ECLI:NL:GHARL:2026:5519

ECLI:NL:GHARL:2026:5519

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 27-08-2026
Datum publicatie 27-08-2026
Zaaknummer Wahv 200.361.119/01
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Rijden met een voertuig dat niet is voorzien van een over de gehele lengte gasdichte uitlaat. De vaststelling van de gedraging kan berusten op de visuele waarneming van de ambtenaar. Beelden of een objectieve meting zijn niet noodzakelijk.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

De beslissing van de kantonrechter

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank MiddenNederland van 29 september 2025, betreffende

wonende te [woonplaats].

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 118,13.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.

De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 210,- voor: “als bestuurder van een voertuig rijden, terwijl deze niet is voorzien van een over de gehele lengte gasdichte uitlaat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 8 februari 2022 om 15:02 uur op de Laan der V.O.C. in Almere met het voertuig met het kenteken [kenteken]. De kantonrechter heeft het sanctiebedrag twee keer met 25 procent gematigd wegens schending van de hoorplicht door de officier van justitie en overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg.

2. De betrokkene stelt zich op het standpunt dat de vermeende gedraging slechts berust op de subjectieve constatering door de ambtenaar. De ambtenaar heeft geen objectieve meting uitgevoerd, maar is slechts op zijn gehoor af gegaan. Tevens is er geen foto gemaakt, waaruit zou blijken dat de uitlaat niet gasdicht zou zijn. Er is dus geen hard bewijs. De gedraging is geconstateerd nadat de scooter van de betrokkene op de rollenbank was geplaatst. De scooter voldeed aan de maximumsnelheid. Een andere ambtenaar, die op een andere rollenbank een meting uitvoerde, hoorde dat de uitlaat niet goed zou zijn. Hiermee is al dan niet bewust bij de ambtenaar, die de snelheidstest op de scooter van de betrokkene had uitgevoerd, de indruk ontstaan dat de uitlaat zogenaamd niet gasdicht zou zijn geweest. Dit heeft hij doorgegeven aan een andere ambtenaar. Het is niet duidelijk of de ambtenaar, die de snelheidstest heeft uitgevoerd, heeft gezien of de uitlaat al dan niet gasdicht zou zijn. Verder stelt de betrokkene dat sprake is van willekeur. De betrokkene zag dat bestuurders van scooters met een vergelijkbaar geluid na staandehouding gewoon mochten doorrijden zonder dat aan hen een sanctie werd opgelegd. De dag na de constatering heeft de betrokkene zijn scooter laten nakijken bij een monteur. Volgens de monteur was wel sprake van een poreuze uitlaat. Hij constateerde echter niet dat de uitlaat niet gasdicht zou zijn. De betrokkene stelt dat het discutabel blijft of de uitlaat wel of niet gasdicht was. Het is belachelijk dat een discutabele sanctie wordt geëist, terwijl de kantonrechter in zijn uitspraak impliciet bevestigt dat de zaak genuanceerder is en daarom heeft de kantonrechter de opgelegde sanctie gehalveerd. De betrokkene merkt op dat zonder meer wordt aangenomen dat hetgeen ambtenaren waarnemen als onomstotelijk feit wordt gehanteerd, terwijl het een subjectieve waarneming betreft. Alle mensen hebben al dan niet bewust fouten en gebreken en niemand is perfect.

3. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 5.6.11 van de Regeling voertuigen, waarin het volgende is bepaald:

“Bromfietsen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes.”

4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Anders dan de betrokkene kennelijk meent, is het niet zo dat de ambtenaar altijd in het gelijk wordt gesteld en op zijn woord wordt geloofd. Als de verklaring van de ambtenaar voor juist wordt gehouden, is diens verklaring een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Of de verklaring van de ambtenaar voor juist wordt gehouden is ervan afhankelijk of de betrokkene specifieke feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van die verklaring dan wel uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken. De betrokkene hoeft dus niet het bewijs van zijn onschuld te leveren, maar van de betrokkene mag wel worden verwacht dat hij door middel van concrete feiten en omstandigheden een begin van twijfel aan de juistheid van de verklaring van de ambtenaar aandraagt.

5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:

“Ik, verbalisant, zag dat de uitlaat bij het spruitstuk lek was en niet gasdicht. (…)

Verklaring betrokkene: ik breng hem morgen naar de garage.”

6. In onderhavige zaak is geen beeldmateriaal van de gedraging aanwezig. Dat de constatering van de gedraging berust op de visuele waarneming van de ambtenaar en er geen beelden van de gedraging of ander bewijsmateriaal beschikbaar zijn, brengt niet mee dat de gedraging niet kan worden vastgesteld. Alleen de verklaring van een ambtenaar kan daartoe al toereikend zijn. Zoals onder 3. reeds vermeld dient de betrokkene, voor de vraag of de verklaring voor juist wordt gehouden, specifieke feiten en omstandigheden aan te voeren die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van die verklaring dan wel uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

7. Zoals hiervoor genoemd berust de constatering van de gedraging op de visuele waarneming van de ambtenaar. Uit de verklaring van de ambtenaar blijkt duidelijk dat hij heeft gezien dat de uitlaat bij het spruitstuk lek was en dat de uitlaat dus niet gasdicht was. Een objectieve meting is derhalve niet noodzakelijk voor constatering van de gedraging. Nu de betrokkene geen specifieke feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die het hof aanleiding geven te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar kan, gelet op de verklaring van de ambtenaar, worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. De opmerking van de betrokkene dat hij de volgende dag naar een monteur is geweest en de monteur niet constateerde dat de uitlaat niet gasdicht was, doet hier niet aan af.

8. Dat sprake zou zijn van willekeur, volgt het hof niet. Ambtenaren beschikken over een discretionaire bevoegdheid op grond waarvan zij een zekere vrijheid hebben om te bepalen of zij in een concreet geval al dan niet een sanctie opleggen. De enkele omstandigheid dat mogelijk aan andere bestuurders - om welke reden dan ook - geen sanctie is opgelegd, brengt niet mee dat de betrokkene, die de gedraging heeft verricht, daarvan gevrijwaard zou moeten blijven. Het is het hof daarnaast niet gebleken dat de ambtenaar zijn bevoegdheid tot het opleggen van een sanctie op welke wijze dan ook heeft misbruikt. Het hof wijst er in dit licht verder nog op dat van schending van het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van de betrokkene alleen sprake is als zonder (juridische) geldige reden ten nadele van de betrokkene is afgeweken van het met betrekking tot gedragingen als deze geldende beleid (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het Hof Leeuwarden van 8 oktober 2003, te raadplegen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHLEE:2003:AM5326). Daarvan is in dit geval niet gebleken.

9. Voorts merkt het hof nog op dat de kantonrechter het sanctiebedrag heeft gematigd, omdat de hoorplicht door de officier van justitie is geschonden en de redelijke termijn van berechting, als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in eerste aanleg is overschreden. Het betreft dus, anders dan de betrokkene stelt, een matiging van het sanctiebedrag wegens schending van de rechten van de betrokkene.

10. De gronden treffen geen doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook bevestigen.

De beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Postma als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Postma

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand