GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
nummer BK-ARN 23/2516
uitspraakdatum: 27 januari 2026nummer 07/005620111
Uitspraak van de vijftiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 20 juli 2023, nummer LEE 21/4171, in het geding tussen belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Dantumadiel (hierna: de heffingsambtenaar).
1. Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] te [woonplaats] (hierna: de woning of de onroerende zaak) per waardepeildatum 1 januari 2020 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2021 vastgesteld op € 334.000. Op hetzelfde aanslagbiljet zijn tevens de aanslag Afvalstoffenheffing voor het jaar 2021 ad € 204,13 en de aanslag Rioolheffing voor het jaar 2021 ad € 192,15 bekend gemaakt.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de eerder vastgestelde waarde verminderd tot € 294.000.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 20 juli 2023 ongegrond verklaard en de heffingsambtenaar veroordeeld tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan belanghebbende van een bedrag van € 500.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juni 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede [naam1] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam2] (taxateur). Van die zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat gestuurd is aan partijen.
De behandeling van de zaak is ter zitting van 4 juni 2025 geschorst en voortgezet op de zitting van 4 december 2025, waar dezelfde personen zijn verschenen. Daaraan voorafgaand heeft belanghebbende op 13 november 2025 nadere stukken ingediend. Van de zitting van 4 december 2025 is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.
2. De vaststaande feiten
De woning is een vrijstaande, bouwjaar 2005, met een oppervlakte van 117 m2, een berging van 24 m2 en een overkapping van 60 m2. De onroerende zaak heeft een kavel-oppervlakte van in totaal 10.050 m2 , waarvan een groot deel grasland betreft.
In haar bezwaarschrift met dagtekening 22 maart 2021 tegen de WOZ-beschikking heeft belanghebbende het volgende opgenomen:
“2. In het taxatieverslag met de waardepeildatum 1-1-2019 is de waarde € 285.000, in de taxatieverslag met de waarde peildatum 1-1-2020 is de waarde € 334.000. Dit houdt geen verband met de taxatie van de woning maar met de waardering van de grond. De kavel hoort bij de woning en moet conform uitspraak ECLI:NL:CBB:2020:364 worden gewaardeerd als één object. Echter door het Noordelijk Belastingkantoor is verzocht de waarde te laten aansluiten bij belastingopbrengsten ongebouwd voor het waterschap. Echter de gemeente heeft bij het bepalen van de objectafbakening geen beleidsvrijheid en kan niet de kavel van mijn grond aanpassen aan het tarief wat het waterschap aanneemt als tarief ongebouwd. Volgens de notitie van het Noordelijk Belastingkantoor gebeurt dit
wel. Graag wil ik een kopie van de correspondentie over mijn aanslag tussen Noordelijk Belastingkantoor en de gemeente.
3. Volgens uitspraak in de zaak 13/01012 dd. 6 november 2014 van Gerechtshof "s Hertogenbosch is een aparte berekening zoals onder 2 vermeld niet toegestaan. Er dient alleen naar mijn woning en kavel als geheel te worden bekeken en vergeleken met objecten die in vergelijkbare omstandigheden verkeren.
4. De gemeente had mij in kennis moeten stellen van de “gewijzigde werkwijze”, welke nu tussen
Noordelijk Belastingkantoor en gemeente plaats vindt en mij specifiek te informeren. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat een gemeente bij een forse verhoging buiten de algemene
verhogingen de belastingplichtige hoort te informeren.”
Bij uitspraak op bezwaar van 8 december 2021 heeft de heffingsambtenaar de waarde verminderd tot € 294.000, omdat er volgens hem onvoldoende rekening gehouden is met de verschillen tussen de woning en referentiewoningen. Op de andere argumenten van belanghebbende is de heffingsambtenaar niet ingegaan.
In de beroepsfase heeft de heffingsambtenaar op 14 april 2022 een waarde-opbouw laten opmaken door [naam3] , taxateur. De woning is door deze taxateur aan de hand van vergelijking met de vrijstaande referentiewoningen aan de [adres2] te [plaats1] , [adres3] en 5 te [plaats2] getaxeerd op € 335.000. In de waarde-opbouw van de woning is de kavel van 10.050 m2 meegerekend voor € 170.850.
In de hogerberoepsfase heeft de heffingsambtenaar op 18 maart 2024 een uitgebreid taxatierapport met daarin een matrix (hierna: de matrix) laten opmaken door [naam2] . In het taxatierapport is de woning aan de hand van de vergelijkingsmethode gewaardeerd op € 294.000. Er zijn drie referentiewoningen gehanteerd, alle vrijstaande woningen. In de matrix zijn de volgende gegevens van de woning en de gebruikte referentieobjecten vermeld, waarbij ook een uitgebreide toelichting is gegeven op de woning en op de referentiewoningen:
De onroerende zaak: bouwjaar 2005, waardering van de woning: kwaliteit ‘3’, onderhoud ‘3’, uitstraling ‘3’, doelmatigheid ‘3’, voorzieningen ‘3’, oppervlakte woning 117 m2 met een prijs per m2 van € 1.576, totaalwaarde € 184.440,
waardering ligging ‘2’, grondoppervlakte toe te rekenen aan de woning 1.193 m2, prijs per m2 € 57, kavelwaarde € 67.996,
bijgebouwen en resterende grond: berging 24 m2 € 5.784, overkapping 60 m2 € 6.000, bosgrond 2.600 m2 € 2.250 (€ 0,87 per m2), weidegrond 6.257 m2 € 27.530 (€ 4,40 per m2),
1. [adres2] te [plaats1] : bouwjaar 2001, verkoopprijs € 415.000, verkocht op 25 oktober 2018, geïndexeerde koopprijs € 448.933, waardering van de woning: kwaliteit ‘3’, onderhoud ‘3’, uitstraling ‘3’, doelmatigheid ‘3’, voorzieningen ‘3’, oppervlakte woning 162 m2 met een prijs per m2 van € 2.158, totaalwaarde € 349.668,
waardering ligging ‘3’, grondoppervlakte toe te rekenen aan de woning 2.065 m2, prijs per m2 € 38, kavelwaarde € 77.867,
bijgebouwen: garage 32 m2 € 9.440, berging 49 m2 € 11.025,
2. [adres3] te [plaats2] : bouwjaar 2001, transactieprijs € 290.000 overgedragen op 15 juli 2020, geïndexeerde koopprijs € 276.000, waardering van de woning: kwaliteit ‘3’, onderhoud ‘3’, uitstraling ‘3’, doelmatigheid ‘3’, voorzieningen ‘3’, oppervlakte woning 134 m2 met een prijs per m2 van € 1.406, totaalwaarde € 188.416,
waardering ligging ‘3’, grondoppervlakte toe te rekenen aan de woning 513 m2, prijs per m2 € 128, kavelwaarde € 65.439,
bijgebouwen: garage 39 m2 € 16.770, dakkapel € 1.000, carport 20 m2 € 3.000, tuinhuis 11 m2 € 1.375,
3. [adres4] te [plaats2] : bouwjaar 2001, verkoopprijs € 280.000, verkocht op 14 december 2019, geïndexeerde koopprijs € 280.000, waardering van de woning: kwaliteit ‘3’, onderhoud ‘3’, uitstraling ‘3’, doelmatigheid ‘3’, voorzieningen ‘3’, oppervlakte woning 126 m2 met een prijs per m2 van € 1.519, totaalwaarde € 191.375,
waardering ligging ‘3’, grondoppervlakte toe te rekenen aan de woning 513 m2, prijs per m2 € 128, kavelwaarde € 65.439
bijgebouwen: garage 36 m2 € 15.480, berging 18 m2 € 5.706, overkapping 12 m2 € 2.000.
