ECLI:NL:GHARL:2026:5644

ECLI:NL:GHARL:2026:5644

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 04-09-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer 21-003054-25
Rechtsgebied Strafrecht; Strafprocesrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Infractie aan de voorwand van de sinus maxillaris is geen zwaar lichamelijk letsel. Immateriële schadevergoeding conform Rotterdamse schaal.

Uitspraak

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Utrecht, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 7 juli 2025 met parketnummer 16-296699-24 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2002 in [geboorteplaats] ,

[adres] .

Hoger beroep

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 augustus 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J-H.L.C.M. Kuijpers, en de benadeelde partij en zijn advocaat, mr. J. Bredius, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De politierechter heeft de verdachte ter zake van mishandeling, met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend, veroordeeld tot een taakstraf van honderdtwintig (120) uren. Daarnaast is de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde] , gedeeltelijk toegewezen.

Het hof komt in dit arrest tot een andere beslissing over het bewijs en de straf dan de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 5 maart 2023 te [plaats] , gemeente [gemeente] , [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] (met gebalde vuist) in het gezicht te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een infractie van de voorwand van de sinus maxillaris ten gevolge heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend. Het dossier biedt geen steun voor een noodweersituatie.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat sprake is van een noodweersituatie. Tevens is er geen sprake van zwaar lichamelijk letsel dat door de verdachte is veroorzaakt. Het letsel dat [benadeelde] heeft opgelopen, zou kunnen komen doordat hij hard tegen de bar is gevallen voordat hij een klap kreeg van de verdachte.

Oordeel van het hof

Vast staat dat de verdachte en de aangever [benadeelde] beiden op 5 maart 2023 aanwezig waren op het boksgala van de [universiteit] in [plaats] , waar op enig moment tussen hen een handgemeen is ontstaan.

De verdachte heeft verklaard dat [benadeelde] dronken en vervelend was en dat hij op hem af kwam bij de bar. De verdachte heeft toen naar eigen zeggen [benadeelde] een duw/klap (met de vlakke hand) in het gezicht gegeven om hem af te weren.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, is het hof van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte [benadeelde] met gebalde vuist in het gezicht heeft geslagen. Dit volgt naast de verklaring van [benadeelde] ook uit de verklaring van getuige [getuige] . [getuige] zag dat de verdachte en zijn vrienden begonnen met duwen. [getuige] zag ook dat [benadeelde] tegen de bar aan kwam. Hij verklaart evenwel niet dat [benadeelde] tegen de bar viel, laat staan dat dit met zijn gezicht was. Daarna zag hij dat [benadeelde] een paar stappen zette en de verdachte hem met een gebalde vuist sloeg. Het hof ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige] . Daarnaast volgt uit de letselverklaring van [benadeelde] dat hij onder meer een infractie (een onvolledige breuk) van de voorwand van de linker sinus maxilallaris (de botwand aan de kaakbijholte) heeft opgelopen. Het hof overweegt daarbij dat niet aannemelijk is dat dergelijk letsel wordt veroorzaakt door één klap met een platte hand.

Zwaar lichamelijk letsel

Het hof is, anders dan de politierechter, van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Vooropgesteld dient te worden dat, naast het bepaalde in artikel 82 Sr, lichamelijk letsel als ‘zwaar’ kan worden beschouwd indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Bij de beantwoording van de vraag of letsel als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt, zijn van belang de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel. Als het gaat over het uitzicht op herstel kan er ook sprake zijn van zwaar lichamelijk letsel als het letsel gepaard gaat met een langere periode van herstel of onzekerheid over de mogelijkheid en de mate van herstel.

Niet ter discussie staat dat [benadeelde] een lange periode heeft moeten herstellen en uit zijn slachtofferverklaring blijkt dat hij nog steeds klachten ervaart. Echter is aan de verdachte alleen tenlastegelegd dat hij als zwaar lichamelijk letsel heeft veroorzaakt de breuk in de kaakbijholte. Niet is gebleken dat de langere periode van herstel en de onzekerheid over de mogelijkheid en de mate van herstel zien op die breuk. Uit de door [benadeelde] overgelegde stukken, waaronder een brief van zijn ergotherapeut, volgt dat hij gedurende langere tijd klachten ervaart ten gevolge van een trauma captitis (hersenschudding) en dat de langere periode van herstel vooral komt door de klachten die passen bij de hersenschudding. De revalidatiearts stelt vast dat er sprake is van langzaam herstellende cognitieve klachten van een schedeltrauma en adviseert om die reden continuering van de ergotherapie.

De tijdsspanne die het heeft geduurd voordat de klachten van [benadeelde] grotendeels waren verdwenen (namelijk meer dan 2 jaar), de aard van de klachten en de beperkingen die dit met zich heeft gebracht, zien op cognitieve klachten ten gevolge van de hersenschudding en dus niet op de tenlastegelegde botbreuk. Ten gevolge van de breuk in de kaakbijholte heeft [benadeelde] weliswaar een ontsierend deukje in zijn wang overgehouden, maar dit is onvoldoende voor de vaststelling van zwaar lichamelijk letsel. Het hof zal de verdachte om die reden vrijspreken van het tenlastegelegde onderdeel zwaar lichamelijk letsel.

Noodweer

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer toen hij [benadeelde] een klap in het gezicht gaf.

Voor een succesvol beroep op noodweer is vereist dat sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed. De enkele vrees voor zo’n aanranding is onvoldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 Sr.

Naar het oordeel van het hof slaagt het beroep op noodweer niet, nu de feiten en omstandigheden die de verdediging heeft aangevoerd niet aannemelijk zijn geworden.

