GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.371.974
zaaknummer rechtbank Gelderland 469073
over de zorgregeling voor [de minderjarige] ( [de minderjarige] )
arrest in kort geding van 1 september 2026
in de zaak van
[appellante] (de moeder)
die woont in [woonplaats1] (gemeente [gemeentenaam] )
advocaat: mr. M.F.J. Martens
en
[geïtimeerde] (de vader),
die woont in [woonplaats2] ,
advocaat: mr. L.M. Bakker.
1. Het verloop van de procedure in hoger beroep
De moeder heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, (hierna: de voorzieningenrechter) op 10 juli 2026 tussen de vader en de moeder heeft uitgesproken.
Ook de vader heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis, voor zover dit de hoogte van de dwangsom betreft.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
de spoeddagvaarding in hoger beroep
de memorie van antwoord in hoger beroep met een incidenteel hoger beroep.
2. De kern van de zaak
In deze zaak gaat het om de vragen
of een voorlopige zorgregeling moet worden opgeschort totdat het hof daarover definitief heeft beslist, en
of de door de voorzieningenrechter aan de moeder opgelegde dwangsom tot nakoming van de voorlopige zorgregeling voor vernietiging in aanmerking komt of juist verhoogd moet worden.
De vader heeft bij de voorzieningenrechter gevorderd om de moeder te veroordelen mee te werken aan de volgende, door dit hof op 30 juni 2026 vastgestelde, zorgregeling:
[de minderjarige] verblijft bij de vader:
in de ene week van vrijdag 15.30 uur tot zondag 18.00 uur, waarbij de vader [de minderjarige] op vrijdag om 15.30 uur bij de moeder ophaalt en de moeder ervoor zorgt dat [de minderjarige] op zondag om 18.00 uur wordt opgehaald bij de vader;
in de andere week van zondag 9.00 uur tot zondag 18.00 uur, waarbij de moeder verantwoordelijk is voor het brengen van [de minderjarige] naar de vader, zodat [de minderjarige] om 9.00 uur bij de vader is, en de vader [de minderjarige] in de middag weer terug brengt, zodat [de minderjarige] om 18.00 uur bij de moeder is.
De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen toegewezen, waarbij de voorzieningenrechter een dwangsom aan de moeder heeft opgelegd van € 100 per keer dat de moeder de zorgregeling niet nakomt met een maximum van € 7.500. De bedoeling van het hoger beroep is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen.
Het hof zal beslissen dat
de beslissing van de voorzieningenrechter over nakoming van de voorlopige zorgregeling door de moeder blijft staan, en
de dwangsom voor iedere dag dat de moeder de voorlopige zorgregeling niet nakomt wordt verhoogd naar € 250 per keer, met een maximum van € 18.750.
Het hof licht dat hierna toe.
3. De toelichting op de beslissing van het hof
Standpunten
De moeder stelt dat de situatie op 21 juni 2026 bij het terugbrengen van [de minderjarige] door de vader naar opa (van moederszijde (mz)) zodanig uit de hand is gelopen dat de moeder de voorlopige zorgregeling door toedoen van de vader niet meer kan nakomen: de moeder kan [de minderjarige] zelf niet brengen of halen omdat de vader haar met de dood heeft bedreigd en zij een noodknop heeft waardoor zij (van [stichting] ) geen contact met de vader mag hebben. En haar vader wil het brengen en halen niet meer voor zijn rekening nemen gelet op het gedrag van de vader op 21 juni jl.. [de minderjarige] komt daardoor volgens de moeder in een zeer bedreigende situatie. Het hof heeft bij de vaststelling van de voorlopige zorgregeling dit incident niet meegewogen; de mondelinge behandeling vond op 11 juni 2026 plaats. De hulpverlening heeft dringend geadviseerd om begeleiding bij de overdracht, maar die hulp is niet te krijgen. De moeder vindt dat de voorzieningenrechter deze zwaarwegende argumenten van de moeder niet heeft meegenomen.
De vader is het eens met de beslissing van de voorzieningenrechter. De moeder heeft de omgang tussen hem en [de minderjarige] al vaak stopgezet en zij vindt volgens de vader steeds weer excuses om dat te doen. Daar is, aldus de vader, geen enkele reden voor, want het contact tussen hem en [de minderjarige] verloopt goed. De vader heeft verslagen van de omgangscontacten met [de minderjarige] overgelegd. Over het incident op 21 juni 2026 heeft de vader een andere lezing dan de moeder. Volgens de vader was opa (mz) in het bijzijn van [de minderjarige] agressief tegen hem, niet andersom. De vader vindt, tot slot, verhoging van de dwangsom noodzakelijk, want sinds de voorzieningenrechter een dwangsom heeft verbonden aan nakoming van de zorgregeling, komt de moeder de regeling na. Hoe hoger de financiële prikkel, hier groter de kans dat de moeder de zorgregeling nakomt.
Spoedeisend belang
Omdat de reguliere voorlopige zorgregeling voor [de minderjarige] na de vakantie moet worden hervat hebben en houden beide partijen een spoedeisend belang bij een beslissing over de wijze waarop deze zorgregeling moet worden uitgevoerd.
Voorlopige zorgregeling
Het belang van [de minderjarige] vormt in dit geval een eerste overweging (artikel 3 lid 1 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK)). Het is voor een gezonde identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] van groot belang dat zij contact met haar vader heeft en dat dit contact niet zomaar verbroken wordt.
De moeder heeft naar het oordeel van het hof voor haar standpunt dat haar mogelijkheden om het halen en brengen van [de minderjarige] op een verantwoorde manier te regelen zijn uitgeput, onvoldoende overtuigende argumenten gegeven. Zo stelt de moeder aan de ene kant dat haar vader niet meer bereid is het halen en brengen voor zijn rekening te nemen. Aan de andere kant heeft de moeder op de mondelinge behandeling verteld dat met hulp van de opa’s (mz en vz) het brengen en halen tijdens de zomervakantie is doorgegaan. De vader heeft dat bevestigd. De moeder gaat er ook aan voorbij dat, als zij zelf niet voor het vervoer van [de minderjarige] kan of wil zorgdragen, de overdrachten niet alleen met begeleiding van de opa’s kunnen plaatvinden: de moeder dient alleen ‘zorg te dragen’ voor haar aandeel in het brengen en halen en dat zou dus ook door een andere voor haar en [de minderjarige] vertrouwde persoon kunnen gebeuren.
Over het incident op 21 juni 2026 lopen de lezingen van de moeder en de vader uiteen: volgens de moeder was de vader agressief tegen haar vader en heeft hij haar vader met de dood bedreigd. De vader ontkent dat en zegt dat opa (mz) juist agressief tegen hem was. Hoe dan ook, dit soort spanningen rondom de overdrachtsmomenten waren al bekend bij het vaststellen voor de voorlopige zorgregeling op 30 juni 2026 en vormen voor het hof dan ook geen aanleiding voor het stopzetten van deze regeling.
Het hof vindt dan ook, na afweging van de betrokken belangen, dat het belang dat [de minderjarige] en de vader hebben bij voortzetting van de voorlopige zorgregeling, zwaarder weegt dan het belang van de moeder bij een (tijdelijke) stopzetting daarvan. Bij deze afweging heeft het hof ook betrokken dat de moeder en de vader het er over eens zijn dat de omgang tussen de vader en [de minderjarige] op zichzelf goed verloopt.
Dwangsom
Het hof ziet in hetgeen besproken is op de mondelinge behandeling aanleiding om de vordering van de vader om de dwangsom te verhogen, gedeeltelijk toe te wijzen. De moeder blijft volharden in haar idee dat uitvoering van de zorgregeling van haar niet kan worden gevergd en het hof deelt de zorg van de vader dat zonder een afdoende financiële prikkel de kans bestaat dat er geen regelmatig contact zal kunnen zijn tussen [de minderjarige] en de vader. Het hof zal de dwangsom daarom voor de toekomst verhogen naar € 250 voor elke keer dat zij de voorlopige zorgregeling niet nakomt en de dwangsom maximeren op € 18.750.
Proceskostenveroordeling
De vader heeft ook gevraagd om de moeder te veroordelen in de kosten van zowel de procedure bij de voorzieningenrechter als deze procedure. Het hof zal de moeder veroordelen in de kosten van haar (principaal) hoger beroep omdat zij daarin in het ongelijk wordt gesteld. Het hof wijzigt niets aan de proceskostenveroordeling bij de voorzieningenrechter omdat de vader niet heeft uitgelegd waarom de beslissing om die kosten te compenseren niet juist is. Het hof zal ook de kosten in het door de vader ingestelde (incidenteel) hoger beroep compenseren in die zin dat ieder de eigen kosten draagt omdat de vader daarin geen kostenveroordeling heeft gevraagd.
De conclusie
Het hoger beroep van de moeder slaagt niet. Het hoger beroep van de vader slaagt voor een deel. Omdat de moeder in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof de moeder tot betaling van de proceskosten in het principaal hoger beroep veroordelen. De proceskosten in het incidenteel hoger beroep worden gecompenseerd.
4. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van 10 juli 2026 met nummer 453681 voor zover dit de nakoming van de door dit hof op 30 juni 2026 vastgestelde voorlopige zorgregeling betreft
vult dit vonnis in zoverre aan dat de dwangsom met ingang van de datum van dit arrest bepaald wordt op € 250 voor elke keer dat zij de door dit hof op 30 juni 2026 vastgestelde voorlopige zorgregeling niet nakomt, met een maximum van € 18.750
veroordeelt de moeder in het principaal hoger beroep tot betaling van de volgende proceskosten van de vader:
€ 373 aan griffierecht
€ 2.580 aan salaris van de advocaat (2 procespunten x tarief II, € 1.290)
compenseert de proceskosten in het incidenteel hoger beroep
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. E. de Boer, J.U.M. van der Werff en P.B. Kamminga en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 1 september 2026.