[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het hiervoor genoemde vonnis
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 14 augustus 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. W.B.O. van Soest, en de advocaat van de benadeelde partij [benadeelde] , mr. R. Schreudering, hebben aangevoerd.
Het vonnis
Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de rechtbank:
Het hof komt weliswaar tot dezelfde bewezenverklaring, maar gebruikt daarvoor gedeeltelijk andere bewijsmiddelen. Daarnaast legt het hof aan verdachte een andere straf op. Het hof vernietigt daarom om doelmatigheidsredenen het gehele vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij, op of omstreeks 23 september 2022 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen voornoemde [benadeelde] meermalen met een hamer heeft geslagen op de benen, armen en/of torso, althans op het lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Opsomming van bewijsmiddelen
Het hof volstaat ten aanzien van het hierna bewezenverklaarde feit met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het feit in hoger beroep duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door de verdediging ten aanzien van dit feit geen vrijspraak is bepleit.
Deze opgave luidt als volgt:
oktober 2022, opgenomen op pagina 37 e. v. van voornoemd dossier, inhoudend de
verklaring van [getuige] .
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van deze bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op 23 september 2022 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen voornoemde [benadeelde] meermalen met een hamer heeft geslagen op de benen, armen en torso, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:
poging tot zware mishandeling.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren. De advocaat-generaal houdt daarbij rekening met de ernst van het feit en houdt tegelijkertijd in positieve zin rekening met de in hoger beroep gewijzigde proceshouding en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit om aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, in verband met zijn proceshouding en persoonlijke omstandigheden. Een voorwaardelijke gevangenisstraf acht de raadsman niet meer passend, gelet op het tijdsverloop sinds het bewezen verklaarde feit (september 2022) en de omstandigheid dat verdachte zich sinds het bewezenverklaarde feit niet meer schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich op 23 september 2022 te [plaats] schuldig gemaakt aan een poging tot
zware mishandeling door met een hamer op verschillende delen van het lichaam van aangever te slaan. Aangever was die dag aan het werk als vrachtwagenchauffeur en stond op het punt om op het terrein bij de [bedrijf] te laden en lossen. Nadat even hiervoor ergens anders een verkeersruzie tussen verdachte en aangever had plaatsgevonden, is verdachte de aangever in zijn voertuig gevolgd en is hij vervolgens met een hamer in zijn hand, uit het niets op aangever af komen rennen. Het hof overweegt dat dit moment de ernst van de poging tot zware mishandeling kleurt nu het een element bevat dat duidt op voorbedachte rade. Voorbedachte raad is weliswaar niet tenlastegelegd, maar het feit dat verdachte een hamer meenam vanuit zijn auto, vervolgens aangever opzocht en toen hij hem verderop aantrof er meteen de confrontatie met aangever mee aanging is wel een strafverzwarende omstandigheid waaronder het feit is begaan. Aangever vluchtte vervolgens het magazijn van de [bedrijf] in en verdachte rende achter hem aan en sloeg, terwijl aangever op de grond lag, meermalen met een klauwhamer op hem in. Verdachte heeft op deze manier op grove wijze geweld gebruikt tegen aangever, die zich op dat moment op de grond alleen kon verdedigen door met zijn handen zijn lichaam te beschermen. Hiermee heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever.
Persoon van verdachte
Het hof heeft bij de strafoplegging verder gelet op het strafblad van verdachte van 17 juli 2026, waaruit blijkt dat hij sinds het bewezenverklaarde feit uit 2022 niet meer onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit. Dit betekent dat zijn strafblad geen strafverzwarende omstandigheid oplevert bij de strafoplegging.
Het hof houdt verder rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die op de zitting door verdachte en zijn raadsman naar voren zijn gebracht. Verdachte heeft een vriendin en draagt mede de zorg voor hun kinderen. Door een verkeersongeval van een aantal jaren geleden ondervindt verdachte lichamelijke klachten waardoor hij nog niet volledig kan werken.
Ter zitting in hoger beroep heeft verdachte nadrukkelijk stilgestaan bij zijn manier van handelen destijds en aangegeven dat het niet zover had mogen komen, dat hij nooit naar de [bedrijf] had moeten gaan en zijn handelen fout is geweest. Verdachtes procesopstelling komt het hof oprecht en doorleefd over en wordt in strafmatigende zin meegenomen.
Op te leggen straf
Het hof is van oordeel dat vanwege de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd in beginsel ten minste een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals door de rechtbank opgelegd op zijn plaats is. Gelet op verdachte’s persoonlijke omstandigheden, het getoonde inzicht in zijn handelen, het tijdverloop en de eis van de advocaat-generaal volstaat het hof echter met oplegging van een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden en met een proeftijd van 2 jaren. Deze straf acht het hof passend en noodzakelijk. Het voorwaardelijke strafdeel is nodig om de ernst van het feit uit te drukken en kan verdachte er bovendien in de toekomst van weerhouden soortgelijke feiten te plegen.
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.219,60 ingediend, bestaande uit een bedrag van € 219,60 aan materiële schade en een bedrag van € 3.000,00 aan immateriële schade. Verder heeft de benadeelde partij een bedrag van € 112,86 aan reiskosten als proceskosten gevorderd. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding integraal toegewezen, en de gevorderde proceskosten begroot op nihil
Immateriële schade
Naar het oordeel van het hof blijkt uit de door de benadeelde partij overgelegde stukken dat hij lichamelijk letsel heeft opgelopen en dat hij op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Uit die stukken volgt dat de benadeelde partij door het handelen van verdachte gedurende langere tijd last heeft gehad van psychische gevolgen. Hij heeft te maken gehad met herbelevingen en nachtmerries. De huisarts heeft de benadeelde partij daarvoor zware slaapmedicatie voorgeschreven.
Namens verdachte is niet betwist dat de hoogte van de gevorderde immateriële schade billijk is. Op de zitting van het hof heeft verdachtes raadsman, daarnaar gevraagd, bevestigd dat het gaat om toerekenen van die schade in verband met eigen schuld.
Het hof heeft bij het schatten van de hoogte van de schade acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen. Deze Rotterdamse schaal geeft als richtsnoer ten aanzien van geestelijk letsel algemeen, categorie d ‘minder ernstig’, waarbij bepalend is de duur van de beperkingen en de mate waarin het dagelijkse leven en slaap wordt beïnvloedt, een bedrag gelegen tussen € 2.675,00 en € 4.000,00.
Gelet op de aard en ernst van het letsel en gelet op in vergelijkbare zaken door rechters toegekende bedragen acht het hof een vergoeding van € 3.000,00 billijk. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte.
Materiële schade
Met betrekking tot het gevorderde aan materiële schade à € 219,60 vanwege reiskosten die de benadeelde heeft moeten maken voor het bezoeken van het ziekenhuis, de arbodienst en zijn werkadres vanaf zijn eigen huis is het hof van oordeel dat voldoende rechtstreeks verband bestaat tussen de materiële schadepost en het bewezenverklaarde feit. De hoogte van de gevorderde materiële schade is niet door de verdediging betwist. Ook hier is alleen een eigen schuld verweer gevoerd.
Eigen schuld
Namens verdachte is aangevoerd dat de benadeelde partij ook eigen schuld heeft aan wat tussen hen is voorgevallen. Het hof begrijpt daaruit dat namens verdachte een beroep wordt gedaan op een vermindering van de vergoedingsplicht zoals bedoeld in artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek. Dit beroep kan slagen als de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend. De vergoedingsplicht wordt dan verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Er kan echter een andere verdeling plaatsvinden of de vergoedingsplicht kan geheel vervallen of in stand blijven, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist.
Tussen partijen is niet in geschil dat voorafgaand aan het bewezen verklaarde feit tussen verdachte en de benadeelde partij een verkeersruzie heeft plaatsgevonden nabij de [bedrijf] in [plaats] . Het hof sluit verder niet uit dat daarbij ook de benadeelde agressief gedrag heeft vertoond. Daarna is de benadeelde partij naar de [bedrijf] in [plaats] gereden met zijn vrachtwagen om te laden en lossen. Vervolgens heeft verdachte de route van de benadeelde partij gevolgd, heeft hij zijn auto nabij de [bedrijf] geparkeerd, heeft hij een hamer uit zijn auto gepakt en is hij naar de benadeelde partij gerend om hem te lijf te gaan met een hamer. Het hof beschouwt de verkeersruzie en de fysieke confrontatie bij de [bedrijf] als twee losstaande incidenten. Verdachte is ervoor verantwoordelijk dat hij de benadeelde partij heeft geslagen met een hamer. Het mag zo zijn dat verdachte door de voorafgaande verkeersruzie geïrriteerd en boos is geworden, maar dat is geen reden om benadeelde te volgen en hem daarna met een hamer te lijf te gaan. De schade die door de mishandeling met de hamer is ontstaan rekent het hof niet mede toe aan de eerdere verkeersruzie. Daaraan voegt het hof nog toe dat zelfs al zou er aanleiding zijn de schade daar in enige mate wel aan toe te rekenen, het volgen van benadeelde en hem vervolgens met een hamer slaan zodanig disproportioneel is dat de billijkheid eist dat de vergoedingsplicht geheel in stand blijft. Het hof concludeert dan ook dat verdachte volledig verantwoordelijk is voor de toegebrachte schade als gevolg van het bewezen verklaarde feit en verwerpt het verweer van de verdediging.
Gelet op het voorgaande zal het hof de gevorderde materiële en immateriële schadevergoeding toewijzen. Er is wettelijke rente gevorderd “vanaf het moment van ontstaan van de schade”. Het hof bepaalt dat moment voor de immateriële schade op 23 september 2022. Ten aanzien van de materiële schade heeft benadeelde geen concrete dag opgegeven. Het hof sluit daarom aan bij de dag van datering van de ingediende vordering, te weten 10 oktober 2024.
Proceskosten
De benadeelde partij heeft ook vergoeding van proceskosten gevorderd ter hoogte van € 112,86, bestaande uit reiskosten voor het bijwonen van de zitting in eerste aanleg. Aangezien de benadeelde partij zich in eerste aanleg ter terechtzitting heeft laten bijstaan door zijn advocaat mr. R. Schreudering, en aldus niet ‘in persoon’ heeft geprocedeerd, komt hem op grond van het bepaalde in artikel 238, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in onderlinge samenhang bezien, geen vergoeding voor reiskosten op dit punt toe. Het hof wijst de vordering tot vergoeding van deze proceskosten dan ook af en stelt de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij vast op nihil.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.219,60 (drieduizend tweehonderdnegentien euro en zestig cent) bestaande uit € 219,60 (tweehonderdnegentien euro en zestig cent) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.219,60 (drieduizend tweehonderdnegentien euro en zestig cent) bestaande uit € 219,60 (tweehonderdnegentien euro en zestig cent) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 32 (tweeëndertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 10 oktober 2024 en voor de immateriële schade op 23 september 2022.
Dit arrest is gewezen door mr. E.W. van Weringh, mr. L. Pieters en mr. R. Godthelp, in aanwezigheid van de griffier mr. G.A.G. van Essen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 28 augustus 2026.