Ter indicatie is ook het volgende referentieobject in de matrix opgenomen:
[adres5] te [woonplaats]: bouwjaar 1908, gerenoveerd in 2010, verkoopprijs € 441.685, verkocht op 4 december 2020, geïndexeerde koopprijs € 411.224, waardering van de woning: kwaliteit ‘3’, onderhoud ‘4’, uitstraling ‘3’, doelmatigheid ‘3’, voorzieningen ‘4’, oppervlakte woning 245 m2 met een prijs per m2 van € 1.250, totaalwaarde € 306.213,
waardering ligging ‘2’, grondoppervlakte toe te rekenen aan de woning 1.800 m2, prijs per m2 € 39, kavelwaarde € 69.447,
bijgebouwen: berging inpandig 60 m2 € 23.800, berging vrijstaand 26 m2 € 6.240, overkapping dakkapel € 2.000, overkapping 12 m2 € 2.800.
3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen
In geschil is de waarde van de onroerende zaak per 1 januari 2020.
Belanghebbende bepleit een waarde van € 250.000 en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de bestreden waardebeschikking.
De heffingsambtenaar is van mening dat de waarde zoals deze na bezwaar is vastgesteld niet te hoog is en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.
4. Beoordeling van het geschil
De waarde als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ is naar de bedoeling van de wetgever ‘de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding’.
Belanghebbende heeft de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde van de onroerende zaak gemotiveerd betwist. Daarom rust op de heffingsambtenaar de last aannemelijk te maken dat die waarde niet te hoog is. Bij beantwoording van de vraag of hij daarin slaagt zijn niet alleen de bewijsmiddelen die de heffingsambtenaar daartoe aandraagt van belang, maar ook de stukken en stellingen die belanghebbende ter betwisting daarvan aandraagt.
Indien een belastingplichtige beroep doet op feiten en omstandigheden die volgens hem tot een lagere waardering van een onroerende zaak leiden, zoals vervuiling of veroudering, is het aan hem te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat dergelijke feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan. Slaagt de belastingplichtige daarin, dan brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat de heffingsambtenaar aannemelijk dient te maken dat met die feiten en omstandigheden bij het vaststellen van de waarde voldoende rekening is gehouden.
Slechts indien de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of de belastingplichtige de door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan de rechter – des geraden na inwinning van een deskundigenbericht – zelf tot een vaststelling in goede justitie van de in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bedoelde waarde komen. Dat betekent niet meer dan dat de rechter de waarde van de onroerende zaak alleen op een door hem gekozen grondslag mag vaststellen indien de heffingsambtenaar niet het van hem te verlangen bewijs heeft geleverd en, zo de belastingplichtige een lagere waarde heeft bepleit, ook hij zijn daartoe aangevoerde stellingen niet aannemelijk heeft gemaakt. In hoger beroep bepleit belanghebbende voor de onroerende zaak een lagere waarde. In dat geval rust op de heffingsambtenaar de last feiten aannemelijk te maken die meebrengen dat de door hem verdedigde waarde niet te hoog is.
De heffingsambtenaar heeft in eerste aanleg de beschikte waarde onderbouwd met een waardematrix van 14 april 2022 opgesteld door [naam3] . Daarin is voor de grondwaarde het totale perceel van 10.050 m² in aanmerking genomen voor € 17 p/m², in totaal € 170.850.
Belanghebbende heeft in hoger beroep betwist dat de waarde van de grond juist is vastgesteld, aangezien voor een groot deel sprake is van agrarische grond.
De heffingsambtenaar verwijst in hoger beroep naar het in hoger beroep overgelegde taxatierapport van 18 maart 2024 van [naam2] . Het Hof stelt vast dat de heffingsambtenaar de onroerende zaak en de daarbij behorende grond als één object heeft getaxeerd. Anders dan belanghebbende lijkt te betogen, is (een deel van) de grond niet afzonderlijk als ongebouwde eigendom in aanmerking genomen. In het in hoger beroep overgelegde taxatierapport is, anders dan in de in eerste aanleg overgelegde waardematrix, de perceelsoppervlakte van 10.050 m² verdeeld in grond bij de woning 1.193 m² (in aanmerking genomen voor – afgerond - € 57 p/m²), bosgrond 2.600 m² (in aanmerking genomen voor – afgerond - € 0,87 p/m²) en weidegrond 6.257 m² (in aanmerking genomen voor – afgerond - € 4,40 p/m²). De grond is daarmee voor een bedrag van in totaal € 97.776 in aanmerking genomen, waarvan € 29.780 voor de agrarische grond (bos- en weidegrond). Ter zitting van het Hof heeft de heffingsambtenaar voldoende onderbouwd hoe de grondprijzen van deze bos- en weidegrond tot stand zijn gekomen. Naar het oordeel van het Hof, is daarmee voldoende aannemelijk dat de waarde van deze grond niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Dat klemt te meer daar ter zitting van de Rechtbank is gesteld dat de grond bij de woning 2.100 m² is, terwijl in het nieuwe taxatierapport met slechts 1.193 m² is gerekend. Overigens is de voor de bos- en weidegrond in aanmerking genomen waarde van € 29.780 lager dan de door belanghebbende bepleite waarde daarvan van € 35.000. Dat volgens belanghebbende geen sprake is van bosgrond, behoeft geen behandeling, nu de toegerekende waarde van het gedeeltelijk als bosgrond in aanmerking genomen deel van haar perceel in haar voordeel is.
In het in hoger beroep overgelegde taxatierapport is de waarde van de onroerende zaak (hoofdgebouw, bijgebouwen en het volledige perceel grond tezamen) bepaald op € 294.000.
In het nieuwe taxatierapport is evenwel voor de waarde van het hoofdgebouw uitgegaan van een prijs per m² van € 1.576, terwijl in de eerdere waardematrix is uitgegaan van een prijs per m² van € 1.310. Daarbij zijn dezelfde referentieobjecten geanalyseerd. Het vierde object is, blijkens het taxatierapport, slechts ter indicatie opgenomen. Ter zitting van het Hof heeft de heffingsambtenaar desgevraagd aan de hand van de grondstaffel, zoals die is opgenomen in het nieuwe taxatierapport, verklaard dat in de eerste waardematrix de waarde van de grond onjuist is berekend. In het nieuwe taxatierapport is dat hersteld.
Het Hof is van oordeel dat het de heffingsambtenaar vrij staat in beroep en hoger beroep te komen met een nieuw taxatierapport, aangezien het ook in hoger beroep uitsluitend gaat om de vraag of de waarde niet te hoog is vastgesteld. Daarbij mogen fouten in een eerdere waardering worden hersteld.
Belanghebbende heeft, naar het Hof begrijpt, in dit verband nog betoogd dat de waarde van de vergelijkingsobjecten niet goed bruikbaar zijn, omdat de waarde van de onroerende zaak in bezwaar is verlaagd, waardoor deze laatste waarde inherent lager is dan die van de vergelijkingsobjecten. Het Hof volgt belanghebbende niet in haar betoog. Anders dan belanghebbende meent, gaat het er bij de vaststelling van de waarde van de onroerende zaak op waardepeildatum slechts om wat de waarde in het economische verkeer van de onroerende zaak is, in dit geval de waarde zoals deze nader is vastgesteld in de uitspraak op bezwaar. Die waarde moet worden vergeleken met de waarde van de opgevoerde vergelijkingsobjecten. Overigens is in het nieuwe taxatierapport niet bij alle vergelijkingsobjecten sprake van een lagere waarde per m² dan die van de woning.
Het Hof overweegt voorts dat bij de beantwoording van de vraag of de heffingsambtenaar in het leveren van het bewijs is geslaagd, heeft te gelden dat hem een zekere vrijheid toekomt bij het opvoeren van referentieobjecten mits deze voldoende vergelijkbaar zijn met de onroerende zaak. Naar het oordeel van het Hof, stond het de heffingsambtenaar vrij de bovengenoemde referentieobjecten op te voeren, nu met de relevante verschillen ten opzichte van de onroerende zaak voldoende rekening is gehouden. De omstandigheid dat er ook andere transacties zijn geweest van vergelijkbare objecten doet aan het vorenoverwogene niet af. Het staat een belanghebbende evenwel vrij betere referentie-objecten aan te dragen.
Belanghebbende heeft gewezen op transacties van, naar haar mening, beter vergelijkbare woningen, te weten:
- [adres6] [plaats3] met een beschikte waarde van € 211.000,
- [adres7] [plaats3] met een beschikte waarde van € 178.000,
- [adres8] [woonplaats] met een beschikte waarde van € 180.000 en
- [adres9] [plaats4] met een beschikte waarde van € 190.000.
De heffingsambtenaar heeft betwist dat deze beschikte waarden en eventuele transactieprijzen van die woningen een ander licht op de waarde van de onroerende zaak zouden werpen en gesteld dat de bedoelde objecten geen goede referentie-objecten vormen. Belanghebbende heeft ter zake van deze woningen onvoldoende gegevens overgelegd om de vergelijkbaarheid met de onroerende zaak te kunnen beoordelen en/of bovendien geen recente transactiegegevens van die woningen overgelegd. Het Hof zal daarom aan deze objecten voorbij gaan.
Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar met de door hem opgevoerde referentieobjecten, in het licht van hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, voldaan aan de op hem rustende bewijslast dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat de door de heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingsobjecten, wat type, bouwjaar, kwaliteit, onderhoud en doelmatigheid betreft voldoende vergelijkbaar zijn met de woning en dat de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met de onderlinge verschillen. De heffingsambtenaar heeft in zijn nieuwe taxatierapport de bijgebouwen uitgesplitst en inzichtelijk gemaakt welke waarde hij aan elk van deze objectonderdelen heeft toegekend. Per vergelijkingsobject heeft de heffingsambtenaar de m²- prijs gecorrigeerd door rekening te houden met de KOUDV-factoren per vergelijkingsobject. Hiermee heeft de heffingsambtenaar naar het oordeel van het Hof voldoende inzichtelijk gemaakt hoe hij tot de gehanteerde prijs van € 1.576 per m² van de woning van belanghebbende is gekomen. Het Hof wijst er nog op dat met de slechtere ligging van de onroerende zaak ten opzichte van de referentieobjecten voldoende rekening is gehouden door voor de ligging van de onroerende zaak een factor 2 toe te kennen.
Belanghebbende heeft voorts nog gesteld overlast te ondervinden van illegale cafés bij haar in de buurt. Zij heeft in dat verband onder meer gewezen op een schriftelijke klacht aan de gemeente Dantumadeel van 30 oktober 2023. Ter zitting van de Rechtbank heeft de gemachtigde van belanghebbende verklaard dat van deze cafés op de waardepeildatum geen sprake meer was. Belanghebbende op wie, zoals hiervoor – onder 4.3 – is overwogen, de last rust de gestelde overlast op de waardepeildatum, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de heffingsambtenaar, aannemelijk te maken, heeft met de door haar overgelegde stukken daaraan niet voldaan. Het hiervoor overwogene geldt mutatis mutandis voor belanghebbendes stelling met betrekking tot overlast van de buren in de vorm van geluidsoverlast of anderszins.
Voorts doet belanghebbende een beroep op het gelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Naar het Hof begrijpt, beroept belanghebbende zich in het bijzonder op begunstigend beleid. Zij stelt in dat verband dat bij omwonenden van de onroerende zaak de agrarische grond die onderdeel uitmaakt van de respectieve percelen van die omwonenden niet in de WOZ-waarde zijn begrepen.
Belanghebbende maakt haar hiervoor – onder 4.17 - bedoelde stelling niet aannemelijk. Anders dan belanghebbende betoogt, rust de last aannemelijk te maken dat de door haar genoemde omwonenden met haar vergelijkbaar gunstiger zijn behandeld, niet op de heffingsambtenaar, maar op haar. In het onderhavige geval heeft belanghebbende niets aangevoerd dat het vermoeden kan rechtvaardigen dat met belanghebbende vergelijkbare belastingplichtigen gunstiger zijn behandeld. Er is niet gebleken van begunstigend beleid van de heffingsambtenaar. De door belanghebbende genoemde werkwijze van de heffingsambtenaar (beleid) ten aanzien van de nieuwe wijze van aanlevering van gegevens per 2021 via een digitale aansluiting op de Landelijke Voorziening WOZ, betreft geen beleid van de heffingsambtenaar (van de gemeente Dantumadiel), maar van de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor (verantwoordelijk voor de heffingen door het waterschap in de gemeente Dantumadiel). Dit beleid dat de waterschappen kunnen afwijken van de aangeleverde gegevens als sprake is van meer dan 1,25 hectare per € 100.000 vastgestelde WOZ-waarde, geldt bovendien uitsluitend voor het belastingjaar 2020, en niet voor het belastingjaar 2021 dat in het onderhavige geval aan de orde is. Van overleg tussen beide heffingsambtenaren op dit punt kan in het onderhavige jaar, anders dan belanghebbende meent, geen sprake zijn geweest. Overigens leidt dit beleid van de heffingsambtenaar van het Noordelijk Belastingkantoor er, als het in het onderhavige jaar wel zou gelden, niet tot de door belanghebbende gestelde begunstiging van gelijke gevallen.
Indien en voor zover belanghebbende zich tevens heeft willen beroepen op de meerderheidsregel, faalt het beroep op het gelijkheidsbeginsel ook in zoverre, omdat belanghebbende niet voldoende heeft gesteld dat de door haar genoemde gevallen gelijke gevallen zijn, laat staan dat zij aannemelijk maakt dat in de meerderheid van die gevallen deze derden gunstiger zijn behandeld.
Belanghebbende stelt in dat verband evenwel dat de heffingsambtenaar in strijd met artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Daarnaast stelt zij zich, zo begrijpt het Hof, op het standpunt dat de heffingsambtenaar artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ heeft geschonden. Voorts is een door haar gedaan verzoek om informatie uit hoofde van de Wet open overheid ten onrechte niet gehonoreerd, aldus belanghebbende.
Allereerst overweegt het Hof dat de toepassing van de Wet open overheid in deze procedure niet aan de orde kan komen. Bovendien geldt voor de toepassing van de Wet WOZ dat artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ dezelfde functie heeft.
Op grond van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ dient de heffingsambtenaar aan degene te wiens aanzien een beschikking is genomen, op verzoek een afschrift te verstrekken van de gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde. Volgens de parlementaire geschiedenis van deze bepaling worden onderliggende taxatiegegevens niet altijd vastgesteld in een afzonderlijk taxatierapport, terwijl het zonder die gegevens niet mogelijk is om een waarde te bepalen. Uit die geschiedenis volgt verder dat naar het oordeel van de wetgever deze gegevens op verzoek aan de belastingplichtige dienen te worden verstrekt. Het voorschrift van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ strekt ertoe een dergelijke verplichting wettelijk vast te leggen.
Het voorgaande brengt mee dat op grond van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ aan degene te wiens aanzien een beschikking als bedoeld in de Wet WOZ is genomen, en die een voldoende specifiek verzoek doet tot het verstrekken van bepaalde gegevens die niet in het taxatieverslag zijn opgenomen, maar die wel ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de onroerende zaak, een afschrift van die gegevens moet worden verstrekt. Opmerking verdient nog dat de bedoelde gegevens ook betrekking kunnen hebben op voor de waardevaststelling gebruikte vergelijkingsobjecten (vgl. HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052).
Belanghebbende heeft de heffingsambtenaar verzocht om gegevens met betrekking tot de vaststelling van de WOZ-waarde van de [adres5, adressen10-12] te [woonplaats] , [adressen13-15] te [plaats5] en [adressen16-18] te [plaats5] . Nog daargelaten dat belanghebbende in de bezwaarfase geen daartoe strekkend verzoek heeft gedaan, is geen van de bedoelde percelen als referentieobject ter onderbouwing van de beschikte waarde van de onroerende zaak opgevoerd. Derhalve valt de gevraagde informatie, naar het oordeel van het Hof, buiten het bereik van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ. Opmerking verdient daarbij dat het perceel [adres5] slechts ter indicatie is opgenomen in het taxatierapport van de heffingsambtenaar, en dus niet (mede) gebruikt is bij de onderbouwing van de waarde van de onroerende zaak. Overigens bestrijdt belanghebbende in haar nadere stuk van 13 november 2025 ook dat deze woning een bruikbaar referentie-object kan zijn.
Artikel 8:42 van de Awb verplicht de heffingsambtenaar alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Deze bepaling strekt ertoe dat de gegevens die van belang zijn voor de beoordeling van het bestreden besluit van de heffingsambtenaar aan de rechter – en de wederpartij – beschikbaar worden gesteld en heeft ten doel te waarborgen dat een geschil over een door de heffingsambtenaar genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan de heffingsambtenaar ter beschikking staan, zodat de belastingplichtige zich daarover kan uitlaten en de rechter daarmee bij zijn beoordeling rekening kan houden. Tot de op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb over te leggen stukken behoren alle stukken die de heffingsambtenaar ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de (nog) bestaande geschilpunten. Indien een belastingplichtige voldoende gemotiveerd stelt dat een bepaald stuk van enig belang kan zijn (geweest) voor de besluitvorming in zijn zaak en daarom door de heffingsambtenaar moet worden overgelegd, moet aan dat verzoek worden tegemoetgekomen, op voorwaarde dat het bestaan van dat stuk aannemelijk is. Dit is slechts anders in gevallen van gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 van de Awb en in uitzonderingsgevallen als misbruik van procesrecht.
Belanghebbende heeft gesteld dat de heffingsambtenaar niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar op grond van artikel 8:42 van de Awb de gegevens met betrekking tot de vaststelling van de WOZ-waarde van de percelen [adres5, adressen10-12] te [woonplaats] , [adressen13-15] te [plaats5] en [adressen16-18] te [plaats5] had moeten overleggen. Deze gegevens betreffen objectonderdelen en de aan die objectdelen toegekende deelwaardes van onroerende zaken die in de omgeving van belanghebbendes onroerende zaak zijn gelegen. Aangezien vrijwel alle door belanghebbende genoemde objecten niet recent zijn verkocht, althans belanghebbende geen transactiegegevens heeft aangeleverd, kunnen deze objecten niet van belang zijn bij de vaststelling van de waarde van de onroerende zaak. Zoals hiervoor – onder 4.23 – is overwogen, bestrijdt belanghebbende in haar nadere stuk van 13 november 2025 dat [adres5] een bruikbaar referentie-object kan zijn. Ter zake van [adres11] heeft belanghebbende bij nader stuk van 13 november 2025 weliswaar een uittreksel uit het Kadaster overgelegd, maar geen gegevens waaruit de vergelijkbaarheid met de onroerende zaak blijkt. Nu belanghebbende, zoals hiervoor is overwogen, voorts niets heeft aangevoerd dat het vermoeden kan rechtvaardigen dat (in de meerderheid van de gevallen) met belanghebbende vergelijkbare belastingplichtigen gunstiger zijn behandeld, heeft belanghebbende ook voor haar beroep op het gelijkheidsbeginsel onvoldoende gemotiveerd gesteld dat de gevraagde gegevens van enig belang kunnen zijn voor de besluitvorming in haar zaak. Dat klemt te meer daar, zoals het Hof hiervoor – onder 4.7 – heeft vastgesteld, de heffingsambtenaar de onroerende zaak en de daarbij behorende grond als één object heeft getaxeerd. Anders dan belanghebbende lijkt te betogen, is (een deel van) de grond, dat onderdeel uitmaakt van de onroerende zaak, niet afzonderlijk als ongebouwde eigendom in aanmerking genomen.
Ook overigens is, naar het oordeel van het Hof, niet gebleken van schending van het beginsel van zorgvuldige voorbereiding van het besluit en/of de beleidsregels van de heffingsambtenaar.
Belanghebbende heeft ook gesteld dat de heffingsambtenaar in strijd met het motiveringsbeginsel heeft gehandeld. Uit de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting van het Hof is gebleken dat de heffingsambtenaar de onderbouwing van de verlaagde waarde van de onroerende zaak in de uitspraak op bezwaar eerst in hoger beroep heeft gegeven. Daaraan verbindt het Hof de gevolgtrekking dat de heffingsambtenaar in strijd met het motiveringsbeginsel heeft gehandeld. Het Hof ziet daarin aanleiding de heffingsambtenaar te gelasten het griffierecht in eerste aanleg en in hoger beroep aan belanghebbende te vergoeden. Desgevraagd heeft belanghebbende ter zitting van het Hof verklaard geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten te hebben gemaakt.
Voorts heeft belanghebbende wat betreft de aan haar opgelegde aanslag Afvalstoffenheffing 2021 een beroep gedaan op de partiële onverbindendheid van de Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Dantumadiel houdende regels omtrent de heffing en invordering van reinigingsheffingen en de bijbehorende Tarieventabel, vastgesteld door de raad van de gemeente Dantumadiel op 15 december 2020. Zij beroept zich daarbij op de uitspraak Rechtbank Noord-Nederland van 29 april 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:3743.
In de onderhavige procedure die uitsluitend gaat over de waardevaststelling op grond van de Wet WOZ is geen ruimte een oordeel te geven over de onverbindendheid van de hiervoor bedoelde verordening en de rechtsgeldigheid van de aanslag Afvalstoffenheffing. In haar brief van 13 mei 2022 aan de Rechtbank stelt belanghebbende zich overigens ook zelf op dat standpunt.
Belanghebbendes verzoek om door haar te veel betaalde belasting over het onderhavige en de daarop volgende jaren terug te betalen dan wel te verrekenen, betreft een invorderingskwestie en kan daarom door het Hof niet worden beoordeeld.
Belanghebbende heeft ten slotte om een vergoeding van immateriële schade verzocht. Het Hof gaat bij de beoordeling van het verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. In de kern komen die regels op het volgende neer. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied indien het Hof niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. De termijn begint als regel te lopen op het moment waarop het Hof het hogerberoepschrift heeft ontvangen. Bij bijzondere omstandigheden kan die termijn van twee jaar worden verlengd of verkort. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
Het hogerberoepschrift van belanghebbende is bij het Hof binnengekomen op 23 augustus 2023. Het Hof heeft heden uitspraak gedaan. De redelijke behandelingstermijn is daarmee met vijf maanden overschreden.
Vanaf 14 juni 2024 geldt als uitgangspunt dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet, wanneer het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt, zoals in het onderhavige geval aan de orde is, én de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. De belastingrechter kan dan volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
De hiervoor – onder 4.33 - weergegeven bijzondere omstandigheid geldt niet voor zaken waarin (i) de belanghebbende voorafgaand aan 14 juni 2024 om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep, hoger beroep, cassatieberoep) op 14 juni 2024 reeds is overschreden (vgl. HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853). Belanghebbende heeft in hoger beroep voor het eerst op 12 mei 2025 verzocht om een vergoeding van immateriële schade, terwijl deze termijn voor de hogerberoepsfase eerst op 23 augustus 2025 is overschreden.
Gelet op het vorenoverwogene, volstaat het Hof met de constatering dat de redelijke termijn van behandeling is overschreden.
Slotsom Op grond van het vorenstaande onder 4.27 is het hoger beroep gegrond.
5. Proceskosten en griffierecht
In hoger beroep is niet gebleken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en ook overigens niet van kosten die volgens artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht kunnen worden begrepen in een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Awb.
Zoals hiervoor – onder 4.27 – is overwogen, zal het Hof de heffingsambtenaar gelasten het griffierecht voor het beroep en voor het hoger beroep aan belanghebbende te vergoeden.
6. Beslissing
Het Hof
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank doch uitsluitend voor zover daarin geen vergoeding van het griffierecht is opgenomen,
– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige, en
– gelast de heffingsambtenaar het in eerste aanleg en in hoger beroep van belanghebbende geheven griffierecht van respectievelijk € 49 en € 136, tezamen € 185, te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.
De griffier, De voorzitter,
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.