[verdachte] ,
Hoger beroep
Onderzoek van de zaak
Het vonnis
Tenlastelegging
Bewijsoverweging
Ten aanzien van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag
Bewezenverklaring
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Strafbaarheid van verdachte
Oplegging van straf
In beslag genomen voorwerpen
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wetsartikelen
BESLISSING
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003307-23
Uitspraakdatum: 2 februari 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 12 juli 2023 met parketnummer 16-068752-22 in de strafzaak tegen
geboren op [geboortedag] 1958 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zitting van het hof van 19 januari 2026 is besproken, en wat er op de zitting bij de rechtbank is besproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot de bevestiging van het vonnis van de rechtbank. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en haar raadsvrouwen,
mr. W.S.W. van der Donk en mr. A.J. van der Velden, en de benadeelde partij en haar advocaat, mr. R.H. Bouwman, hebben aangevoerd.
De rechtbank heeft bij vonnis van 12 juli 2023 verdachte veroordeeld voor een poging tot doodslag tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank heeft daarnaast aan verdachte meerdere bijzondere voorwaarden opgelegd. Verder heeft de rechtbank het in beslag genomen mes verbeurd verklaard en de in beslag genomen envelop onttrokken aan het verkeer. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 5.570,67, bestaande uit € 2.070,67 aan materiële schade en € 3.500,00 aan immateriële schade. De vordering is vermeerderd met de wettelijke rente en de rechtbank heeft ter hoogte van datzelfde bedrag de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De benadeelde partij is in het materieel meer gevorderde niet-ontvankelijk verklaard.
Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
primair zij op of omstreeks 20 maart 2022 te [plaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes, althans een dergelijke scherp (steek)voorwerp, die [benadeelde] in de rug en/of de (boven)arm, althans het lichaam heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair zij op of omstreeks 20 maart 2022 te [plaats 1] aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten: - een perforatie van de (linker)long en/of een klaplong, ten gevolge waarvan er bloed en/of vocht in de borstholte is gekomen en/of waarvoor operatief ingrijpen nodig was en/of (meermalen) een drain is aangebracht) en/of - blijvend zichtbare littekens) heeft toegebracht, door die [benadeelde] met een mes, althans een scherp (steek)voorwerp in de rug en/of de (boven)arm, althans het lichaam te steken/snijden;
meer subsidiair zij op of omstreeks 20 maart 2022 te [plaats 1] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes, althans een dergelijke scherp (steek)voorwerp, die [benadeelde] in de rug en/of (boven)arm, althans het lichaam heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meest subsidiair zij op of omstreeks 20 maart 2022 te [plaats 1] [benadeelde] heeft mishandeld door die [benadeelde] met een mes, althans een scherp (steek)voorwerp in de rug en/of de (boven)arm, althans het lichaam te steken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. De raadsvrouwen hebben daartoe aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het overlijden van aangeefster.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door de verdediging gevoerde verweer, strekkende tot vrijspraak van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag, wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals die hieronder zijn opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij als volgt.
Bewijsmiddelen, feiten en omstandigheden
[verbalisant 1] en [verbalisant 2] krijgen op 20 maart 2022 de melding dat er een steekpartij heeft plaatsgevonden aan de [adres] in [plaats 1] . Aanrijdend horen zij dat het slachtoffer is neergestoken door haar vriendin. Verbalisanten betreden de woning en zien in de hal en de woonkamer op de grond rode vlekken, lijkend op bloedspetters. In de woonkamer treffen zij het slachtoffer en verdachte aan. [verbalisant 2] ziet dat het slachtoffer op de linker bovenzijde van haar rug en op de binnenzijde van haar rechterbovenarm een wond heeft. [verbalisant 2] hoort verdachte zeggen: ‘Ik kreeg ruzie met mijn vriendin en heb haar toen gestoken met een mes’. De zoon van verdachte komt ter plaatse en verklaart onder meer: ‘Mijn moeder heeft mij gebeld. Zij vertelde dat zij haar beste vriendin had neergestoken en de politie en ambulance had gebeld’.
[verbalisant 3] en [verbalisant 4] komen op 20 maart 2022 eveneens ter plaatse aan de [adres] in [plaats 1] . Zij horen verdachte het volgende spontaan verklaren: ‘Ik heb cocaïne en alcohol gebruikt samen met mijn vriendin. Wij kregen ruzie en toen heb ik een mes gepakt en haar gestoken. Ik heb veel spijt. Wat een kut spul is die drugs. Het mes ligt in de keuken’.
Aangeefster [benadeelde] spreekt op 20 maart 2022 met [verbalisant 5] en [verbalisant 6] terwijl zij in het [ziekenhuis] ligt. Aangeefster verklaart dat zij samen met verdachte uit was geweest in [plaats 2] en dat zij daar samen alcohol hadden gedronken en cocaïne hadden gebruikt. Nadat zij in de taxi waren gestapt en bij verdachte thuis aankwamen, werd verdachte boos. Verdachte gaf aangeefster een duwtje, waarna aangeefster verdachte een duwtje terug gaf. Aangeefster verklaart dat zij en verdachte een codewoord hebben voor het geval dat verdachte doordraait. Zij pakt verdachte dan bij haar hoofd vast met beide handen. Aangeefster zegt dan tegen verdachte: ‘Vriendinnetje, doe nou rustig’. Aangeefster verklaart dat zij merkte dat het niet bij verdachte binnenkwam. Verdachte pakte een mes en begon daarmee te zwaaien. Terwijl verdachte met het mes zwaaide, raakte zij aangeefster in haar bovenarm. Terwijl aangeefster zich omdraaide en van verdachte wegliep, werd aangeefster door verdachte in haar rug gestoken. Aangeefster verklaart dat zij hierdoor een kleine verwonding op haar arm heeft opgelopen, waar twee hechtingen in zitten. Ook heeft aangeefster een klaplong opgelopen. In haar long is bloed gekomen, waardoor er een drain in haar long heeft gezeten.
Aangeefster [benadeelde] doet op 21 maart 2022 aangifte van de poging tot doodslag. Zij verklaart aanvullend dat terwijl verdachte naar het aanrecht liep en een mes uit het messenblok pakte, zij verdachte hoorde schreeuwen: “Ik ga je neersteken!”.
Op zondag 20 maart 2022 doet [verbalisant 7] forensisch onderzoek op de [adres] in [plaats 1] . Verbalisant ziet een lichtblauw jasje met op bloed gelijkende vlekken op een stoel in de keuken. Zij ziet gaten in de stof van de jas, veroorzaakt met een scherp voorwerp. Zij ziet een mes (SIN AAOP8752NL) in de keuken, op het aanrecht, met op het lemmet op bloed gelijkende vlekken en een textielvezel die visueel overeenkomt met de kleur van de jas met steekgaten in de stof.
Het mes met SIN AAOP8752NL is onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Hierbij zijn meerdere bloedsporen aangetroffen, voornamelijk op de eerste zes centimeter vanaf de punt van het lemmet. Eén bloedspoor op het lemmet en de eerste zes centimeter van de snijrand inclusief de punt van het lemmet zijn bemonsterd en veiliggesteld voor een DNA-/RNA-onderzoek. Deze bemonsteringen zijn onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Het heft van het mes is bemonsterd gericht op het verzamelen van DNA van degene(n) die het mes heeft/hebben gehanteerd. Bij deze bemonstering is geen bloed aangetroffen. In het (vergelijkend) DNA-onderzoek is de bewijskracht berekend en als volgt gerapporteerd. Het DNA-profiel op het heft van het mes is ongeveer 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van verdachte, dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige (niet aan verdachte verwante) persoon. De DNA-profielen op het lemmet en de eerste zes centimeter van de snijrand inclusief de punt van het lemmet zijn elk meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van het slachtoffer [benadeelde] , dan wanneer het DNA afkomstig is van een willekeurige (niet aan het slachtoffer verwante) persoon.
