgovereenkomsten met [stichting1] en [stichting2] ;
- gehouden is tot het betalen van provisie aan [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] omdat zich hier dezelfde situatie voordoet als in de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 6 januari 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:1052.
Zoals het hof hiervoor onder 3.23 heeft overwogen, moet onder de “cliënt”, zoals bedoeld in het tweede lid van artikel 4:103 van de Wft, worden begrepen de wederpartij van de zorgverzekeraar bij die collectieve overeenkomst en niet de individuele verzekerde zelf. De deelnemers van de collectiviteiten [stichting1] en [stichting2] die zijn overgegaan naar [stichting3] hoefden hiervoor dus niet schriftelijk hun toestemming te geven. Op ZKA rustte dan ook geen verplichting om er op toe te zien dat de deelnemers van de collectiviteiten [stichting1] en [stichting2] die zijn overgestapt naar [stichting3] hiervoor schriftelijk hun toestemming hebben gegeven. Van schending van de Wft is geen sprake.
Het hof onderschrijft ook het oordeel van de rechtbank onder 4.27. en 4.28. van het tussenvonnis dat met het begrip “klant” in artikel 8.2 van de SWO de collectiviteit wordt bedoeld en niet de individuele deelnemer die via die collectiviteit bij ZKA is verenigd. ZKA heeft dus ook artikel 8.2 van de SWO niet geschonden.
Voor het overige heeft ZKA ook geen op haar rustende zorgplicht jegens [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] geschonden. Ook hier is het hof het eens met de rechtbank (onder 4.29. in het tussenvonnis) dat ZKA er in beginsel op mocht vertrouwen dat een bemiddelaar met wie zij een SWO heeft gesloten haar juist, althans niet opzettelijk onjuist, informeert over de wijzigingen die de collectiviteit met haar individuele verzekerden doorkrijgt. Nu ZKA na een melding van [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] over het grote aantal wijzigingen dat volgens [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] zou duiden op een onregelmatige gang van zaken dit heeft proberen uit te zoeken en onder alle overgestapte verzekerden een schriftelijke navraag heeft gedaan, valt haar op dit vlak niets te verwijten. Bovendien is er geen sprake van een onregelmatige gang van zaken bij [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] geweest, zoals het hof hierboven heeft geoordeeld, zodat ZKA daar ook geen verwijt van gemaakt kan worden.
ZKA heeft naar het oordeel van het hof evenmin anderszins onrechtmatig gehandeld jegens [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] . Zij volgt [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] niet in haar stelling dat ZKA zich bij de beëindiging van de collectieve zorgovereenkomsten met [stichting1] en [stichting2] de belangen van [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] in onvoldoende mate zou hebben aangetrokken. ZKA heeft immers al vanaf 2019 bij [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] benadrukt dat [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] onvoldoende oog had voor de zorginhoudelijke lading van de collectiviteiten.
Zo was de heer [naam6] (hierna: [naam6] ) al vanaf 2019 namens ZKA in gesprek met [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] om de zorginhoudelijke waarde van de collectieve contracten van [stichting1] en [stichting2] aan te kaarten. Dat was een terugkerend aandachtspunt, waarin ZKA de noodzaak tot verbetering benadrukte. Dit blijkt onder meer uit de e-mails van [naam6] van 29 januari en 21 februari 2019 aan [naam] . In de e-mail van 29 januari 2019 is gewezen op de Algemene Maatregel van Bestuur en de nieuwe beleidsregels van Minister [naam7] van VWS (Medische Zorg en Sport), die meebrengen dat ZKA aannemelijk moet maken dat de collectiviteiten specifieke zorgkosten besparen. Daarbij is vermeld dat, om de toekomst van de collectiviteiten verder veilig te stellen, ZKA moet versnellen en intensiveren op meer zorginhoudelijke samenwerking. Er is ook op gewezen dat met het oog hierop een speciale passage is opgenomen in de collectieve overeenkomsten. Aangegeven is dat het essentieel is dat in 2019 de communicatie hierover en de activatie wordt gestart. In de e-mail van 21 februari 2019 is wederom aangegeven dat het essentieel is om per direct te beginnen en dat starten per 1 januari 2020 eenvoudigweg te laat is, omdat de Minister al in de loop van 2020 een evaluatie gaat doen.
