ECLI:NL:GHARL:2026:5629

ECLI:NL:GHARL:2026:5629

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 01-09-2026
Datum publicatie 01-09-2026
Zaaknummer 21-004519-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Veroordeling van verdachte ter zake van mishandeling tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, proeftijd 3 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden. Het hof ziet onvoldoende concrete aanwijzingen of aanknopingspunten die wijzen op het geheel ontbreken van ieder inzicht in het handelen bij verdachte. Het feit wordt verdachte verminderd toegerekend. Geen toepassing van art. 9a Sr.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1999 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het hiervoor genoemde vonnis.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van het hof van 18 augustus 2026.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en haar raadsman, mr. E.D. van Tellingen hebben aangevoerd. Ook heeft het hof kennisgenomen van wat de benadeelde partij [benadeelde] en haar advocaat, mr. M. Rotgans, naar voren hebben gebracht.

Het vonnis

De politierechter heeft bij vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, waarvan 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de politierechter bijzondere voorwaarden opgelegd, te weten een contact- en locatieverbod.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde] heeft de politierechter volledig toegewezen (€ 1.250,00), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof vernietigt het vonnis en doet opnieuw recht, omdat in deze zaak geen proces-verbaal van de zitting is opgemaakt. Daarmee is niet voldaan aan de wettelijke eis dat het mondeling vonnis wordt aangetekend in het proces-verbaal van zitting, als bedoeld in artikel 378 van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 2 juli 2025 te [plaats] [benadeelde] heeft mishandeld, door die [benadeelde]

- aan haar haren te trekken en/of

- tegen haar lichaam en/of hoofd te slaan en/of te schoppen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de aangifte – waaruit volgt dat verdachte agressief op aangeefster afkwam – wordt ondersteund door de getuigenverklaringen in het dossier. De agressie is op geen enkele wijze vanuit aangeefster gekomen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat verdachte geen opzet had op het mishandelen van aangeefster, omdat zij destijds in een tijdelijk psychose verkeerde. Verdachte was hierdoor niet goed in staat de realiteit waar te nemen.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat de ten laste gelegde mishandeling wettig en overtuigend kan worden bewezen op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in een eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen wanneer tegen dit arrest cassatie wordt ingesteld. Het hof heeft geen redenen om aan de juistheid van betrouwbaarheid van die bewijsmiddelen te twijfelen.

In aanvulling hierop overweegt het hof nog als volgt.

Op 2 juli 2025 bevonden verdachte en aangeefster die elkaar niet kenden zich in [plaats] op verschillende plekken in de bus, terwijl verdachte aan het schreeuwen was. Op het moment dat aangeefster uitstapte, stapte verdachte ook uit. Uit het niets heeft verdachte vervolgens aangeefster fysiek aangevallen.

Het hof stelt vast dat er op basis van het dossier zeker aanwijzingen zijn voor persoonlijkheidsproblematiek bij verdachte, maar deze reiken niet zo ver dat daardoor het opzet bij verdachte op het toebrengen van letsel bij aangeefster volledig ontbrak. Hoewel verdachte mogelijk in beperkte mate inzicht had in haar eigen handelen vanwege haar psychische toestand, is het hof van oordeel dat de verklaring door verdachte op zitting bij het hof afgelegd (waaronder onder andere “als iemand slaat, kan je terugslaan”) en het dossier geen aanleiding geven dat het inzicht in haar handelen op dat moment volledig ontbrak.

Verdachte kampte destijds met psychische problematiek. Duidelijk mag zijn dat zij (destijds) in een andere werkelijkheid leefde, maar verdachte was zich wel bewust van wat zij deed. Het hof stelt vast dat verdachte degene is geweest die aangeefster – uit het niks – heeft aangevallen. Verdachte heeft op de zitting van het hof verklaard dat aangeefster (te) dicht bij haar ging staan, waarop zij aangeefster sommeerde afstand te nemen. Verdachte heeft verklaard dat toen aangeefster geen afstand nam, zij degene is geweest die haar heeft geslagen.