In de letselschaderapportage Forensische Geneeskunde GGD [plaats 3] van 21 april 2022 is ten aanzien van de gemelde behandeling omschreven dat aangeefster eerst voor vier dagen is opgenomen in het ziekenhuis, waarbij de borstholte werd gedraineerd met een slang. Omdat zich toch te veel vocht/bloed bleef ophopen aan de linkerkant van de borstholte is aangeefster opnieuw opgenomen vanaf 13 tot 18 april 2022. Zij is toen geopereerd aan de rug/flank om het te veel aan vocht uit de borstholte te verwijderen. Hierbij is opnieuw een drainageslang aangebracht. Er is sprake geweest van een penetrerend scherprandig letsel van de linker borstholte waarbij de linker long is geraakt, die daardoor is ingeklapt en is gaan bloeden. Ten aanzien van de beschrijving van het letsel aan aangeefster haar rechterarm is omschreven dat op de binnenzijde van de rechter bovenarm twee genezende scherprandige huidbeschadigingen zichtbaar zijn, met sporen van wondbehandeling door middel van wondhechting. Beide letsels betreffen snij- of steekwonden. De gemelde toedracht bij het letsel is dat er met een scherp keukenmes één stekende beweging is gemaakt naar de oksel, van voren, in staande positie. De gemelde toedracht past zeer goed bij het letsel. Ten aanzien van de beschrijving van het letsel aan aangeefster haar rug is omschreven dat links op de rug, circa acht centimeter uit de middellijn, een verticaal verlopende scherprandige genezende huidbeschadiging zichtbaar is. Het betreft een steekwond. De gemelde toedracht bij het letsel is dat er met een keukenmes is gestoken in de rug. De gemelde toedracht past zeer goed bij het letsel.
Verdachte verklaart op 19 januari 2026 op de zitting van het hof dat zij en aangeefster wel eens hebben afgesproken dat aangeefster verdachte bij haar hoofd zou vastpakken met beide handen als zij door zou draaien. Verdachte verklaart dat aangeefster en zij al ruzie hadden toen zij in de nacht van 20 maart 2022 naar het huis van verdachte gingen. Thuis ruzieden ze verder en pakte verdachte een mes zodat aangeefster weg zou gaan. Nadat verdachte zag dat ze aangeefster had geraakt met het mes, rende zij direct naar de telefoon om 112 te bellen.
(Voorwaardelijk) opzet
Het hof stelt voorop dat niet is gebleken dat verdachte de intentie heeft gehad om aangeefster van het leven te beroven. Uit het dossier en het verhandelde op de zitting valt namelijk niet op te maken dat verdachte doelgericht met het mes nabij anatomische kwetsbare en vitale structuren heeft gestoken.
Desondanks kan opzet op de dood toch worden aangenomen als sprake is van de situatie dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat aangeefster zou komen te overlijden als gevolg van haar gedragingen.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, of anders gezegd om een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Voor de vaststelling dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is bovendien vereist dat verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden en dat zij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.
Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood zal afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Bij de beoordeling of in de onderhavige zaak sprake is van opzet, heeft het hof het navolgende in aanmerking genomen.
Aanmerkelijke kans
Op basis van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat verdachte aangeefster met een scherp mes van niet geringe omvang heeft gesneden dan wel gestoken in de binnenzijde van haar rechterbovenarm en heeft gestoken in haar rug. Verdachte heeft met kracht in de rug van aangeefster gestoken. Dit leidt het hof af uit de omstandigheid dat het mes door de kleding (waaronder haar jasje) de linker borstholte van aangeefster heeft gepenetreerd en gezien de resultaten van de bemonstering, tenminste 6 centimeter diep in het lichaam van aangeefster is geweest. Hierbij is de linkerlong geraakt die vervolgens is ingeklapt en is gaan bloeden. Het is een feit van algemene bekendheid dat zowel in de rug als aan de binnenzijde van de bovenarm zich anatomische kwetsbare en vitale structuren bevinden. Door met een scherp mes van niet geringe omvang te snijden dan wel te steken in de binnenzijde van de rechterbovenarm en door met kracht te steken in de bovenzijde van de rug, bestond er een aanmerkelijke kans dat aangeefster ten gevolge daarvan zou komen te overlijden. Daarbij merkt het hof ten overvloede op dat verdachte ook daadwerkelijk een vitaal orgaan van aangeefster heeft geraakt. De linkerlong van aangeefster is door de messteek in haar rug immers ingeklapt en gaan bloeden.