Uit de e-mail van [naam2] van 20 juli 2020 naar aanleiding van een bespreking op 7 juli 2020 blijkt dat [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] desondanks niet voldeed aan de noodzakelijke zorginhoudelijke lading. In een e-mailbericht van 18 december 2020 heeft [naam2] aangegeven dat op de site van [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] nergens zichtbaar is waar de mensen terecht kunnen voor een persoonlijk zorgadvies. Verder heeft ze gevraagd waarom er, om deel te kunnen nemen aan het collectief, niet wordt verwezen naar [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] , maar naar de verzekeraar. Tevens heeft [naam2] er op gewezen dat het geen juiste weergave is om door te verwijzen naar de zorgverzekeraar, die de programma’s vergoedt, om aan de slag te gaan met je gezondheid.
Tijdens de zitting bij het hof heeft [naam2] toegelicht dat deze zorginhoudelijke lading van belang is voor ZKA, omdat ZKA anders geen korting mag verstrekken aan de collectiviteiten.
Uit deze berichten had [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] moeten begrijpen dat haar website niet voldeed aan de vereiste zorginhoudelijke lading. Zoals ZKA heeft toegelicht werd op de website steeds doorverwezen naar de site van ZKA, terwijl het er juist om ging dat [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] zelf programma’s op haar eigen website aanbood. Daaraan voldeed zij niet dan wel onvoldoende. Tegen de achtergrond van de hiervoor vermelde e-mailberichten kan het verweer van [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] dat zij uit de e-mail van 2 februari 2021 van [naam2] aan haar afleidde dat zij nog tot en met de eerste helft van 2021 de tijd had, niet slagen. Dat geldt ook voor de verklaring van [naam] tijdens de zitting bij het hof dat bij hem de perceptie was dat hij die tijd had en dat hij plannen had gemaakt, die hij wilde presenteren op 21 februari 2021, maar niet aan de presentatie is toegekomen. [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] had zich immers moeten realiseren dat die uitleg niet strookte met het dringende beroep dat op haar werd gedaan om haar zorginhoudelijke lading al uiterlijk begin 2020 op orde te hebben.
Onder die omstandigheden stond het ZKA vrij om bij brief van 11 maart 2021 de collectieve zorgovereenkomsten met [stichting1] en [stichting2] op te zeggen per 1 januari 2022.
Overigens heeft [naam2] tijdens de zitting bij het hof verklaard dat de collectieve overeenkomsten met [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] niet zijn beëindigd omdat de portefeuille met 1.900 verzekerden was geslonken. [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] was namelijk nog steeds een grote speler in de markt, met ruim 8.000 verzekerden die overbleven.
Het hof sluit zich verder aan bij het oordeel van de rechtbank onder 4.35. van het tussenvonnis dat [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] geen aanspraak heeft op provisie ingevolge de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 6 januari 2021, reeds omdat haar zaak niet vergelijkbaar is met de zaak die daar voorlag.
Het vorenstaande betekent dat de vorderingen van [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] jegens ZKA niet kunnen worden toegewezen.
Geen schending van de waarheidsplicht
[geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] heeft in hoger beroep nog aangevoerd dat [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] , [geïntimeerde] en/of ZKA de waarheidsplicht (art. 21 Rv) heeft geschonden. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] dat, tegenover de gemotiveerde betwisting door de andere partijen, onvoldoende onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbij gaat.
De conclusie
De conclusie luidt dat het hoger beroep van [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] faalt en dat het door [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] ingestelde hoger beroep grotendeels slaagt. Inzake het door [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] tegen [geïntimeerde] en ZKA ingestelde hoger beroep zal het hof de bestreden vonnissen van de rechtbank bekrachtigen.
Inzake de door [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] en [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] ingestelde hoger beroepen, zal het hof het eindvonnis van 12 februari 2025 vernietigen en [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.350 aan [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] .
