ECLI:NL:GHARL:2026:5647

ECLI:NL:GHARL:2026:5647

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 04-09-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer 21-000253-26
Rechtsgebied Strafrecht; Strafprocesrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Terugwijzing Hoge Raad. Overtreding art. 126zs Sv bewezen. Verdachte is weggerend nadat de politie had gezegd dat verdachte gefouilleerd zou gaan worden.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

[verdachte] ,

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-000253-26

Uitspraakdatum: 4 september 2026

TEGENSPRAAK

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Utrecht, gewezen – na terugwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden bij arrest van 27 januari 2026 – op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 24 december 2021 met parketnummer 16-217362-21 in de strafzaak tegen

geboren op [geboortedag] 1992 in [geboorteplaats] ,

[adres] .

Procesgang

Eerste aanleg

De verdachte is bij vonnis van 24 december 2021 door de politierechter een geldboete opgelegd van € 250,00 voor het niet voldoen aan een ambtelijk gegeven bevel. Namens de verdachte is op 3 januari 2022 hoger beroep ingesteld.

Hoger beroep

Bij arrest van 6 maart 2023 heeft de enkelvoudige kamer van het hof aan de verdachte een geldboete opgelegd van € 250,00. Namens de verdachte is op 7 november 2023 tegen dit arrest beroep in cassatie ingesteld.

Hoge Raad

De Hoge Raad heeft bij arrest van 27 januari 2026 het arrest van het hof vernietigd en heeft de zaak teruggewezen naar dit gerechtshof, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan. De Hoge Raad heeft het arrest vernietigd, omdat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd voor zover deze inhoudt dat het bevel of de vordering ‘krachtens wettelijk voorschrift’ is gedaan. Artikel 126zs Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) houdt niet uitdrukkelijk in dat de politie is gerechtigd tot het geven van een bevel of het doen van een vordering als in de bewezenverklaring bedoeld is op grond van artikel 184 lid 1 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

Onderzoek van de zaak

De zaak is teruggewezen door de Hoge Raad. Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 augustus 2026, op de zitting van het hof van 6 november 2023 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank Midden-Nederland.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering wijziging tenlastelegging van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens de verdachte door zijn raadsvrouw, mr. S. Wortel (waarnemend voor mr. A.C. Vingerling), is aangevoerd.

Het vonnis waarvan beroep

Gelet op de voormelde procesgang is – met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad – de zaak in zijn geheel weer aan de orde.

Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Op de zitting in hoger beroep van 21 augustus 2026 is de tenlastelegging gewijzigd. Aan de verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 12 augustus 2021 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , opzettelijk enige handeling, gedaan door een ambtenaar, te weten een politieambtenaar, kenbaar als [kenmerknummer 1] , belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, ondernomen ter uitvoering van een wettelijk voorschrift, te weten artikel 126zs van het Wetboek van Strafvordering, heeft belet, belemmerd en/of verijdeld, door zich gedurende een procedure die zou (moeten) leiden tot onderzoek aan de kleding van hem, verdachte, daaraan te onttrekken door weg te rennen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend bewezenverklaard kan worden. De verdachte heeft een rechtmatige ambtshandeling verijdeld door weg te rennen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat de verdachte zich door het wegrennen niet schuldig kan hebben gemaakt aan het overtreden van artikel 184 Sr. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 12 september 2006 (NJ 2006, 564; ECLI:NL:HR:2006:AV6178) heeft de raadsvrouw betoogd dat de gewijzigde tenlastelegging dit niet anders maakt.

Oordeel van het hof

De feiten

Op 12 augustus 2021 waren verbalisanten [kenmerknummer 1] en [kenmerknummer 2] belast met de openbare orde rondom het [bedrijventerrein] te [plaats 2] . Dit gebied was aangewezen als veiligheidsrisicogebied vanwege de opnames van [televisieprogramma] in het [bedrijventerrein] en de commotie rondom de destijds recente moord op [misdaadverslaggever] . Verbalisant [kenmerknummer 1] zag de Volkswagen Golf van de verdachte rijden op de rotonde voor de hoofdingang van het [bedrijventerrein] , die zijn weg vervolgde in de richting van [plaats 1] . Op de [straat] in [plaats 1] is aan de Golf een stopteken gegeven. De bestuurder heeft hier gehoor aan gegeven.

De bestuurder van de Golf bleek de verdachte te zijn. De verbalisant legde aan de verdachte uit dat hij door een veiligheidsrisicogebied gereden was waar verscherpt toezicht was. Na een kort gesprek met de inzittenden van de Golf pakte verbalisant [kenmerknummer 1] een flyer met daarin uitgelegd de bevoegdheden die de verbalisanten konden inzetten in het veiligheidsrisicogebied. Verbalisant [kenmerknummer 1] liep naar de verdachte en liet hem de flyer zien. Hij vertelde aan de verdachte dat hij mee moest werken aan de doorzoeking van de auto en het fouilleren. De verbalisant vertelde de verdachte dat hij de flyer op de auto zou leggen en daarna zou overgaan tot zijn fouillering. Toen de verbalisant dat wilde gaan doen, zag hij dat de verdachte weg rende, het bos in. De verbalisant riep de verdachte toen nog na: “politie, staan blijven!”

