GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),
De beslissing van de kantonrechter
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 8 januari 2026, betreffende
mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht,
beweerdelijk optredend namens
gevestigd te [vestigingsplaats].
De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.
Het verloop van de procedure
Mr. Rissema heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
Mr. Rissema heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard omdat geen geldige machtiging is overgelegd, ook niet nadat daarvoor nog de gelegenheid was geboden.
2. De beweerdelijk gemachtigde voert aan dat een machtiging is toegestuurd waaruit ondubbelzinnig blijkt dat [betrokkene] B.V. een machtiging heeft afgegeven om beroep in te stellen. Er kan redelijkerwijs niet aan worden getwijfeld dat de overgelegde machtiging in opdracht van de (administratie van de) betrokkene is verstuurd en dat daartoe opdracht is gegeven door één of meerdere personen die daartoe bevoegd zijn. Dat geen naam is vermeld maakt dit niet anders. De gemachtigde wijst op het arrest van het hof van 25 september 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:5885).
3. Het hof stelt vast dat de inleidende beschikking is gericht aan [betrokkene] B.V. Op 27 februari 2025 is administratief beroep ingesteld door mr. Rissema. Het administratief beroep is door de officier van justitie inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door mr. Rissema beroep ingesteld.
4. Als een ander dan de op de voet van artikel 9, eerste lid, van de Wahv beroepsgerechtigde, hier de betrokkene, beroep instelt, kan de kantonrechter naar analogie van artikel 8:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht van degene die het heeft ingesteld, in dit geval mr. Rissema, een schriftelijke machtiging verlangen. Daartoe bestaat aanleiding als redelijkerwijze betwijfeld kan worden dat degene die beroep instelt namens de beroepsgerechtigde, daartoe ook bevoegd is.
5. De griffier van de kantonrechter heeft mr. Rissema per brief verzocht om een deugdelijke machtiging. Daarbij is geschreven dat in geval dat de betrokkene een rechtspersoon is, ook stukken moeten worden meegestuurd waaruit blijkt dat de ondertekenaar bevoegd is de rechtspersoon te vertegenwoordigen.
6. Door mr. Rissema is een machtiging van [naam] aan de juristen van bezwaartegenverkeersboetes.nl toegestuurd. Ook is daarbij een brief van de administratie van de betrokkene van 4 februari 2025 gevoegd die is geadresseerd aan [naam] met als onderwerp ‘machtiging’. In deze brief is vermeld dat de bovengenoemde bestuurder door [betrokkene] B.V. gemachtigd is om een bezwaarschrift in te dienen. In de brief is het CJIB-nummer van de onderhavige zaak vermeld. De brief is ondertekend met een handtekening en de naam van de betrokkene. Er staat geen naam van een persoon onder.
7. De kantonrechter heeft vervolgens geoordeeld dat geen geldige machtiging is overgelegd. Naar het oordeel van het hof kan er echter redelijkerwijs niet aan worden getwijfeld dat de brief gericht aan [naam], van de administratie van de betrokkene in opdracht van de betrokkene is verstuurd en dat de administratie van de betrokkene daartoe ook de opdracht heeft gekregen van een of meer personen die bevoegd zijn de betrokkene in rechte te vertegenwoordigen. Het betreft een brief die - naar moet worden aangenomen - wordt toegezonden aan een lessee die verzoekt om een machtiging wanneer betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd krijgt als met dat voertuig een gedraging zou zijn verricht en de lessee daartegen beroep wil instellen. De brief is opgesteld op briefpapier van de betrokkene en bevat het CJIB-nummer van onderhavige zaak. Eerder in de procedure is een afschrift van de aan de betrokkene geadresseerde inleidende beschikking is overgelegd. De kantonrechter heeft in redelijkheid niet deze brief ontoereikend kunnen achten. De kantonrechter heeft het beroep daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard (vgl. het arrest van het hof van 25 september 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:5885).
8. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.
9. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 120,- voor: “een geslotenverklaring voor motorvoertuigen negeren (bord C12)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 20 januari 2025 om 11.08 uur op de Escamplaan in ‘s-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [kenteken].
10. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de ambtenaar niet mocht handhaven op de bebording C12. Blijkens de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar mag op de bebording C12 alleen gehandhaafd worden als die is geplaatst in het kader van de leefbaarheid. Uit het dossier blijkt niet dat de bebording is geplaatst in verband met de leefbaarheid. De bebording is ter plaatse neergezet ter vervanging van de borden F13. Dit is enkel gedaan om te handhaven, en niet in verband met de leefbaarheid. De gemachtigde verwijst ter onderbouwing naar het verkeersbesluit.
11. Deze grond treft geen doel. Uit het door de gemachtigde overgelegde verkeersbesluit volgt onder meer dat een bijkomend effect van de maatregel is dat dit de leefbaarheid ten goede komt door vermindering van de door het verkeer veroorzaakte geluidshinder en luchtvervuiling. Verder wordt in de toelichting onder meer ook genoemd dat doorgaand verkeer op de Escamplaan niet mogelijk is in verband met het waarborgen van de bereikbaarheid en leefbaarheid. De ambtenaar was dan ook bevoegd om een sanctie op te leggen. Het beroep is ongegrond.
12. Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding om een proceskostenvergoeding toe te kennen.
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.