GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[gemachtigde],
[betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),
De beslissing van de kantonrechter
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank MiddenNederland van 11 november 2025, betreffende
wonende te [woonplaats],
beweerdelijk optredend namens
gevestigd te [vestigingsplaats].
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.
Het verloop van de procedure
[gemachtigde] (hierna: [gemachtigde]) heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
[gemachtigde] heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen schriftelijke machtiging is overgelegd, ook niet nadat [gemachtigde] daartoe de gelegenheid was geboden.
2. [gemachtigde] stelt zich op het standpunt dat hij eerder in de procedure reeds een machtiging heeft overgelegd. In hoger beroep legt hij een nieuwe machtiging, opgesteld door zijn werkgever [werkgever], over. Deze machtiging geeft [gemachtigde] het recht om beroep in te stellen tegen de sanctie.
3. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wahv kan tegen de beslissing van de officier van justitie beroep worden ingesteld door degene die administratief beroep heeft ingesteld.
4. Op 8 mei 2024 is door [gemachtigde] administratief beroep ingesteld. Bij het administratief beroepschrift is een machtiging gevoegd. Het administratief beroepschrift is door de officier van justitie inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard. De officier van justitie heeft het administratief beroep daarmee geacht te zijn ingesteld namens de betrokkene. Tegen de beslissing van de officier van justitie is door [gemachtigde] beroep ingesteld bij de kantonrechter.
5. Partijen kunnen zich in beroep bij de kantonrechter door een gemachtigde laten vertegenwoordigen op grond van een analoge toepassing van artikel 8:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De kantonrechter kan van degene die het beroep heeft ingesteld op grond van artikel 8:24, tweede lid, van de Awb, een schriftelijke machtiging verlangen. Wordt de gevraagde machtiging niet verstrekt, dan kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener van het beroep de gelegenheid heeft gekregen het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
6. De griffier van de rechtbank heeft [gemachtigde] bij brief van 13 oktober 2025 erop gewezen dat een schriftelijke machtiging, waaruit blijkt dat [gemachtigde] namens de betrokkene beroep mag instellen, en een uittreksel uit het handelsregister ontbreken. Uit het dossier volgt dat de brief naar [gemachtigde] is verstuurd. De griffier van de rechtbank heeft [gemachtigde] verzocht om spoedig doch uiterlijk op zitting de gevraagde machtiging en uittreksel toe te sturen. In de brief vermeldt de griffier tevens dat, indien [gemachtigde] niet tijdig de gevraagde informatie overlegt, de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren. [gemachtigde] heeft niet binnen de gegeven termijn de gevraagde informatie overgelegd.
7. Het hof acht dat op basis van de gegevens in het dossier genoegzaam vaststaat dat [gemachtigde] namens de betrokkene mag procederen tegen de opgelegde sanctie. Dit brengt mee dat de beslissing van de kantonrechter niet in stand kan blijven. Het hof zal die beslissing vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. Het hof beschouwt het hoger beroep als ingesteld namens de betrokkene.
8. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 370,- voor: “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats zonder een duidelijk zichtbare en geldige gehandicaptenparkeerkaart”. Deze gedraging zou zijn verricht op 12 april 2024 om 20:19 uur op Het Rond in Zeist met het voertuig met het kenteken [kenteken].
9. De gemachtigde van de betrokkene stelt dat de sanctie onterecht is opgelegd. De gemachtigde werd vergezeld door zijn invalide vader. De Europese gehandicaptenparkeerkaart is door zijn vader onder de voorruit geplaatst. Ter onderbouwing heeft de gemachtigde foto’s van deze gehandicaptenparkeerkaart gevoegd bij zijn hoger beroepschrift. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat deze kaart in de gehele Europese Unie geldig is en dat middels deze kaart parkeren op bepaalde plaatsen is toegestaan. Dit brengt mee dat parkeren ter plaatse niet hinderlijk was.
10. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
11. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag het voertuig in het met bord E6 aangeduid parkeervak geparkeerd staan. Ik zag in het voertuig geen duidelijk zichtbaar aangebrachte geldige gehandicaptenparkeerkaart. Ik zag dat er geen sprake was van onmiddellijk in of uit laten stappen van personen of in of uitladen van goederen. Ik zag dat er geen bestuurder van het voertuig ter plaatse was of kwam op het moment van het opmaken van de beschikking. Hierom heeft er geen staandehouding plaatsgevonden en is de beschikking op kenteken uitgeschreven.”
12. Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal, met foto’s van de gedraging, waarin de ambtenaar onder meer het volgende verklaart:
“Op dinsdag 12 april 2024, omstreeks 20;19 uur, heb ik, verbalisant, geconstateerd dat het voertuig op een parkeerplaats geparkeerd stond welke alleen bedoeld was voor voertuigen voorzien van een duidelijk zichtbaar geplaatste gehandicaptenparkeerplaats (het hof leest: gehandicaptenparkeerkaart). Ik zag dat deze parkeerplaats werd aangegeven met bord E06. Ik zag dat het voertuig niet voorzien was van een Europese gehandicaptenparkeerkaart zoals we die in Nederland. Ik zag wel dat er een voor mij onbekende kaart achter de voorruit lag, eenzelfde als betrokkene in zijn bezwaar heeft toegevoegd. Omdat deze kaart mij niet bekend was, en ik deze kaart niet als rechtsgeldig herkende heb ik de beschikking uitgeschreven. Na het opmaken van de kennisgeving van beschikking is door mij hiervan een afschrift achtergelaten achter de ruitenwisser van het voertuig. Omdat er geen activiteiten rond het voertuig zijn waargenomen, kon er geen staandehouding plaatsvinden.”
Onder een van de gedragingsfoto’s in het proces-verbaal heeft de ambtenaar nog het volgende verklaard: “Foto ter verduidelijking van de aangetroffen parkeersituatie, waarbij goed te zien is dat het voertuig niet voorzien was van een Europese gehandicaptenparkeerkaart, maar van een ander soort kaart welke qua formaat ook veel kleiner was dan de bekende Europese gehandicaptenparkeerkaart.”
13. Zoals hiervoor vermeld, heeft de gemachtigde foto’s overgelegd van de gehandicaptenparkeerkaart in kwestie. Naar aanleiding van hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd, heeft het hof zich georiënteerd op de website van de Franse overheid. Uit die informatie blijkt dat de [naam] de houder van de kaart of de persoon die hem begeleidt het recht geeft om gratis en voor onbeperkte tijd te parkeren op alle openbare parkeerplaatsen (privéparkeerplaatsen uitgesloten). De kaarthouder kan de bestuurder of de passagier zijn. Uit die informatie blijkt verder dat de [naam] op zowel nationaal grondgebied als in de Europese Unie mag worden gebruikt. Nu een dergelijke gehandicaptenparkeerkaart binnen de Europese Unie mag worden gebruikt en blijkens de verklaring van de ambtenaar en de overgelegde foto’s de gehandicaptenparkeerkaart duidelijk zichtbaar achter de voorruit van het betrokken voertuig lag, is het hof van oordeel dat de ambtenaar ten onrechte een sanctie voor de onderhavige gedraging heeft opgelegd. Dit brengt mee dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven. Het hof zal beslissen als hierna vermeld.
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond en vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Postma als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.