De verdachte heeft op de terechtzitting bij de politierechter verklaard dat het klopt dat hij op 12 augustus 2021te [plaats 1] niet heeft meegewerkt aan de fouillering.

Bewijsoverweging

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte is staande gehouden en aan hem is verteld dat hij zich in een veiligheidsrisicogebied bevond. De verbalisant deelde de flyer uit en legde uit dat de verdachte de flyer na de fouillering kon lezen. Aan de verdachte is vervolgens medegedeeld dat de verbalisant over zou gaan tot zijn fouillering. Op dat moment was het voor de verdachte dus duidelijk dat de verbalisant hem zou gaan fouilleren. De verdachte heeft er toen voor gekozen om weg te rennen, en heeft dus bewust niet meegewerkt aan de fouillering. Naar het oordeel van het hof is hiermee wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte een rechtmatige ambtshandeling heeft verijdeld, te weten het fouilleren op grond van artikel 126zs Sv.

De jurisprudentie die de raadsvrouw aan het hof heeft voorgehouden, (voor zover het Hof kan nagaan wijst zij in dat verband op een conclusie van de advocaat-generaal en niet op een uitspraak van de Hoge Raad), ziet naar het oordeel van het hof op een andere situatie, waarin sprake was van een politiebevoegdheid om een bevel te geven, terwijl de verdachte –die vrijwillig was meegekomen met de politie – is vertrokken nog vóórdat de politie het bevel had gegeven.

In de zaak van de verdachte was het afgeven van een bevel op grond van artikel 126zs Sv niet mogelijk, maar hadden de verbalisanten wel de bevoegdheid om te fouilleren. Toen de verbalisant vervolgens aankondigde van die bevoegdheid jegens hem gebruik te gaan maken, is de verdachte weggerend. De aangehaalde jurisprudentie vindt naar het oordeel van het hof dus geen toepassing op deze zaak.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 12 augustus 2021 te [plaats 1] , gemeente [gemeente] , opzettelijk enige handeling, gedaan door een ambtenaar, te weten een politieambtenaar, kenbaar als [kenmerknummer 1] , belast met de uitoefening van enig toezicht en/of belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, ondernomen ter uitvoering van een wettelijk voorschrift, te weten artikel 126zs van het Wetboek van Strafvordering, heeft belet, belemmerd en/of verijdeld, door zich gedurende een procedure die zou (moeten) leiden tot onderzoek aan de kleding van hem, verdachte, daaraan te onttrekken door weg te rennen.

Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk enige handeling, door een ambtenaar bevoegd verklaard tot het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift, verijdelen.

Strafbaarheid van verdachte

De verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 250,00, met een proeftijd van twee jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat, wanneer het hof komt tot een bewezenverklaring, de verdachte schuldig moet worden verklaard zonder strafoplegging (artikel 9a Sr).

Het oordeel van het hof

Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

De verdachte heeft verijdeld mee te werken aan een fouillering door weg te rennen. Door niet mee te werken heeft verdachte het gezag van een ambtenaar in functie ondermijnd en de werkzaamheden van de politie bemoeilijkt, waarbij ook meespeelt dat het feit plaatsvond op een locatie die was aangewezen als veiligheidsrisicogebied. Dit rekent het hof de verdachte aan.

Het hof heeft gelet op het uittreksel justitiële documentatie van verdachte van 24 juli 2026, waaruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor andersoortige strafbare feiten.

Het hof is van oordeel dat een rechterlijk pardon zoals bedoeld in artikel 9a Sr hier niet aan de orde is, omdat dit bedoeld is voor de gevallen waar de oplegging van een straf niet wenselijk is en/of geen enkel doel meer dient.

Het hof constateert dat in deze zaak de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in hoger beroep is overschreden. Op 7 november 2023 is namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad heeft op 26 januari 2026 arrest gewezen. Daarmee is de redelijke termijn bij de behandeling in hoger beroep, uitgaande van een redelijke termijn van twee jaar per instantie, met bijna drie maanden overschreden. Gelet op het tijdsverloop zal het hof een voorwaardelijke geldboete met een korte proeftijd aan de verdachte opleggen.

Alles afwegende, acht het hof een voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 250,00, met een proeftijd van één jaar, passend en geboden.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 184 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mr. W.J. van Boven, mr. V.M. de Winkel en mr. M.T.C. de Vries, in aanwezigheid van de griffier mr. L. Jansen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 4 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand