[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1993 in [geboorteplaats ] ,
wonende te [woonplaats] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 12 augustus 2026.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot niet-ontvankelijk verklaring van de verdachte in het ingestelde hoger beroep wegens het overschrijden van de in artikel 408, eerste lid, aanhef en onder a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) bepaalde termijn voor het instellen van hoger beroep van 14 dagen.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. T. van Assendelft de Coningh, hebben aangevoerd.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep. Hiertoe heeft hij – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.
De dagvaarding in eerste aanleg is elektronisch aan verdachte toegezonden via de berichtenbox op MijnOverheid.nl. Verdachte had een budgetbeheerder aan wie hij inzage moest verlenen in zijn – financiële – administratie. Dat bracht met zich dat verdachte moest meewerken aan het verstrekken van zijn DigiD inloggegevens aan de budgetbeheerder, waardoor zij zich toegang heeft verschaft tot de berichtenbox van MijnOverheid.nl. De budgetbeheerder heeft verdachte er niet van op de hoogte gesteld dat hij was gedagvaard om voor de rechter te verschijnen. Zodoende heeft er geen betekening plaatsgevonden die kan gelden als betekening in persoon. Daardoor is de termijn voor het instellen van hoger beroep niet aangevangen na de zitting van de politierechter op 7 juli 2025, maar op het moment dat verdachte kennis nam van de veroordeling. Over dat moment is door en namens verdachte wisselend verklaard. De laatste verklaring is dat een reclasseringswerker verdachte daags na de zitting op de hoogte heeft gebracht van de veroordeling.
Oordeel van het hof
Op 23 april 2025 is om 12:27 uur de dagvaarding, om op 7 juli 2025 te verschijnen voor de politierechter in de rechtbank Gelderland, in het portaal van MijnOverheid geplaatst. Na het inloggen in MijnOverheid op 2 mei 2025 om 14:40 uur is er een bevestiging verzonden aan verdachte, die is geplaatst in de BerichtenBox van MijnOverheid. In deze bevestiging is verdachte geïnformeerd over de elektronische overdracht van de gerechtelijke mededeling.
Verdachte is op 7 juli 2025 bij verstek veroordeeld door de politierechter. Tegen dit vonnis heeft hij op 23 juli 2025 hoger beroep ingesteld.
Artikel 36f, tweede lid, Sv bepaalt dat betekening door elektronische overdracht geldt als betekening in persoon als degene voor wie de gerechtelijke mededeling is bestemd, zich toegang verschaft tot de elektronische voorziening als bedoeld in artikel 36d, tweede lid, Sv. De BerichtenBox van MijnOverheid is aangewezen als elektronische voorziening via welke een bericht kan worden verzonden naar de verdachte. Identificatie geschiedt bij gebruik van de BerichtenBox van MijnOverheid met DigiD. Op het moment dat de dagvaarding elektronisch wordt overgedragen aan een verdachte, staat dit gelijk aan een betekening in persoon.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij niet zelf heeft kennisgenomen van de dagvaarding, maar dat zijn budgetbeheerder onder zijn DigiD heeft ingelogd en dat zij hem niet heeft ingelicht dat hij diende te verschijnen voor de politierechter. Verdachte heeft in eerste instantie verklaard dat hij hiervan pas van op de hoogte zou zijn geraakt op het moment dat hij een brief ontving van het openbaar ministerie over de ontzegging van de rijbevoegdheid en dat hij zijn rijbewijs moest inleveren. Nadat het hof verdachte erop had gewezen dat uit het dossier naar voren kwam dat die betreffende brief pas in augustus 2025 aan verdachte is toegezonden, terwijl het hoger beroep al op 23 juli 2025 was ingesteld, hebben verdachte en zijn raadsman vervolgens aangevoerd dat verdachte daags voor het instellen van het hoger beroep op de hoogte is geraakt van de veroordeling via zijn reclasseringswerker.
Gelet op de tegenstrijdigheden in de door verdachte afgelegde verklaring acht het hof zijn verklaring dat de budgetbeheerder heeft ingelogd in MijnOverheid en met gebruikmaking van zijn DigiD inloggegevens de dagvaarding heeft geopend en verdachte daarover niet heeft geïnformeerd, waarna verdachte pas na de appeltermijn via zijn reclasseringswerker van de veroordeling op hoogte raakte, onaannemelijk. Het hof hecht geen geloof aan deze verklaring. Er is daarom niet gebleken van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden die de overschrijding van de appeltermijn verontschuldigbaar doen zijn.
Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat verdachte niet-ontvankelijk is in het ingestelde hoger beroep, nu het hoger beroep buiten de in artikel 408, eerste lid, aanhef en onder a Sv bepaalde termijn is ingesteld.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door mr. T. Bertens, mr. G. Dam en mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper, in aanwezigheid van de griffier mr. L. Dijkman en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 26 augustus 2026.