De door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen – kort gezegd inhoudende dat [benadeelde] tegen de bar viel en vervolgens op de verdachte af liep, de verdachte van hem schrok en daarna [benadeelde] een klap (met de vlakke hand) gaf, vindt onvoldoende steun in het dossier.

Het hof verwijst daarbij naar de eerder aangehaalde verklaring van de getuige [getuige] , waaruit niet volgt dat [benadeelde] enige handeling zou hebben verricht in de richting van de verdachte waardoor de verdachte genoodzaakt was om zichzelf te verdedigen. Daarnaast bevat het dossier een audiofragment waarin [benadeelde] de ochtend na het incident een gesprek heeft gehad met de verdachte. Op dat audiofragment is te horen dat de verdachte tegen [benadeelde] zegt dat hij hem geen klap had moeten geven, dat hij dronken was en dat hij zijn excuses aanbiedt. Hiermee geconfronteerd ter terechtzitting, heeft de verdachte verklaard dat hij [benadeelde] tijdens het gesprek naar de mond heeft gepraat omdat hij naar eigen zeggen doodsbang voor hem was. Naar het oordeel van het hof is in het audiofragment echter op geen enkel moment te horen dat de verdachte bang was voor [benadeelde] . Sterker nog: hij nodigde [benadeelde] juist uit om zijn kamer binnen te komen om het gesprek daar verder voort te zetten.

Concluderend is het hof van oordeel dat niet is gebleken van een situatie waarbij de verdachte zich heeft moeten verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. De noodweersituatie is niet aannemelijk geworden. Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen. Nu de noodweersituatie niet aannemelijk is geworden, moet ook het beroep op noodweerexces worden verworpen.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 5 maart 2023 te [plaats] , gemeente [gemeente] , [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] (met gebalde vuist) in het gezicht te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een infractie van de voorwand van de sinus maxillaris ten gevolge heeft gehad.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het bewezenverklaarde levert op:

mishandeling.

Strafbaarheid van verdachte

Nu er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten, is de verdachte strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Oplegging van straf

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderdtwintig (120) uren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat, indien het hof komt tot een bewezenverklaring, er geen straf wordt opgelegd en de zaak wordt afgedaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf conform artikel 9a Sr.

Het oordeel van het hof

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling. Hierbij heeft het slachtoffer een breuk in de kaakbijholte opgelopen. De verdachte heeft het slachtoffer tijdens een studentenfeest geslagen en de gevolgen van het geweld spelen nog altijd bij hem. De verdachte heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Dit rekent het hof hem aan.

Het hof heeft gelet op het uittreksel justitiële documentatie van de verdachte van 24 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Het hof heeft met betrekking tot de persoon van verdachte verder gelet op het reclasseringsadvies van 3 juni 2025. De verdachte lijkt zijn leven op orde te hebben en er zijn geen aanwijzingen voor agressieproblematiek of gebrekkige impulscontrole. Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij werkt als parfumverkoper en samenwoont met zijn vriendin. Dit alles weegt mee in het voordeel van de verdachte.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat een taakstraf voor de duur van dertig uren, te vervangen met vijftien dagen hechtenis bij het niet (naar behoren) uitvoeren van die taakstraf, passend en geboden is.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De vordering

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 5.310,00 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 3.810,00, bestaande uit € 1.810,00 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de bepleite vrijspraak, de vordering moet worden afgewezen.

Het oordeel van het hof

Materiële schade

Op de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. De benadeelde partij vordert twee keer een bedrag van € 885,00 aan eigen risico en eenmaal een bedrag van € 40,00 voor ergotherapie. Deze kosten zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk geworden.

Er is geen inhoudelijk verweer gevoerd. De verdachte moet die schade vergoeden. De vordering tot materiële schade (€ 1.810,00) wordt daarom volledig toegewezen.

Immateriële schade

Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt het hof vast dat de benadeelde partijen door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) valt, te weten lichamelijk letsel. De aangever heeft door het bewezenverklaarde strafbare handelen van de verdachte een breuk opgelopen in zijn kaakbijholte.

Het hof heeft acht geslagen op de ‘Rotterdamse Schaal’ (RS), een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door andere rechters in Nederland is verwezen bij de vaststelling en begroting van schade als hier aan de orde. Uit de RS blijkt dat een bedrag aan schadevergoeding tussen de € 3.000,00 en

€ 4.500,00 (categorie 9.1 onder d sub II) wordt toegekend bij eenvoudige breuken van de jukbeenderen waarbij volledig herstel wordt bereikt en er geen of minimale cosmetische gevolgen zijn.

Gelet op deze bedragen aan immateriële schadevergoeding die volgens de RS in vergelijkbare gevallen doorgaans worden toegekend, komt de gevorderde immateriële schadevergoeding het hof niet overmatig voor en acht het hof toewijzing van een bedrag van € 3.000,00 billijk. Voor het overige deel is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.

Schadevergoedingsmaatregel en wettelijke rente

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op. De verdachte is vanaf 1 januari 2024 wettelijke rente over de toegewezen materiële schade verschuldigd en vanaf 5 maart 2023 over de toegewezen immateriële schade.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 4.810,00 (vierduizend achthonderdtien euro) bestaande uit € 1.810,00 (duizend achthonderdtien euro) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.810,00 (vierduizend achthonderdtien euro) bestaande uit € 1.810,00 (duizend achthonderdtien euro) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdata tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 48 (achtenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op

1 januari 2024 en van de immateriële schade op 5 maart 2023.

Dit arrest is gewezen door mr. V.M. de Winkel, mr. W.J. van Boven en mr. M.T.C. de Vries, in aanwezigheid van de griffier mr. L. Jansen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 4 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand