[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1973 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het hiervoor genoemde vonnis.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van het hof van 18 augustus 2026 en het onderzoek op de zitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
- bevestiging van het vonnis van de rechtbank, met dien verstande dat ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij ook het bedrag van € 2.357,50 aan mantelzorgkosten wordt toegewezen en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens de verdachte door haar raadsvrouw, mr. J.H. Rump, en de advocaat van de benadeelde partij, [Slachtoffer 1] , is aangevoerd.
Het vonnis
De rechtbank heeft bij vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte voor de onder 1 (medeplegen ontucht met haar minderjarige zoon) en 2 (ontucht met haar minderjarige zoon) ten laste gelegde feiten veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren.
De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [Slachtoffer 2] hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 4.799,79 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de rechtbank een bedrag van € 5.000,00 toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
Het hof komt in dit arrest tot andere beslissingen ten aanzien van het bewijs en de strafmaat dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.zij in of omstreeks de periode van 4 maart 2007 tot en met 3 maart 2018 te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ontucht heeft gepleegd met haar/hun minderjarig kind, [Slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] door
- in het bijzijn en/of in de directe nabijheid van die [Slachtoffer 2] seksuele handelingen met elkaar te plegen en/of (vervolgens) die [Slachtoffer 2] bij hen, verdachten, in bed te roepen en/of
- de penis van die [Slachtoffer 2] af te trekken en/of te betasten en/of
- de penis van die [Slachtoffer 2] in zijn, verdachtes, mond te brengen en/of te houden en/of heen en weer bewegen;
2.zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 maart 2005 tot en met 3 maart 2010 te [plaats] , althans in Nederland, ontucht heeft gepleegd met haar minderjarig kind, [Slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] , door
- de penis van die [Slachtoffer 2] in haar, verdachtes, vagina te laten brengen en/of heen en weer laten bewegen en/of
- haar vulva en/of clitoris te laten likken en/of te laten betasten door die [Slachtoffer 2] .
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Met de letter V wordt in deze verslaglegging bedoeld, de Verhoorder. ( [verbalisant] )
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van feit 1 en 2. Hiertoe heeft zij ten aanzien van feit 1 (medeplegen ontucht) aangevoerd dat verdachte de feitelijke handelingen heeft bekend en dat van drang of dwang daarbij door de mededader (inmiddels onherroepelijk veroordeeld) niet is gebleken. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het eenmaal ontucht plegen met haar zoon tezamen en in vereniging met de mededader, haar toenmalige partner. Daarnaast heeft zij zich als pleger tweemaal schuldig gemaakt aan ontucht met haar zoon. De advocaat-generaal vordert bewezenverklaring van beide feiten overeenkomstig de beslissing van de rechtbank.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van het eerste ten laste gelegde feit (medeplegen van ontucht). Ten aanzien van het tweede ten laste gelegde feit (ontucht door verdachte zelf) heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat voor het verwijt dat verdachte alleen, als pleger, ontucht heeft gepleegd met aangever het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt. Het ene incident wordt alleen door de aangever benoemd, het andere incident alleen door de mededader. Het dossier bevat geen steunbewijs voor beide gebeurtenissen.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, zoals die hieronder zijn opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit (medeplegen ontucht)
Het hof volstaat ten aanzien van het hierna bewezenverklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig bij de politie heeft bekend. De raadsvrouw in eerste aanleg en op de zitting van het hof bevestigd dat de verdachte als volledig bekennende verdachte kan worden beschouwd en door de verdediging is ten aanzien van dit feit geen vrijspraak is bepleit.
Bewijsmiddelen
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit (ontucht door verdachte)
Het door de verdediging strekkende verweer tot vrijspraak ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit wordt weersproken door de bewijsmiddelen zoals hieronder opgenomen.
Het hof stelt vast dat verdachte de door haar gepleegde ontuchtige handelingen – anders dan door haar raadsvrouw is bepleit – bij de politie op zich heeft bekend. Verdachte heeft in de studioverhoren aangegeven dat zij werd gedwongen tot het verrichten van deze handelingen door medeverdachte. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat zij het allemaal niet heeft gewild en dat het seksueel misbruik van aangever door haarzelf en samen met medeverdachte onder dwang of door drang van medeverdachte heeft plaatsgevonden, maar deze verklaring vindt op geen enkele wijze steun in het dossier. Het hof gaat – evenals de rechtbank – uit van de verklaring zoals door aangever is afgelegd en stelt vervolgens vast dat aangever één keer door zijn ouders samen seksueel is misbruikt (feit 1) en twee keer door verdachte alleen is misbruikt (feit 2). Gelet op hetgeen door aangever en medeverdachte is verklaard, acht het hof ook het onder 2 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.
Bewijsmiddelen
1. Het naar wettelijk voorschrift opgemaakte proces-verbaal van aangifte d.d. 6 oktober 2022, opgemaakt door de politie Eenheid Oost-Nederland en opgenomen op pagina’s 10 tot en met 21 van het dossier van de politie Eenheid Oost-Nederland, met nummer PL0600-2022413026 d.d. 18 oktober 2023, inhoudende de verklaring van aangever [Slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] :
V: Van welke feiten wil je aangifte doen?
A: Dat worden 2 zaken. Dat mijn vader vanaf mijn 4e jaar tot aan mijn 20e jaar seksueel heeft misbruikt door middel van aftrekken en pijpen buiten mijn wil om. En dat mijn moeder van mijn 6e tot mijn 8e (het hof begrijpt: me) seksueel heeft misbruikt. Dat ik haar moest beffen en penetreren.
V: Waar zijn die feiten gepleegd?
A: (-). Vanaf dat ik geboren ben tot aan mijn 17e jaar op de [plaats]
V: Vertel eens alles over de eerste keer dat je misbruikt bent door je moeder.
A: Mijn moeder lag op de bank. Het was overdag. Ik was op mijn slaapkamer. Ik moest naar het toilet. Ik liep uit mijn slaapkamer richting het toilet. Ik liep langs de openstaande woonkamerdeur en zag mijn moeder op de bank liggen. Ik zag dat zij aan het masturberen was. Mijn moeder zag mij ook. Ik moest bij haar komen. Ik moest haar vagina, haar clitoris likken. Totdat zij klaarkwam. V: Hoe wist jij wat jij moest doen bij haar?
A: Ik moest op mijn knieën zitten tussen haar (het hof begrijpt: benen). Zij duwde mijn hoofd, fysiek, daar naartoe.
V: En de tweede keer met je moeder?
A: Ik weet dat ik haar gepenetreerd heb. Dat ik mijn penis in haar vagina deed. Dat is op het bed van mijn ouders geweest toen wij nog aan de Meppelerstraatweg woonden. Van het beffen was ook op ditzelfde adres, maar dan op de bank.
2. Het naar wettelijk voorschrift opgemaakte proces-verbaal van het verbatim uitgewerkte studioverhoor d.d. 16 januari 2024, opgemaakt door de politie Eenheid Oost-Nederland en opgenomen in het aanvullend dossier Stinger behorend bij het hiervoor genoemde proces-verbaal, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte (pagina’s 86 tot en met 88 en 92 tot en met 96):Met de letter G wordt in deze verslaglegging bedoeld, de Verdachte.
V Hij zei dat jij toen aan het vingeren was en dat je hem toen riep.
V Hij zegt dat dat ook hier was, (tikt met haar hand op tekening op tafel) aan de [plaats] . En dat er eigenlijk drie keer met jou wat is gebeurd, dus die keer waar we het net over hebben gehad, in de slaapkamer (wijst op tekening) maar datje daar eigenlijk euh euh....dat jij toen niks bij [Slachtoffer 2] hebt gedaan maar dat [medeverdachte] bij hem deed en dat jij daar toen bij was en dat jij aan [medeverdachte] zat terwijl dat gebeurde en hij zegt, er is ook een keer wat gebeurd in de woonkamer
V ...op de bank. En hij heeft het nog over één andere keer
G Volgens mij hing ik een beetje, zo half op de kont en half op de rug
V Half op de kont en half op de rug
G Ja, zo hangen
V Ja. En waar hing jij dan op?
G Op de bank geloof ik V Ja. En jij zegt, dat is één keer gebeurd
G Ja V En voor de dingen die hier zijn gebeurd (wijst naar tekening op tafel) weet je nog dat het 's ochtends was of 's avonds en hoe was dat toen die keer toen [Slachtoffer 2] jou likte?
G Volgens mij was dat 's avonds.... Ja... Niet fijn natuurlijk.
V Want, waarom denk je dat het 's avonds is?
G Omdat de gordijnen dicht waren
V Dat weet je nog, dat de gordijnen dicht waren?
G Ja
V Ja. Euhm…weet jij nog hoe oud [Slachtoffer 2] was toen dit gebeurde?
G ……vijf, zes, dacht ik, weet ik niet zeker
V Die keer. Ja. (bladert). Dan hebben we het eigenlijk, want daar heeft euh, [Slachtoffer 2] het inderdaad ook over gehad maar hij heeft ook nog iets verteld over iets anders wat ook op seksueel gebied is gebeurd met jou. En dat was in de slaapkamer ook bij jullie. Hier aan de [plaats] (legt haar hand op tekening op tafel) V Wat weet jij d'r nog van?
G Ieder geval, hij wou zich gaan douch'n, ik lag nog op bed. En z’n vader stond aan de andere kant
V Ja
G En dan moes hij bij mij d'r in
V Ja
G Nou, dat is gebeurd V En waar kwam hij toen vandaan? [Slachtoffer 2] ?
G Van zijn slaapkamer V Van zijn slaapkamer. En waar was jij toen?
G Op, in bed, in de slaapkamer
(…)V En toen, hoe ging dat toen verder?
G Toen moes hij bij mij naar binnen, [Slachtoffer 2] .
V Ja. Hoe oud was [Slachtoffer 2] toen?
G Kan het zo niet zeggen. Weet ik niet. Ja, zal ook wel rond vijf, zes zijn. Zeuven? Nee, vijf, zes. V En euhm.... hoe wist [Slachtoffer 2] wat die moest doen?
G Dat wordt allemaal door zijn vader gezegd.
V Wat zegt die dan, wat zegt [medeverdachte] dan?
G .(snikt).Nou.(snikt).(huilt).Dat hij een beetje op en neer moest en zo.
V Nee. Hoe stopte dat? Hoe stopte dat die keer?
G (snikt) We hadden wel, ja, ene keer dat ik [Slachtoffer 2] van me afduw en andere keer ging hij van me zelf af.
V Ja. Want hoe vaak is dat gebeurd?
G .(snift).Twee keer
V Tweer keer. En het likken dan, hoe vaak is dat gebeurd?
G Eén keer
V Nee. Dat euh [Slachtoffer 2] met zijn piemeltje in jouw vagina ging, dat is twee keer gebeurd, zeg jij
G Ja
V En jij hebt verteld over één keer, toen was hij…. hoe oud?
G ….Vijf, zes.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
1.zij in de periode van 4 maart 2007 tot en met 3 maart 2010 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een andere, ontucht heeft gepleegd met hun minderjarig kind, [Slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] door
- in de directe nabijheid van die [Slachtoffer 2] seksuele handelingen met elkaar te plegen en (vervolgens) die [Slachtoffer 2] bij hen, verdachten, in bed te roepen en
- de penis van die [Slachtoffer 2] af te trekken en te betasten en
- de penis van die [Slachtoffer 2] in haar, verdachtes, mond te brengen en te houden en heen en weer bewegen;
2.zij op meer tijdstippen in de periode van 4 maart 2005 tot en met 3 maart 2010 te [plaats] , ontucht heeft gepleegd met haar minderjarig kind, [Slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] , door
- de penis van die [Slachtoffer 2] in haar, verdachtes, vagina te laten brengen en heen en weer laten bewegen en
- haar vulva en clitoris te laten likken en te laten betasten door die [Slachtoffer 2] .
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:
medeplegen van ontucht plegen met haar minderjarig kind.
Het onder 2 bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:
ontucht plegen met haar minderjarig kind, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten – conform de beslissing van de rechtbank – gezien de aard en de ernst van de feiten een gevangenisstraf opgelegd dient te worden van 3 jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en te volstaan met oplegging van een taakstraf, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf, zonder bijzondere voorwaarden. De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder haar fysieke en mentale beperkingen en huidige 24-uurs zorgbehoefte. De raadsvrouw heeft ook aangevoerd dat de feiten verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend in verband met haar verstandelijke beperking. Ook heeft ze gewezen op de omstandigheid dat verdachte first offender is en dat sprake is van een laag recidiverisico.
Oordeel van het hof
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit feit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek op de zitting is gebleken. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in ogenschouw genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen en medeplegen van ontuchtige handelingen bij haar minderjarige zoon. Het slachtoffer was destijds zeer jong en groeide mede door toedoen van verdachte, zijn moeder, op in een bijzonder onveilige situatie. Hiermee heeft zij ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van haar zeer jonge zoon en is een normale en gezonde seksuele ontwikkeling, waar ieder kind recht op heeft, ruw verstoord.
Het onvoorwaardelijke vertrouwen dat een kind in zijn ouders zou moeten kunnen stellen, van wie hij volledig afhankelijk is, is op grove wijze door verdachte en de vader van haar zoon, beschaamd. Het is de verantwoordelijkheid van een moeder (net zoals die van een vader) om haar kind een veilige, geborgen plaats te bieden. Juist omdat het misbruik thuis plaatsvond, is haar zoon mede door haar toedoen die veiligheid gedurende lange tijd niet geboden. Hoewel het duidelijk is dat de vader van aangever vaak en gedurende een hele lange periode seksueel misbruik heeft gemaakt van zijn zoon, heeft ook verdachte, een belangrijke bijdrage geleverd aan de onveilige thuissituatie van haar zoon, al gaat het bij haar om 3 voorvallen van langer geleden.
Jonge slachtoffers van ontucht ondervinden in de regel nog geruime tijd de (psychische) gevolgen van wat hun is aangedaan. Verdachte’s zoon zal wat hem is overkomen zijn hele leven met zich meedragen. Het hof heeft op de zitting waargenomen dat de gebeurtenissen hem diep hebben getroffen en beschadigd en hij hier tot op heden de gevolgen van ondervindt. Zo heeft hij ter zitting indringend naar voren gebracht dat hij kampt met een complexe posttraumatische stressstoornis, psychiatrische behandeling heeft ondergaan en de afgelopen jaren door het seksuele misbruik door zijn ouders meerdere suïcidepogingen heeft ondernomen
Dit alles maakt dat het gaat om ernstige feiten die bovendien in de samenleving gevoelens van afschuw en verontwaardiging oproepen. Kinderen moeten bij hun ouders veilig zijn.
Vanwege de aard en de ernst van de feiten is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend is. Bij het bepalen van de hoogte daarvan heeft het hof om te beginnen gekeken naar een uitdraai van het strafblad van verdachte van 21 juli 2026. Daaruit blijkt dat zij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit. Het strafblad heeft dus geen invloed op de strafmaat.
Het hof heeft verder acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals op de zitting van het hof door de raadsvrouw naar voren zijn gekomen. Verdachte kampt met verschillende fysieke en psychische aandoeningen. Verdachte is beperkt in haar mobiliteit en daardoor aangewezen op de hulp van derden voor het aan- en uitkleden, verschonen en het spoelen en vervangen van haar stoma. Zij verblijft in een 24-uurs woon-/ zorgvoorziening met WIZ-indicatie niveau 8, het hoogste niveau. Daarnaast heeft het hof acht geslagen op de over haar opgemaakte Pro Justitia rapportage. Daarin wordt door drs. [psycholoog] , klinisch psycholoog, geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een licht verstandelijke beperking, een posttraumatische stressstoornis, deels in remissie na behandeling en onrijpe, vermijdende en afhankelijke persoonlijkheidskenmerken. Als gevolg van haar verstandelijke beperkingen is verdachte beïnvloedbaar en weinig weerbaar en schieten de copingvaardigheden van verdachte tekort in het omgaan met moeilijke situaties, aldus de deskundige. Naar eigen zeggen heeft het feit dat verdachte zelf seksueel is misbruikt en daardoor getraumatiseerd is, juist voor weerstand gezorgd om de ontuchtige handelingen te plegen. Er wordt voor de deskundige geadviseerd om de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Het hof zal dit advies overnemen. Ook heeft het hof gelet op het reclasseringsadvies van 17 juli 2026, waarin wordt geconcludeerd dat sprake is van een laag recidiverisico en wordt geadviseerd tot oplegging van een straf zonder bijzondere voorwaarden.
Het standpunt van de verdediging – kort gezegd – dat verdachte vanwege al haar fysieke beperkingen in detentie niet de juiste zorg zal krijgen, is naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. Duidelijk is dat verdachte met aanzienlijke gezondheidsproblemen kampt, maar niet is gebleken dat verdachte volledig detentieongeschikt is. De selectiefunctionaris kan aan verdachte een geschikte detentieplaats toewijzen dan wel kan in het kader van de executie van de gevangenisstraf (wanneer geïndiceerd) nader onderzoek doen naar de eventuele detentieongeschiktheid op dat moment. Het hof ziet in de gezondheidssituatie van verdachte daarom geen reden om een andere strafmodaliteit dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Wel constateert het hof dat de medische situatie van verdachte verslechterd is sinds de zitting in eerste aanleg. De gevangenisstraf zal – gelet op deze medische situatie – extra belastend voor verdachte zijn. Het hof ziet ook hierin aanleiding om een kortere gevangenisstraf op te leggen.
Ten slotte stelt het hof ook vast, zonder op enige wijze afbreuk te doen aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de nog steeds voelbare gevolgen daarvan voor aangever, inmiddels 16 jaar zijn verstreken sinds de door verdachte gepleegde feiten. Ook hierin ziet het hof aanleiding tot enige strafmatiging.
Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren passend en noodzakelijk.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering van de benadeelde partij [Slachtoffer 2]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 59.657,29, waarvan een bedrag van € 7.157,29 aan materiële schade, bestaande uit;
Verder vordert de benadeelde partij € 52.500,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft materiële schade toegewezen tot een bedrag van € 4.799,79. Ten aanzien van het resterende deel van de gevorderde materiële schade, te weten de post mantelzorg heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade toegewezen. Ten aanzien van het overige deel van de gevorderde immateriële schade heeft de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zijn vordering in hoger beroep gehandhaafd zodat die weer in volle omvang bij het hof voorligt.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen tot een bedrag van € 12.157,19, bestaande uit de gehele gevorderde materiële schade ter hoogte van € 7.157,29 en een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schade.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van het vaststellen van de hoogte van de geleden schade. De raadsvrouw heeft het hof verzocht om de vordering niet hoofdelijk toe te wijzen, gelet op het verschil in rol en aandeel tussen verdachte en medeverdachte.
Oordeel van het hof
Materiele schade
Het hof stelt vast dat uit het onderzoek op de zitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Het hof is van oordeel dat de gevorderde reiskosten, die blijken te zijn gemaakt door [Slachtoffer 3] , kunnen worden toegewezen als verplaatste schade als bedoeld in artikel 6:107, eerste lid onder a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Deze schade is voldoende onderbouwd, kan ook namens de benadeelde partij voor [Slachtoffer 3] worden gevorderd en is door de raadsvrouw niet betwist. Dit zijn kosten die door [Slachtoffer 3] zijn gemaakt ten behoeve van de benadeelde partij en die hij, als hij deze kosten zelf zou hebben gemaakt, had kunnen vorderen. Deze schadepost wordt geheel toegewezen voor het bedrag van € 1.453,71. Ten aanzien van de medische kosten stelt het hof vast dat deze kostenpost voldoende aannemelijk is gemaakt en niet is betwist door de raadsvrouw. Het hof wijst deze post volledig toe voor een bedrag van € 3.346,08.
Ten aanzien van de kostenpost mantelzorg is het hof van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat hier sprake is van rechtstreekse schade van het slachtoffer. In zoverre verklaart het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.
Verdachte heeft het onder 1 bewezenverklaarde feit samen met een ander gepleegd. Zij zijn samen naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk voor de schade ad € 4.799,79. Het hof bepaalt daarom dat wanneer de schadevergoeding met betrekking tot de materiële schade door de mededader is betaald, de verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.
Immateriële schade
Voor wat betreft de gevorderde immateriële schadevergoeding overweegt het hof als volgt.
Artikel 6:106 van het BW somt limitatief de gevallen op waarin een persoon recht heeft op vergoeding van immateriële schade door onrechtmatig handelen. Dit is onder meer zo wanneer sprake is van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Hiervan is in ieder geval sprake als de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Daarbij geldt dat de aard en de ernst van de bewezenverklaarde normschending kunnen meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo zeer voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon – ook zonder nadere onderbouwing – kan worden aangenomen.
Het hof is in dit geval van oordeel dat uit de aard en de ernst van de normschending en de ernstige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij volgt dat sprake is van een ‘aantasting in de persoon op andere wijze’. De benadeelde partij is door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte op zeer jonge leeftijd ernstig in zijn lichamelijke integriteit aangetast doordat hij slachtoffer is geworden van seksueel misbruik door zijn moeder. Het handelen van verdachte heeft het leven van de benadeelde partij getekend en – zo blijkt uit de toelichting gegeven op de zitting bij het hof – beïnvloedt zijn leven tot op de dag van vandaag. Uit de stukken volgt dat hij als gevolg van het seksueel misbruik door zijn ouders (en dus ook door het strafbare handelen van zijn moeder) een complexe posttraumatische stressstoornis heeft opgelopen waarvoor hij onder andere traumatherapie heeft moeten ondergaan.
Het hof heeft de omvang van de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid vastgesteld. Daarbij is rekening gehouden met alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder de aard en de ernst van de aantasting in de persoon, de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen en de bedragen zoals opgenomen in de ‘Rotterdamse Schaal’. Gelet op de beperkte rol van verdachte ten opzichte van de rol van de mededader acht het hof een bedrag van € 5.000,00 aan smartengeld billijk. Het hof wijst de vordering tot immateriële schade voor dat bedrag (niet hoofdelijk) dan ook toe. Het overige deel van de vordering wijst het hof af.
Het hof concludeert dat verdachte een bedrag van € 4.799,79 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade aan de benadeelde partij moet vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf na te melden datum.
Gelet op het vorenstaande wordt verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof ook de schadevergoedingsmaatregel op.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 47, 57 en 249 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren.
Vordering van de benadeelde partij [Slachtoffer 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [Slachtoffer 2] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 9.799,79 (negenduizend zevenhonderdnegenennegentig euro en negenenzeventig cent) bestaande uit € 4.799,79 (vierduizend zevenhonderdnegenennegentig euro en negenenzeventig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 47.500,00 (zevenenveertigduizend vijfhonderd euro) aan immateriële schade af.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Bepaalt dat verdachte voor de materiële schade met de mededader hoofdelijk aansprakelijk is en voor de immateriële schade persoonlijk aansprakelijk is.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [Slachtoffer 2] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 9.799,79 (negenduizend zevenhonderdnegenennegentig euro en negenenzeventig cent) bestaande uit € 4.799,79 (vierduizend zevenhonderdnegenennegentig euro en negenenzeventig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 73 (drieënzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 1 januari 2024 en van de immateriële schade op 3 maart 2010.
Dit arrest is gewezen door mr. Z.J. Oosting, mr. M.C. Fuhler en mr. R. Godthelp, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.A. Norden en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 1 september 2026.