GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.351.057
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 569883)
beschikking van 3 september 2026
inzake
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: [verzoeker] ,
advocaat mr. J.T.M. Sengers,
en
[verweerster] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. F. Pool.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
mr. K.G.I.M. Schröder,
kantoorhoudende te Utrecht,
in haar hoedanigheid van bijzondere curator van [de minderjarige] ,
verder te noemen: de bijzondere curator.
Als informant is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd in Amsterdam,
verder te noemen: de GI.
1. Het verloop van het geding in hoger beroep
Voor het verloop van het geding tot 16 december 2025 verwijst het hof naar zijn tussenbeschikking van die datum.
Op 17 februari 2026 heeft de advocaat van de moeder een brief met producties aan het hof toegezonden.
2. De motivering van de beslissing
Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 16 december 2025, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.
[verzoeker] heeft het hof verzocht om aan hem vervangende toestemming te verlenen om [de minderjarige] te erkennen en om een omgangsregeling vast te stellen. In de tussenbeschikking heeft het hof overwogen dat meer informatie nodig is om een beslissing te kunnen geven op de verzoeken van [verzoeker] . Het hof heeft de behandeling van de zaak aangehouden en aan [verzoeker] , de moeder en de bijzondere curator de gelegenheid gegeven om binnen twee maanden de in de tussenbeschikking genoemde informatie aan het hof over te leggen. Het ging daarbij om in ieder geval en voor zover voor handen:
- ( tussentijdse) verslagen/ evaluatierapporten van de ondertoezichtstelling/ uithuisplaatsing;
- eerdere beschikkingen over de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing;
eerdere raadsrapporten;
- eventuele mutaties met betrekking tot [verzoeker] en/of de moeder in de justitiële systemen voor zover opvraagbaar door partijen; en
- justitiële documentatie van [verzoeker] en van de moeder, dan wel een verklaring dat er geen justitiële documentatie is.
Het hof overweegt als volgt. Partijen moeten de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aanvoeren. Als partijen deze verplichting niet naleven, kan de rechter daaraan de conclusies verbinden die de rechter raadzaam vindt. Het hof heeft alleen van de moeder informatie ontvangen. Het hof stelt vast dat [verzoeker] geen enkele informatie heeft overgelegd, ook niet de informatie die – naar het hof aanneemt – uitsluitend door hem kan worden overgelegd. Het hof beschikt hierdoor niet over alle informatie die het hof nodig acht. Het hof is van oordeel dat het hierdoor niet anders kan beslissen dan de rechtbank heeft gedaan. Hierbij weegt het hof mee dat [verzoeker] in hoger beroep is gegaan en het – in beginsel – aan hem is om het hof van de benodigde informatie te voorzien en hij niet aan het hof heeft uitgelegd waarom hij aan het hof geen informatie heeft overgelegd. Het hof zal de beschikking van de rechtbank in stand laten (bekrachtigen).
3. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 18 oktober 2024;
wijst hetgeen anders of meer is verzocht af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, K.A.M. van Os-ten Have en A.T. Bol, bijgestaan door de griffier, en is op 3 september 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.