Omdat [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] (grotendeels) in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] tot betaling van de proceskosten in hoger beroep van zowel [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] en [geïntimeerde] als ZKA veroordelen. Het hof zal geen afzonderlijke proceskostenveroordeling ten aanzien van [geïntimeerde] opnemen in de beslissing hieronder, omdat [geïntimeerde] geen afzonderlijke, andere kosten heeft gemaakt dan [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194][geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] moet ook de proceskosten die [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] heeft gemaakt voor de procedure bij de rechtbank aan [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] vergoeden. Het gaat daarbij om het restant van de kosten die [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] niet aan [geïntimeerde] heeft vergoed (zie onder 3.15.2 van het eindvonnis), derhalve drie vierde deel van deze kosten.Verder moet [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] de proceskosten van [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] in de door [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] ingestelde procedure in hoger beroep betalen.
Onder de te vergoeden kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.
[geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] moet verder hetgeen door [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] is betaald ingevolge het eindvonnis (€ 20.025) aan [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] terugbetalen. Daarnaast moet [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] de proceskostenvergoeding ter hoogte van € 5.978,50 die [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] ingevolge het eindvonnis aan haar heeft betaald, terugbetalen. Deze bedragen moeten worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van de uitspraak van dit arrest.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4. De beslissing
Het hof:
Inzake het door [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] tegen [geïntimeerde] ingestelde hoger beroep (zaaknummer 200.355.194):
bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland van 13 december 2023 en 12 februari 2025, voor zover deze zijn gewezen tegen [geïntimeerde]
Inzake het door [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] tegen ZKA ingestelde hoger beroep (zaaknummer 200.355.194):
bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland van 13 december 2023 en 12 februari 2025, voor zover deze zijn gewezen tegen ZKA
veroordeelt [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] tot betaling van de volgende proceskosten van ZKA:
€ 6.803 aan griffierecht
€ 11.238 aan salaris van de advocaat van ZKA (2 procespunten x het toepasselijke tarief VII)
bepaalt dat deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad
Inzake het door [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] tegen [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] ingestelde hoger beroep (zaaknummer 200.355.194) en inzake het door [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] tegen [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] ingestelde hoger beroep (zaaknummer 200.354.501):
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 13 december 2023
vernietigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 12 februari 2025 en beslist:
verklaart voor recht dat [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] , voor zover er deelnemers van [stichting1] of [stichting2] zonder hun toestemming naar [stichting3] zijn overgeboekt
veroordeelt [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] uit dien hoofde tot betaling aan [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] van een bedrag van € 1.350
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad
Voor het overige inzake het door [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] tegen [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] ingestelde hoger beroep (zaaknummer 200.355.194)
verklaart [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] niet-ontvankelijk in het tegen de vonnissen van 2 februari 2022 en 13 maart 2024 ingestelde hoger beroep
veroordeelt [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] tot betaling van de volgende proceskosten
van [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] in hoger beroep:
€ 6.803 aan griffierecht
€ 11.238 aan salaris van de advocaat van [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] (2 procespunten x het toepasselijke tarief VII)
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad
wijst af wat verder is gevorderd
Voor het overige inzake het door [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] tegen [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] ingestelde hoger beroep (zaaknummer 200.354.501)
verklaart [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] niet-ontvankelijk in het tegen het vonnis van 13 maart 2024 ingestelde hoger beroep
veroordeelt [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] tot terugbetaling aan [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] van de bedragen van € 20.025 en € 5.978,50 die [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] op grond van het vonnis van 12 februari 2025 aan [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] heeft betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dit arrest tot aan de dag van terugbetaling
veroordeelt [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] tot aan de uitspraak van de rechtbank:
€ 3.150 aan griffierecht
€ 8.169,37 aan salaris van de advocaat van [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] (2,5 procespunten x het toepasselijke tarief VIII)
en tot betaling van de volgende proceskosten van [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] in hoger beroep:
€ 2.555 aan griffierecht
€ 119,40 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde in zaak 200.354.501 en appellant in zaak 200.355.194]
€ 3.340 aan salaris van de advocaat van [appellanten in zaak 200.354.501 en geïntimeerden in zaak 200.355.194] (2 procespunten x het toepasselijke tarief III)
bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.B. Boorsma, G.R. den Dekker en J.C.J. Dute, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2026.