GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[betrokkene] (hierna: de betrokkene),
De beslissing van de kantonrechter
zittingsplaats Leeuwarden
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 16 oktober 2025, betreffende
wonende te [woonplaats].
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 285,-. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 453,50.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 380,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 7 augustus 2023 om 16:50 uur op de Wolgadreef in Utrecht met het voertuig met het kenteken [kenteken].
2. De kantonrechter heeft het sanctiebedrag gematigd tot € 285,- in verband met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg.
3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene de gedraging ontkent. Zijn telefoon hing ten tijde van de vermeende gedraging in de houder. Van vasthouden is geen sprake geweest. De kantonrechter overweegt dat de gedraging kan worden vastgesteld omdat betrokkene de gedraging bij staandehouding heeft erkend. Deze verklaring is echter in strijd met het Salduz-arrest afgelegd. Gelet op recente jurisprudentie van het hof dient deze verklaring te worden uitgesloten als bewijs nu de betrokkene niet op het recht op rechtsbijstand is gewezen.
4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Gedragingsgegevens: ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon met de rechterhand vasthield. Ik zag namelijk dat betrokkene de telefoon in zijn rechterhand vast hield tijdens het besturen van een personenauto. Ik zag dat het een donkerkleurige telefoon was. Bij de staandehouding zag ik dat het een Apple iPhone met een donkergroen hoesje betrof die ik herkende als het apparaat dat de bestuurder tijdens het rijden heeft vastgehouden. (…)
Aan betrokkene is de cautie verleend. (…)Verklaring betrokkene: er was wat gebeurd in mijn zaak. Daarom had ik mijn telefoon vast.”
6. Uit de verklaring van de ambtenaar volgt dat hij heeft gezien dat de bestuurder van het voertuig tijdens het rijden een mobiele telefoon in zijn rechterhand vasthield. Wat de gemachtigde daartegen aanvoert komt neer op een enkele ontkenning van de gedraging. Het hof ziet daarin geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar en stelt vast dat de gedraging is verricht.
7. Met betrekking tot het Salduz-verweer overweegt het hof als volgt. In het arrest van 8 december 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:7787) kwam het hof tot de slotsom dat, indien een betrokkene in een Wahv-zaak een verklaring heeft afgelegd en daaraan voorafgaand niet is gewezen op het recht op rechtsbijstand, aan de hand van de omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld of de betrokkene geen behoorlijk proces zou hebben gekregen als zijn verklaring wordt gebruikt voor de vaststelling dat de gedraging is verricht, dan wel voor een andere in zijn zaak te nemen beslissing.
8. Gelet op hetgeen is aangevoerd moet het ervoor worden gehouden dat de betrokkene tijdens de staandehouding niet is gewezen op het recht op rechtsbijstand. Aldus is sprake van een verzuim. Voor wat betreft het gevolg dat hieraan moet worden verbonden, moet worden beoordeeld of dit verzuim van dien aard is geweest dat aan de hand van het verloop van het proces als geheel, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, moet worden aangenomen dat de betrokkene geen behoorlijk proces zou hebben gekregen als zijn verklaring wordt gebruikt voor de vaststelling dat de gedraging is verricht, dan wel voor een andere in zijn zaak te nemen beslissing.
Nu het hof in de onderhavige zaak de verklaring van de betrokkene bij de staandehouding niet gebruikt voor de vaststelling dat de gedraging is verricht dan wel voor een andere in de zaak te nemen beslissing, faalt het Salduz-verweer in zoverre.
9. Het hof stelt vast dat de kantonrechter de verklaring van de betrokkene bij staandehouding weliswaar niet direct heeft gebruikt voor de vaststelling van de gedraging, maar wel de tegenstrijdigheid tussen de verklaringen bij de staandehouding en die in het beroep bij de kantonrechter heeft gebruikt als reden om doorslaggevende betekenis toe te kennen aan de verklaring van de verbalisanten. De beslissing van de kantonrechter is in zoverre dan ook niet deugdelijk gemotiveerd. De beslissing van de kantonrechter zal daarom worden bevestigd met verbetering van gronden. Aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding is er daarom niet.
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter, met verbetering van gronden;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.