[verdachte] ,
Hoger beroep
Onderzoek van de zaak
Het vonnis
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004426-25
Uitspraakdatum: 28 augustus 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 27 oktober 2025 met parketnummer 18-135362-25 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-284583-23, in de strafzaak tegen
geboren op [geboortedatum] 1985 in [land van herkomst] ,
ingeschreven op het adres: [adres] .
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het hiervoor genoemde vonnis.
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 14 augustus 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. D.N.A. Brouns, en wat mr. A. Elzinga, de advocaat van de benadeelde partij [benadeelde] , hebben aangevoerd.
Bij het hierboven genoemde vonnis waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de rechtbank:
Het hof is het eens met het vonnis waartegen beroep is ingesteld, met verbetering en aanvulling van de (bewijs) gronden. Dit met uitzondering van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] , de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen en de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 18-284583-23. Deze onderdelen van het vonnis vernietigt het hof om vervolgens opnieuw recht te doen.
Aanvulling en verbetering van bewijsgronden
Het door de rechtbank onder 1 opgenomen bewijsmiddel ‘De verklaring van verdachte ter zitting van 13 oktober 2025’ wordt vervangen door het volgende bewijsmiddel:
Het proces-verbaal van de zitting van het hof van 14 augustus 2026, inhoudende als verklaring van verdachte:
Ik heb het mes opgeraapt dat voor de avondwinkel bij [adres] lag. Ik heb het mes vervolgens meegenomen naar de [adres] en daar neergelegd. Het mes dat is gevonden in de [adres] , is het mes dat ik heb opgepakt.
Verder vult het hof het vonnis aan met de navolgende bewijsmiddelen:
1. Een aanvullend proces-verbaal met proces-verbaalnummer PL0100-2025114219, op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend door [verbalisant] , werkzaam als inspecteur bij de Eenheid Noord-Nederland, op 8 juli 2025, inhoudende:
Op vrijdag 2 mei 2025 vond er op de [adres] te [plaats] een steekpartij plaats. De aangever, [benadeelde] , zou ruzie hebben gehad met de verdachte [verdachte] . Nadat het incident bij de politie werd gemeld werd de verdachte op camerabeelden in de binnenstad van [plaats] gezien. Hij werd gelokaliseerd bij een horecagelegenheid in de [adres] . De verdachte werd daar aangehouden. Vlak voordat hij werd aangehouden was door een getuige gezien dat de verdachte iets op de grond liet vallen. Dit bleek een klapmes te zijn. Door de politie die daar aanwezig was werd het mes veilig gesteld. Op 18 mei 2025 werd het mes ingestuurd naar het NFI voor een DNA-onderzoek. Op 23 juni 2025 werd door het NFI gerapporteerd betreffende het DNA-onderzoek aan het mes. Op het lemmet werd weefsel en bloed aangetroffen. Het DNA in deze bemonsteringen kan afkomstig zijn van slachtoffer [benadeelde] . Bewijskracht meer dan 1 miljard. Op het heft werd een DNA-mengprofiel aangetroffen waarvan het DNA afkomstig kan zijn van minimaal twee personen, verdachte [verdachte] en minimaal één onbekende persoon.
Goed
Goednummer: PL0100-2025114219-1825428
Uniek Voorwerp Nummer: [nummer]
Object: Steekwapen (Mes)
Kleur: Bruin
Spoor identificatienummer: [nummer]
Inhoud/specificatie: Klapmes met houten heft
2. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaksnummer 2025.05.23.132, van 23 juni 2025, opgemaakt door ing. J.H.C. Gits, op de door haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen als aanvullend proces-verbaal bij het procesdossier:
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 8.198,39 ingediend, bestaande uit een bedrag van € 1.198,39 aan materiële schade en € 7.000,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 1.088,39 aan materiële schade. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.
Materiële schade
De vordering van de benadeelde partij bestaat uit de navolgende materiële schadeposten:
Totaal € 1.198,39
Met betrekking tot de gevorderde schadeposten ‘dagopname ziekenhuis’, ‘reiskosten ziekenhuis’ en ‘kosten ambulance’ is het hof van oordeel dat er een voldoende rechtstreeks verband bestaat tussen deze schadeposten en het bewezenverklaarde feit. Dat houdt in dat het hof deze onderdelen van de vordering zal toewijzen. Het hof kan op basis van de onderbouwing en de inhoud van het strafdossier niet vaststellen of de opgegeven kleding, de kleding is die daadwerkelijk is beschadigd door het bewezenverklaarde handelen van verdachte. Omdat het evident is dat er door de steekverwonding wel kleding van de benadeelde partij is beschadigd, maakt het hof gebruik van haar schattingsbevoegdheid en schat het hof deze schade op een bedrag van € 100,00 en wijst het de rest af.