Gelet op voorgaande stelt het hof vast dat er bij verdachte opzet bestond op het toebrengen van letsel bij aangeefster. Het hof acht de ten laste gelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen en verwerpt het vrijspraakverweer.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

zij op 2 juli 2025 te [plaats] [benadeelde] heeft mishandeld, door die [benadeelde]

- aan haar haren te trekken en

- tegen haar lichaam en hoofd te slaan en te schoppen.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van verdachte

De verdediging vindt dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Ten tijde van de ten laste gelegde gedragingen verkeerde verdachte in een psychose waardoor zij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor haar gedragingen, aldus de raadsman.

Oordeel van het hof

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de bewezenverklaarde gedragingen in strafrechtelijke zin aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Uit het dossier volgt dat bij verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit mogelijk sprake was een psychotisch toestandsbeeld. Zo maakte zij tijdens haar verhoor bij de politie een verwarde indruk, beleefde zij een andere perceptie van de werkelijkheid en werd zij aansluitend bij een GGZ-instelling opgenomen. Ook tijdens de zitting bij het hof heeft het hof nog een psychisch kwetsbare vrouw gezien.

Uit door de raadsman overgelegde stukken, blijkt dat bij verdachte sprake is van een psychiatrische voorgeschiedenis met psychotische episoden, waarbij sprake kan zijn van agressie naar derden. In het verleden is een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis vastgesteld en is sprake geweest van gedwongen behandelkaders.

Het hof stelt vast dat verdachte ten tijde van de ten laste gelegde gedragingen leed aan persoonlijkheidsproblematiek, maar ziet op basis van het dossier onvoldoende concrete aanwijzingen of aanknopingspunten die wijzen op het geheel ontbreken van ieder inzicht in het handelen bij verdachte. Wel concludeert het hof dat het bewezenverklaarde feit hierdoor in verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. Het hof acht verdachte in zoverre dus – anders dan de raadsman – wel strafbaar.

Oplegging van straf

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis, met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden waaronder een contact- en locatieverbod zoals opgelegd door de politierechter.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – indien het hof tot een bewezenverklaring komt – primair verzocht te volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf, subsidiair heeft de raadsman verzocht een geheel voorwaardelijke straf op te leggen en hierbij aansluiting te zoeken bij de eis van de advocaat-generaal.

Oordeel van het hof

De hierna genoemde strafoplegging is in overeenstemming met de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit feit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek op de zitting van het hof is gebleken. Daarbij heeft het hof in bijzonder het navolgende in ogenschouw genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een forse mishandeling door aan de haren van aangeefster te trekken, haar tegen het lichaam en hoofd te slaan en door haar te schoppen. Door haar optreden heeft verdachte uit het niets een enorme inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer waardoor zij pijn en letsel heeft ondervonden. Bovendien draagt dit soort geweld op de openbare weg met toeschouwers bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Uit het dossier, de van het dossier deel uitmakende slachtofferverklaring van aangeefster en de door de raadsvrouw van de benadeelde partij gegeven toelichting op de zitting van het hof blijkt dat aangeefster niet alleen pijn en letsel heeft ervaren, maar vanwege de aanval uit het niets ook veel angst. Ze is erg geschrokken van dit voorval. Aangeefster ervaart hierdoor tot op heden angst om over straat te gaan.

Taakstraf

Kijkend naar de aard en de ernst van het feit en naar de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd, vindt het hof in deze zaak het opleggen van een taakstraf passend. Voor het bepalen van de hoogte daarvan heeft het hof om te beginnen gekeken naar een uitdraai van verdachtes strafblad van 21 juli 2026. Daaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, maar niet voor een soortgelijk feit. Haar strafblad levert dus geen strafverzwarende omstandigheid op bij de strafoplegging.

In strafmatigende zin houdt het hof rekening met de verminderde toerekenbaarheid van verdachte. Verdachte kampt al lange tijd met psychische problematiek ook ten tijde van het bewezenverklaarde feit.