Bewuste aanvaarding
Uit de uiterlijke verschijningsvorm is af te leiden dat verdachte deze aanmerkelijke kans op de dood ook heeft aanvaard. Het met een scherp mes van niet geringe omvang snijden dan wel steken in de binnenzijde van de rechterbovenarm en het met kracht steken in de bovenzijde van de rug, kan naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer op de dood gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen van het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van aangeefster bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is het hof niet gebleken.
Met de rechtbank acht het hof de primair ten laste gelegde poging tot doodslag dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
primair zij op 20 maart 2022 te [plaats 1] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk van het leven te beroven, met een mes die [benadeelde] in de rug en de bovenarm heeft gestoken/gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
poging tot doodslag.
Noodweerexces
Op de zitting van het hof heeft de verdediging overeenkomstig de overgelegde pleitnota aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweerexces, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. De verdediging heeft gesteld dat verdachte door de gedraging van aangeefster weliswaar de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden, maar dat deze overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van een door de ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding veroorzaakte, hevige gemoedsbeweging.
Op basis van de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat aangeefster en verdachte op 20 maart 2022 ruzie hadden. Aangeefster heeft verdachte op enig moment met beide handen bij haar hoofd vastgepakt om verdachte rustig te krijgen. Verdachte en aangeefster hadden op een eerder moment onderling de afspraak gemaakt dat aangeefster dit bij verdachte zou doen op de momenten dat verdachte door zou draaien. Aangeefster kon echter die nacht niet tot verdachte doordringen. Verdachte heeft vervolgens een mes gepakt uit de keuken en naar aangeefster geschreeuwd dat zij haar neer zou steken. Verdachte heeft aangeefster vervolgens gesneden dan wel gestoken in de binnenzijde van haar rechterbovenarm en gestoken in haar rug terwijl aangeefster zich om had gedraaid.
Dat aangeefster verdachte in plaats van bij haar hoofd bij haar keel heeft vastgepakt, zoals door de verdediging is gesteld, acht het hof niet aannemelijk. Aangeefster verklaart dit niet en indien dit daadwerkelijk was gebeurd, had het voor de hand gelegen dat verdachte hier direct over had verklaard tegenover de verbalisanten of haar zoon. In plaats daarvan heeft verdachte kort na het ten laste gelegde feit onder meer tegenover de verbalisanten verklaard veel spijt te hebben dat zij tijdens de ruzie een mes heeft gepakt en aangeefster daarmee heeft gestoken.
Naar het oordeel van het hof kan de gedraging van aangeefster, te weten het met beide handen vastpakken van het hoofd van verdachte om haar tot rust te krijgen, niet worden aangemerkt als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte. De gedraging van aangeefster berustte immers op een afspraak tussen verdachte en aangeefster en is daarmee niet wederrechtelijk. Er is aldus geen sprake geweest van een noodweersituatie. Dat verdachte en aangeefster elkaar voorafgaand aan de handeling van aangeefster hebben geduwd, doet hieraan niets af.
Overigens merkt het hof op dat indien de gedraging van aangeefster niet berustte op een afspraak tussen verdachte en aangeefster, de gestelde aanranding in redelijkheid beschouwd niet zodanig bedreigend is geweest voor verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht. Het verweer dat verdachte uit noodweerexces heeft gehandeld wordt dan ook verworpen.
Putatief noodweerexces
Door de verdediging is overeenkomstig de overgelegde pleitnota een beroep gedaan op putatief noodweerexces. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat verdachte heeft gehandeld in de verontschuldigbare veronderstelling dat zij werd geconfronteerd met een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van haar lijf. In deze verontschuldigbare veronderstelling heeft verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden, welke overschrijding het gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, bestaande uit paniek en angst, die is ontstaan door die – naar haar beleving – dreigende aanranding.
Zoals hierboven reeds is overwogen stelt het hof vast dat aangeefster en verdachte op 20 maart 2022 ruzie hadden, waarbij aangeefster verdachte op enig moment met beide handen bij haar hoofd heeft vastgepakt om verdachte rustig te krijgen. Verdachte was onder invloed van alcohol en cocaïne. Het hof acht het onder deze omstandigheden mogelijk dat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat zij werd geconfronteerd met een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van haar lijf waartegen zij zich diende te verdedigen. Echter heeft verdachte hierbij de grenzen van de noodzakelijke verdediging fors overschreden. Dat het overschrijden van deze grenzen het gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging die door de aanranding is veroorzaakt, als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, is het hof niet aannemelijk geworden nu verdachte alcohol en drugs had gebruikt en zichzelf aldus in een situatie heeft gebracht die het verkeerd inschatten van de feiten in de hand werkt. Daarbij komt dat verdachte het steken met het mes heel bewust heeft meegemaakt. Direct nadat zij aangeefster met een mes heeft gesneden dan wel gestoken heeft verdachte zeer adequaat gehandeld door 112 te bellen en aldaar te verklaren dat zij haar beste vriendin heeft gestoken. Nadat verbalisanten ter plaatse komen, heeft verdachte spijt en geeft ze mede de drugs de schuld. Het hof verwerpt aldus ook dit verweer.
Conclusie
Het hof verwerpt de verweren strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging wegens (putatief) noodweerexces en acht de verdachte strafbaar, omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht aan verdachte geen langere gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die zij reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
Oordeel van het hof
Bij het bepalen van de straf houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door haar toenmalige beste vriendin te snijden/steken in de arm en de rug. Dit gebeurde na een uit de hand gelopen ruzie in de woning van verdachte nadat zij waren teruggekeerd van een avond uit. Zowel verdachte als het slachtoffer had die avond/nacht alcohol gedronken en cocaïne gebruikt. Het slachtoffer heeft door het handelen van verdachte behoorlijk letsel opgelopen. Het mes heeft onder meer de linker borstholte gepenetreerd, waarbij de linker long is geraakt die daardoor is ingeklapt en is gaan bloeden. Het slachtoffer heeft eerst vier dagen in het ziekenhuis verbleven, waarbij onder meer een drain in de borstholte is geplaatst. Nadien is zij vanwege medische complicaties nogmaals meerdere dagen opgenomen geweest in het ziekenhuis. Verdachte heeft hiermee een grove inbreuk gemaakt op zowel de lichamelijke als de geestelijke integriteit van het slachtoffer. Uit de voorgedragen slachtofferverklaring in hoger beroep blijkt dat het slachtoffer nog steeds gevolgen ondervindt van het handelen van verdachte. Zowel fysiek als mentaal.
Justitiële documentatie (strafblad)
Het hof heeft bij de strafoplegging gelet op het strafblad van verdachte van 17 december 2025, waaruit blijkt dat zij in het verleden niet eerder onherroepelijk is veroordeeld.
Persoon van verdachte
Verder neemt het hof in aanmerking de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals die op de zitting door verdachte en haar raadsvrouwen naar voren zijn gebracht en zoals deze ook blijken uit de verschillende rapportages die over verdachte zijn opgesteld.
Het hof heeft onder meer gelet op het meest recente reclasseringsadvies van 5 januari 2025, opgesteld door [naam] , reclasseringswerker bij [de reclassering] . De reclassering ziet geen risicofactoren in het leven van verdachte. Volgens de reclassering heeft zij haar leven ten goede veranderd en zijn er veel beschermende factoren in haar leven. De reclassering schat het risico op recidive en letsel in als laag. Verdachte heeft zich tijdens het toezicht ingezet en heeft meegewerkt aan de bijzondere voorwaarden die haar zijn opgelegd in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis. Tijdens het toezicht heeft een gedragsverandering bij verdachte plaatsgevonden. Zij is abstinent van middelen. De reclassering adviseert hierom tot oplegging van een straf zonder voorwaarden en adviseert negatief over het opleggen van een gevangenisstraf.
Strafoplegging
Hoewel bij een feit als onderhavige een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zonder meer passend en geboden is, ziet het hof gezien de persoonlijke omstandigheden van verdachte reden om in dit geval te volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor lange duur. Verdachte heeft behandelingen gevolgd en zich, op één klein incident na, gehouden aan de bijzondere voorwaarden in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis. Gezien de ernst van de bewezenverklaarde feiten zal het hof daarnaast een forse taakstraf opleggen.
Rekening houdend met het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een taakstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Met deze straf wil het hof verdachte een kans geven haar leven verder op te pakken. De voorwaardelijke gevangenisstraf dient daarbij als stok achter de deur, om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
Het in beslag genomen mes
Het primair bewezenverklaarde feit is begaan met behulp van het in beslag genomen mes. Het mes behoort verdachte toe. Het wordt daarom verbeurdverklaard. Hierbij is rekening gehouden met de financiële draagkracht van verdachte.
De in beslag genomen envelop
Tijdens het onderzoek naar het door verdachte primair begane feit is een envelop (een wikkel met vermoedelijk verdovende middelen) in beslag genomen. De envelop behoort aan verdachte toe en kan dienen tot het begaan van soortgelijke feiten. Het hof onttrekt dit voorwerp aan het verkeer omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.
De benadeelde partij heeft bij de rechtbank een vordering tot schadevergoeding van € 5.820,82 ingediend, bestaande uit € 2.320,82 aan materiële schade en € 3.500,00 aan immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 5.570,67, bestaande uit € 2.070,67 aan materiële schade en € 3.500,00 aan immateriële schade. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat de vordering wordt gehandhaafd voor zover deze door de eerste rechter is toegewezen. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de gevorderde schadevergoeding voor zover die door de rechtbank is toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft naar voren gebracht geen opmerkingen te hebben ten aanzien van de vordering en dat verdachte bereid is het gevorderde bedrag te voldoen. Wel verzoekt de verdediging de gijzeling te bepalen op 0 dagen, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Oordeel van het hof
Materiële schade
Uit het onderzoek op de zitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte kosten heeft gemaakt tot een bedrag van € 2.070,67. Dat de benadeelde partij hierdoor rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 2.070,67, is door de verdediging niet betwist. De gevorderde materiële schade zal, in het licht van de gegeven onderbouwing, dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 2.070,67.
Immateriële schade
Uit het onderzoek op de zitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het primair bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. De benadeelde partij heeft door het handelen van verdachte lichamelijk letsel opgelopen waardoor zij ingevolge artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek voor vergoeding van immateriële schade, ook wel ‘smartengeld’ genoemd, in aanmerking komt. In het schade-onderbouwingsformulier heeft de benadeelde partij omschreven dat zij als gevolg van poging tot doodslag verschillende verwondingen aan haar lichaam heeft opgelopen. Verdachte moet die schade vergoeden.
Gelet op alle omstandigheden van het geval stelt het hof de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast op een bedrag van € 3.500,00. Bij de begroting van die schade heeft het hof de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan verdachte gemaakte verwijt laten meewegen, en voorts gelet op de bedragen die door de Nederlandse rechters in (enigszins) vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Daarnaast heeft het hof acht geslagen op de ‘Rotterdamse schaal’, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen, waarnaar al vaker door Nederlandse rechters is verwezen bij de vaststelling en begroting van immateriële schade.
Wettelijke rente
Het hof zal de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en immateriële schade bepalen op 20 maart 2022.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Gijzeling
Het hof bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 52 dagen. Anders dan de verdediging, acht het hof geen termen aanwezig om de gijzeling te bepalen op 0 dagen.
Proceskosten
Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
In beslag genomen voorwerpen
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- Een mes (goednummer PL0900-2022077945-G2964763).
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- Een envelop (wikkel met vermoedelijk verdovende middelen) (goednummer: PL0900-2022077945-G2964759).
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.570,67 (vijfduizend vijfhonderdzeventig euro en zevenenzestig cent) bestaande uit € 2.070,67 (tweeduizend zeventig euro en zevenenzestig cent) materiële schade en € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.570,67 (vijfduizend vijfhonderdzeventig euro en zevenenzestig cent) bestaande uit € 2.070,67 (tweeduizend zeventig euro en zevenenzestig cent) materiële schade en € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 52 (tweeënvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 20 maart 2022.
De voorlopige hechtenis
Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit arrest is gewezen door mr. O. Anjewierden, mr. L.J. Hofstra en mr. A. Meester, in aanwezigheid van de griffier mr. S.A. van der Zwaag en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 2 februari 2026.