Overwegingen
Het standpunt van de terbeschikkinggestelde
De terbeschikkinggestelde wil vrijkomen en bij zijn moeder gaan wonen. Hij is door zijn somatische conditie zeer beperkt in zijn bewegingsvrijheid. Hij heeft spijt van wat er is gebeurd, en zijn intenties zijn goed. Hij krijgt op dit moment geen behandeling in het kader van zijn maatregel.
De advocaat heeft primair verzocht de terbeschikkingstelling niet te verlengen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het recidiverisico nu heel anders beoordeeld moet worden. Door de halfzijdige verlamming van de terbeschikkinggestelde als gevolg van een hersenbloeding in 2022 wil en kan de terbeschikkinggestelde geen kwaad meer doen. Uit de verslagen blijkt ook alleen nog van verbale agressie. Hij kan bij zijn familie terecht en kan ambulant behandeld worden. De advocaat heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat sprake is van een schending van artikel 5 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Deze schending vloeit voort uit het feit dat terbeschikkinggestelde in het kader van de maatregel nu niet behandeld wordt, en er ook geen perspectief is op behandeling van de terbeschikkinggestelde omdat hij niet leerbaar zou zijn. Onlangs is een verlofaanvraag nog afgewezen, de terbeschikkinggestelde krijgt niet eens de kans om zich te bewijzen. Er is sprake van een uitzichtloze situatie.
Subsidiair heeft de advocaat zich op het standpunt gesteld dat de terbeschikkingstelling verlengd dient te worden met een termijn van één jaar om over een jaar te kijken of de terbeschikkinggestelde geplaatst kan worden bij de Van der Hoevenkliniek.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank. Er is bij de terbeschikkinggestelde sprake van een bijzondere situatie. Ondanks zijn fysieke beperkingen wordt het recidiverisico ingeschat als hoog en is verblijf op een hoog beveiligingsniveau nog steeds nodig. De veiligheid van de personen die hem moeten verzorgen moet gewaarborgd worden. Door de kliniek wordt gezocht naar een passende voorziening voor de terbeschikkinggestelde. Dat heeft tijd nodig. Op het moment dat er een passende voorziening wordt gevonden, moet het behandeltraject nog gestart worden. Een verlenging van de terbeschikkingstelling met twee jaar is aangewezen. Er is geen sprake van een schending van artikel 5 EVRM.
Het oordeel van het hof
Bevestiging
Het hof is onder aanvulling van gronden als hierna weergegeven van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en op de juiste wijze heeft beslist. Daarom zal het hof de beslissing waarvan beroep met die aanvulling bevestigen.
Artikel 5 EVRM
De advocaat heeft een beroep gedaan op artikel 5 EVRM en heeft in dat verband aangevoerd dat de terbeschikkinggestelde vanwege zijn somatische conditie verblijft in een penitentiaire inrichting en geen zicht heeft op behandeling in een kliniek in het kader van zijn maatregel van terbeschikkingstelling.
Het verweer wordt verworpen. De in het kader van de door de rechter opgelegde maatregel toegepaste vrijheidsontneming strekt ertoe herhaling van strafbare feiten te voorkomen. Thans wordt – zo blijkt uit de updates van de kliniek van 27 februari 2026 en 30 juli 2026 – weliswaar (nog) niet voorzien in behandeling in engere zin, maar er is in dit stadium van de tenuitvoerlegging sprake van een (voor zover mogelijk) redelijk normaal traject met vaststelling van een behandelplan, risicotaxatie, delictanalyse en regelmatige gesprekken, terwijl overigens in 2025 al door het PBC is vastgesteld dat het onwaarschijnlijk is dat gedragsbewerkende behandeling helpend zal zijn. Bovendien zijn en worden verdere inspanningen gedaan om een geschikte plaats voor de terbeschikkinggestelde te vinden.
Duur van de verlenging
Het hof heeft als uitgangspunt dat de terbeschikkingstelling verlengd dient te worden met een termijn van twee jaren wanneer aannemelijk is geworden dat de behandeling en resocialisatie van de terbeschikkinggestelde in het bestaande juridische kader meer tijd in beslag zal nemen dan de tijd die resteert bij een verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van één jaar. Het hof ziet in dit geval geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken.
BESLISSING
Het hof:
Bevestigt met aanvulling van gronden als voormeld de beslissing van de rechtbank Rotterdam, van 18 maart 2026, met betrekking tot de terbeschikkinggestelde, [terbeschikkinggestelde] .
Aldus gedaan door
mr. P.C. Vegter, voorzitter,
mr. A.B.A.P.M. Ficq en mr. O.O. van der Lee, raadsheren,
en drs. C.J.J.C.M. van Gestel en drs. B. van Giessen, raden,
in tegenwoordigheid van mr. J. Lambriks, griffier,
en op 27 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.
De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.