Bijzondere voorwaarden

Verdachte heeft verklaard niet goed tegen alcohol te kunnen en hier gedrag- en/of agressieproblemen door te krijgen en op dit moment ondanks haar psychische kwetsbaarheid geen antipsychotica te slikken. Om het plegen van toekomstige strafbare feiten te voorkomen, acht het hof het onder deze omstandigheden noodzakelijk om aan verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen en daar bijzondere voorwaarden aan te koppelen: namelijk een meldplicht en urinecontroles, uitgevoerd door de reclassering Nederland. Met behulp van de reclassering kan verdachte verder werken aan een stabiel leven. Daarnaast acht het hof een locatie- en contactverbod met aangeefster noodzakelijk. Het locatieverbod houdt in dat verdachte zich niet zal bevinden in de [Straat] en de [Straat 2] te [plaats] , beide voor het gedeelte aan de linkerzijde/ten westen van de kruising met de [Straat 3] , en ook het gedeelte van de [Straat 3] dat zich tussen deze twee straten bevindt. Zo kan verdachte haar moeder, die woonachtig is aan de [Straat] net buiten dit gebied, blijven bezoeken.

Geen art. 9a Sr (schuldigverklaring zonder oplegging van straf)

Uit hetgeen is aangevoerd en gebleken ter zitting constateert het hof dat niet kan worden volstaan met een schuldigverklaring zonder toepassing van straf of maatregel. Gelet op de aard en ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit feit is begaan, is het hof van oordeel dat een (deels) onvoorwaardelijke taakstraf – zoals opgelegd door de politierechter – in beginsel passend en noodzakelijk is. Het hof ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding om de taakstraf geheel voorwaardelijk op te leggen, met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals hierboven omschreven. Het hof komt tot oplegging van een voorwaardelijke taakstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.250,00, geheel bestaande uit immateriële schade. De politierechter heeft de gehele vordering toegewezen. De benadeelde partij heeft haar vordering in hoger beroep gehandhaafd.

Naar het oordeel van het hof is voldoende vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde strafbare handelen van verdachte. Sprake is van schade in de vorm van lichamelijk letsel en schade door aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, zoals bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. De aard en de ernst van de mishandeling en in dit verband relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde partij, zoals uiteengezet in de onderbouwing van de vordering, liggen in dit geval (een onverhoedse forse mishandeling uit het niets) zo zeer voor de hand dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

Gelet op de specifieke omstandigheden die in deze zaak aan de orde zijn, is het hof van oordeel dat een bedrag van € 500,00 billijk is. Hierbij is rekening gehouden met beslissingen in soortgelijke zaken.

Het hof stelt de immateriële schade naar billijkheid vast op een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade. Verdachte moet dit bedrag aan de benadeelde vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf na te melden datum. De rest van de vordering wordt afgewezen.

Gelet op vorenstaande dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel gedurende de proeftijd de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt en dat zij zich houdt aan de aanwijzingen die de reclassering haar geeft, voor zover niet in andere voorwaarden reeds opgenomen;

- dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zal meewerken aan urineonderzoek uitgevoerd door de reclassering om het alcoholgebruik te beheersen. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd. Dit kunnen zowel aangekondigde als onaangekondigde controles zijn;

- dat de veroordeelde op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde] (geboren [geboortedatum 2] 2008 in [geboorteplaats] );

- dat de veroordeelde zich niet zal bevinden in het volgende gebied in [plaats] : de [Straat] en de [Straat 2] , beide voor het gedeelte aan de linkerzijde/ten westen van de kruising met de [Straat 3] , alsmede het gedeelte van de [Straat 3] dat zich tussen deze twee straten bevindt, zolang het openbaar ministerie dit noodzakelijk acht.

Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:

- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;

Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 500,00 (vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 500,00 (vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 5 (vijf) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 2 juli 2025.

Dit arrest is gewezen door mr. M.C. Fuhler, mr. Z.J. Oosting en mr. R. Godthelp, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.A. Norden en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 1 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand