OVERWEGINGEN:
Het hof is na onderzoek gebleken dat ernstige bezwaren bestaan dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten opgesomd in de vordering inbewaringstelling en dat gronden voor voorlopige hechtenis zouden kunnen worden aangenomen. Desalniettemin zal het hof de voorlopige hechtenis opheffen. Het hof overweegt daartoe dat door de verdediging is aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer/noodweerexces dan wel putatief noodweer. Op basis van de stukken in het dossier is het hof van oordeel dat op dit moment zo onzeker is hoe de rechter dit verweer tijdens de inhoudelijke behandeling zal beoordelen, dat het hof voorlopige hechtenis thans een te ingrijpende maatregel acht. Daarbij heeft het hof de ernst van de feit en de zwaarwegendheid van de gronden uitdrukkelijk in zijn afweging mee genomen.
Nu het bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven komt het hof aan een beoordeling van het schorsingsverzoek niet meer toe.
Het hof heeft gelet op het bepaalde in de artikelen 65, 66, 67, 67a en 71 van het Wetboek van Strafvordering.
BESLISSING:
Het hof:
Aldus gegeven op 22 juli 2026 door mr. K. Gilhuis, voorzitter,
mr. M.E. van der Werf en mr. M. Nooijen, raadsheren, in tegenwoordigheid van
Z.R. Gieteling - van Meegdenburg, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.