Immateriële schade
Op de zitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Die schade bestaat uit lichamelijk letsel zoals bedoeld in artikel 6:106, onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Uit de onderbouwing bij de ingediende vordering volgt dat de benadeelde partij nog steeds zenuwschade ervaart en een ontsierend litteken als gevolg van de steekwond heeft. Deze schade is de verdachte rechtstreeks toe te rekenen.
Het hof heeft acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. Die Rotterdamse schaal geeft als richtsnoer ten aanzien van littekens, in de lichtste categorie, waarbij sprake is van een duidelijk zichtbaar litteken, een bedrag gelegen tussen € 1.500,00 en € 5.500,00.
Gelet op de aard en ernst van het letsel en de mate waarin het litteken zichtbaar is, acht het hof een bedrag van € 2.000,00 aan immateriële schade billijk.
Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag wordt toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 mei 2025. Het meer gevorderde wijst het hof af.
Eigen schuld
De raadsvrouw heeft bepleit dat de benadeelde partij zelf schuld heeft aan het ontstaan van de schade en dat het uitzoeken van de mate van eigen schuld een te grote belasting oplevert van het strafgeding zodat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het hof ziet echter geen redenen om te twijfelen aan de beschrijving van het incident door de benadeelde partij. Te meer nu de gang van zaken ook door zijn broer is bevestigd. Daaruit (en uit de beelden in het dossier) volgt dat er kennelijk een mondeling conflict bestond tussen de broer van de benadeelde partij en verdachte en niet tussen de benadeelde partij en verdachte. Daarnaast betekent een dergelijk (verbaal) conflict niet dat sprake is van eigen schuld aan het worden neergestoken door verdachte. Het hof verwerpt dan ook het verweer dat de benadeelde partij zelf schuld heeft aan het ontstaan van de schade.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 18-284583-23
Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 18 juni 2024 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, parketnummer 18-284583-23. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Ter zitting heeft de advocaat-generaal primair gevorderd de vordering na voorwaardelijke veroordeling geheel toe te wijzen. Subsidiair heeft de advocaat-generaal verzocht de vordering voor een deel van 4 maanden gevangenisstraf toe te wijzen, en dat deel om te zetten in een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.
Op de zitting van het hof is gebleken dat verdachte na jaren waarin hij veel tijd in detentie doorbracht en geen inkomsten had, inmiddels – anders dan tijdens eerdere reclasseringstoezichten – hulp lijkt te aanvaarden. Zo ontvangt hij een bijstandsuitkering en staat hij op de wachtlijst voor [instelling] vanuit het Leger des Heils. Daarnaast is het Forensisch Wij-team betrokken bij verdachte om zijn leven na detentie op te bouwen. Verder wordt het gezin van verdachte (vriendin en kinderen) gemonitord door het Zorg- en Veiligheidshuis en gaat hij bij [instelling] in gesprek over – onder andere – zijn agressieregulatie. Verdachte heeft op de zitting aangegeven dat hij ontvankelijk is voor hulpverlening en dat hij sinds het opstarten van de hulpverlening in februari 2026 de juiste kant opgaat. Het hof ziet een voorzichtige bevestiging daarvan in verdachte’s strafblad. Sinds de hulpverlening is opgestart, is verdachte niet opnieuw in contact met politie en of justitie gekomen.
Het hof ziet, gelet op de hiervoor beschreven positief gewijzigde persoonlijke omstandigheden van verdachte, aanleiding om niet de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde straf te bevelen, maar in plaats van de helft van de voorwaardelijk opgelegde straf de tenuitvoerlegging te gelasten van een taakstraf van 240 uren, te vervangen door 120 dagen (4 maanden) hechtenis wanneer die taakstraf niet of niet goed wordt uitgevoerd.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de vordering tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.088,39 (drieduizend achtentachtig euro en negenendertig cent) bestaande uit € 1.088,39 (duizend achtentachtig euro en negenendertig cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van €
110,00 (honderdtien euro) aan materiële schade af.
Wijst de vordering tot immateriële schade van de benadeelde partij voor het overige af.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.088,39 (drieduizend achtentachtig euro en negenendertig cent) bestaande uit € 1.088,39 (duizend achtentachtig euro en negenendertig cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 2 mei 2025.
Gelast in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 18 juni 2024 met parketnummer 18-284583-23, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 8 maanden, met een proeftijd van 3 jaren, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. L. Pieters, mr. J.A.M. Kwakman en mr. R. Godthelp, in aanwezigheid van de griffier mr. G.A.G. van Essen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 28 augustus 2026.