ECLI:NL:GHARL:2026:5733

ECLI:NL:GHARL:2026:5733

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 04-09-2026
Datum publicatie 04-09-2026
Zaaknummer 21-000351-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Veroordeling ter zake van tweemaal poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling. Vrijspraak voor de overige feiten. Voor de bewezenverklaarde feiten legt het hof 16 maanden gevangenisstraf op en een tbs-maatregel met dwangverpleging.

Uitspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats [Provincie] , van 20 januari 2026 met parketnummer 16-261811-24 in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats] ,

op dit moment verblijvende in [PI] te [plaats] .

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen het hiervoor vermelde vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 augustus 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.J. Serrarens, en de advocaat van de benadeelde partijen, mr. B. Roodveldt, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van een poging tot opzetverkrachting op [Slachtoffer 1] en [Slachtoffer 2] (feit 4 en 5), en het voorbereiden van een wederrechtelijke vrijheidsberoving en/of opzetverkrachting (feit 6).

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld voor drie feiten:

De rechtbank heeft aan de verdachte een gevangenisstraf van 18 maanden opgelegd, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opgelegd. De duur van deze maatregel is niet gemaximeerd tot de duur van 4 jaar.

De rechtbank heeft daarnaast de teruggave gelast van diverse voorwerpen aan de verdachte.

Tot slot heeft de rechtbank heeft beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen [Slachtoffer 1] en [Slachtoffer 2] .

Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid, en doet daarom opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1 primair:hij op of omstreeks 10 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [Slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden,

- die [Slachtoffer 1] heeft laten stoppen,

- die [Slachtoffer 1] bij haar heupen en/of bij haar lichaam heeft vast gepakt,

- die [Slachtoffer 1] van haar fiets heeft afgetrokken en/of

- zijn hand over de mond van die [Slachtoffer 1] heeft geplaatst en/of gehouden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 1 subsidiair:hij op of omstreeks 10 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland, een ander, te weten [Slachtoffer 1] , door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander en/of derden, te weten [Slachtoffer 1] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen en/of te dulden, te weten

- te stoppen,

- te blijven staan,

- haar mond te houden en/of niet te praten/schreeuwen en/of

- niet weg te gaan door

- die [Slachtoffer 1] te laten stoppen,

- die [Slachtoffer 1] bij haar heup, althans bij haar lichaam, vast te pakken,

- die [Slachtoffer 1] van haar fiets te trekken en/of

- zijn hand over de mond van die [Slachtoffer 1] te plaatsen en/of te houden;

feit 2: hij op of omstreeks 13 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [Slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden,

- die [Slachtoffer 2] enige tijd heeft gevolgd en/of meerdere keren heeft gepasseerd,

- de auto op het fietspad waar die [Slachtoffer 2] fietste tot stilstand heeft gebracht,

- de bijrijdersportier van zijn auto heeft geopend,

- die [Slachtoffer 2] heeft laten stoppen door zijn arm uit te steken,

- die [Slachtoffer 2] van haar fiets heeft getrokken,

- die [Slachtoffer 2] bij haar nek heeft vastgepakt en gehouden en/of in een nekklem heeft gehouden,

- die [Slachtoffer 2] in het gezicht, althans tegen het lichaam, heeft gestompt en/of heeft geslagen,

- de telefoon van die [Slachtoffer 2] uit haar handen heeft getrokken zodat zij geen alarmnummer kon bellen en/of

- die [Slachtoffer 2] over de grond heeft gesleept in de richting van de openstaande bijrijdersportier, althans in de richting van zijn auto,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 3: hij op of omstreeks 13 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland, [Slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [Slachtoffer 2]

- van haar fiets af te trekken,

- bij de keel vast te pakken en/of in een nekklem te houden,

- in het gezicht, althans tegen het lichaam, te slaan en/of te stompen en/of

- over de grond heen te trekken en/of te slepen, terwijl hij haar bij de keel vast had en/of in een nekklem vast hield; feit 4: hij op of omstreeks 10 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een persoon, te weten [Slachtoffer 1] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam te verrichten terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [Slachtoffer 1] daartoe de wil ontbrak en deze poging tot opzetverkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van en/of volgen door dwang, geweld en/of bedreiging,

- die [Slachtoffer 1] heeft laten stoppen,

- die [Slachtoffer 1] bij haar heupen en/of bij haar lichaam heeft vast gepakt,

- die [Slachtoffer 1] van haar fiets heeft afgetrokken en/of

- zijn hand over de mond van die [Slachtoffer 1] heeft geplaatst en/of gehouden

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 5: hij op of omstreeks 13 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een persoon, te weten [Slachtoffer 2] een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam te verrichten terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [Slachtoffer 2] daartoe de wil ontbrak en deze poging tot opzetverkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van en/of volgen door dwang, geweld en/of bedreiging,

- die [Slachtoffer 2] enige tijd heeft gevolgd en/of meerdere keren heeft gepasseerd,

- de auto op het fietspad waar die [Slachtoffer 2] fietste tot stilstand heeft gebracht,

- de bijrijdersportier van zijn auto heeft geopend,

- die [Slachtoffer 2] heeft laten stoppen door zijn arm uit te steken,

- die [Slachtoffer 2] van haar fiets heeft getrokken,

- die [Slachtoffer 2] bij haar nek heeft vastgepakt en gehouden en/of in een nekklem heeft gehouden,

- die [Slachtoffer 2] in het gezicht, althans tegen het lichaam, heeft gestompt en/of heeft geslagen,

- de telefoon van die [Slachtoffer 2] uit haar handen heeft getrokken zodat zij geen alarmnummer kon bellen en/of

- die [Slachtoffer 2] over de grond heeft gesleept in de richting van de openstaande bijrijdersportier, althans in de richting van zijn auto,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 6: hij op of omstreeks 16 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving als bedoeld in artikel 282 Wetboek van Strafrecht en/of (gekwalificeerde) opzetverkrachting als bedoeld in artikel 243 Wetboek van Strafrecht, opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten

- touw,

- een mes,

- aanzetstaal,

- glijmiddel,

- een veiligheidshamer,

- een butt plug en/of

- een kunstpenis,

bestemd tot het begaan van dat/die misdrijf/misdrijven, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat – zoals de rechtbank eerder oordeelde – de feiten 4, 5 en 6 niet kunnen worden bewezen en dat hiervoor vrijspraak moet volgen. De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat het onder 1, 2, en 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 1, 4, 5 en 6 tenlastegelegde. Ten aanzien van feit 1 is aangevoerd dat de verdachte niet past in het door aangeefster gegeven signalement en hetgeen overigens uit het dossier blijkt onvoldoende is om tot bewezenverklaring te kunnen komen. De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde.

Oordeel van het hof

De hieronder weergegeven bewijsmiddelen worden steeds – ook in onderdelen – slechts gebruikt voor het feit of de feiten waarop het blijkens hun inhoud betrekking heeft of hebben.

Bewijsmiddelen

Aangeefster [Slachtoffer 1] heeft bij de politie – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard.

Op [datum] fietste ik omstreeks 02:40 uur in mijn eentje richting huis. Tijdens mijn route naar huis stak ik de [Straat] over de [Straat] in [plaats] op en ter hoogte van huisnummer [huisnummer] , kwam opeens een man het fietspad op. Deze man kwam tussen de geparkeerde auto’s vandaan. Ik schrok hiervan en remde meteen mijn fiets tot stilstand.

Ik omschrijf deze man als een man tussen de 35 en 45 jaar oud, en kaal.

Het ging allemaal zo snel. Nadat ik oogcontact had met deze man, pakte hij mij meteen vast. Ik voelde dat de man zijn hand voor mijn mond hield. Vervolgens heb ik in de hand van de man gebeten, en ik voelde dat hij mij meteen los liet. Ik zag dat de man meteen wegdook in de richting van de geparkeerde auto’s die links naast het fietspad geparkeerd stonden. Ik ben toen meteen weggefietst. Ik heb, toen ik op een voor mij veilige afstand was, meteen mijn ex-vriend gebeld om 03:13 uur. Ik denk dat de man op dat moment alleen was omdat ik verder niemand in de omgeving heb waargenomen behalve hem.

De verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij in de nacht van

9 op [datum] overal en nergens en ook op de [Straat] in [plaats] heeft gereden, en dat hij niet meer weet wanneer in de nacht hij precies op de [Straat] was.

Verbalisant [verbalisant] heeft beelden uitgekeken van camera’s aan de [Straat] te [plaats] . De verbalisant beschrijft de beelden – zakelijk weergegeven – als volgt.

Op [datum] om 03:03:04 uur kwam een witte personenauto voorbij rijden. Deze personenauto reed in de zuidelijke richting. Dit was op de [Straat] . De kleur van de auto was wit en het dak van de auto was groen. Ook de rechter buitenspiegel was groen, en er was een soort logo of tekst op de zijkant van de auto. Aan de zijkant was een horizontale streep tussen de wielen.

De auto reed op 03:03:36 uur voorbij op de [Straat] . Vervolgens reed de witte auto met het groene dak voorbij om 03:10:06 uur in de noordelijke richting.

Vervolgens zag de verbalisant om 03:11:00 uur een vrouw in de zuidelijke richting fietsen. Aangeefster [Slachtoffer 1] heeft desgevraagd aangegeven dat zij de vrouw op deze afbeelding was.

Vervolgens zag verbalisant dat de witte auto met het groene dak om 03:11:22 uur voorbijreed in de zuidelijke richting.

Vervolgens zag verbalisant dat de witte auto met het groene dak om 03:15:01 uur voorbijreed in de noordelijke richting.

Verbalisant [verbalisant] heeft ten aanzien van de auto die (naar het hof begrijpt) op de beelden van de nacht van [datum] op de [Straat] te [plaats] te zien is het volgende geconstateerd:

Op de beelden die tijdens het onderzoek aan de [Straat] waren veiliggesteld, was een witte personenauto met een groen dak en groene rechterbuitenspiegel te zien. Tevens was zichtbaar dat er belettering op de rechterzijde van het voertuig was aangebracht. Ik herkende dit voertuig met zekerheid als een [auto] , geproduceerd vanaf 2017, op basis van de vorm van de C-stijl, de vorm van het achterste ruitje aan de rechter achterzijde, de positie van de richtingaanwijzer in de buitenspiegel, mat zwarte wiellijsten, de vorm van de dakrails, de vorm van de knik in de mat zwarte stootlijst op de onderzijde van de portieren en de positie van de achterlichten.

Aangeefster [Slachtoffer 2] heeft bij de politie – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard.

Op [datum] omstreeks 01:00 uur fietste ik op het fietspad aan de [Straat] te [plaats] . Ik zag dat een auto mij tegemoet kwam rijden op het fietspad. Ik zag dat dit een witte auto betrof. Ik herinnerde mij direct dat ik onderweg al ongeveer twee keer een witte auto tegen gekomen was. De witte auto, die ik onderweg tegengekomen was, had een groene streep of een groen logo op de zijkant van de auto.

Ik zag dat de bestuurder de auto vóór mij tot stilstand bracht op het fietspad in de tunnel onder de [plaats] . Ik zag dat de bestuurder uitstapte. Ik zag dat de bestuurder naar het bijrijdersportier liep.

Ik zag dat de bestuurder het bijrijdersportier opende en open liet staan. Ik wilde met een ruime bocht om de bestuurder en de auto heen. Ik wilde dit aan de linkerkant van de auto doen, omdat de rechterkant te smal was. De linkerkant was dus de kant waar de bestuurder het bijrijdersportier geopend had.

Op het moment dat ik naast de auto fietste, zag ik dat de bestuurder op mij afgelopen kwam. Ik fietste op dit moment dus in de tunnel onder de [plaats] . Ik zag dat de bestuurder zijn arm vlak voor mij uitstak. Ik fietste hierdoor tegen zijn arm aan. Ik voelde dat zijn arm ter hoogte van mijn nek tegen mij aankwam. Op het moment dat ik de arm van de bestuurder raakte, zag en voelde ik dat hij zijn arm naar binnen boog waardoor ik direct door had dat hij mij vast wilde pakken. Hierdoor voelde ik dat de bestuurder mijn nek klemde met zijn arm. Mijn nek zat dus klem in de binnenkant van zijn arm. Ik viel op de grond. Ik probeerde direct

weer op te staan, maar dit lukte niet. Ik voelde dat de bestuurder kracht zette, want ik voelde dat mijn nek klem zat in zijn arm. Ik kon nog wel ademen en ik werd niet benauwd. Ik schreeuwde, omdat ik hulp wilde. Ik hoorde de bestuurder zeggen “Stil. Stil.” Ik zag en voelde dat de bestuurder mij in de richting van het openstaande bijrijdersportier trok. Ik voelde dat de bestuurder mij nog steeds bij mijn nek vasthield. Ik voelde dat de bestuurder mij over de grond probeerde mee te slepen. Ik pakte ondertussen mijn telefoon uit mijn tas. Ik wilde drie keer op de aan- en uit knop van mijn telefoon drukken, omdat ik dan een SOS-scherm te zien kreeg waardoor ik makkelijk het spoednummer 112 kon bellen. Echter zag en voelde ik dat de bestuurder mijn telefoon uit mijn hand pakte. Ik zag dat mijn telefoon

op de grond viel. Ik probeerde los te komen van de bestuurder. Ik werkte tegen door mij zwaar te maken en door om mij heen te slaan en schoppen. Uiteindelijk zag en voelde ik dat de bestuurder mij los liet. Ik rende weg. Ik zag dat de bestuurder in zijn auto stapte.

Ik liep terug naar mijn fiets. Ik kwam er ook achter dat ik mijn oorbellen en drie kettingen verloren was. Ik zag deze sieraden namelijk op de grond liggen. Daarnaast heb ik letsel aan mijn linkeroorlel. Ik voel een wondje. Daarnaast voelde ik een druk op mijn jukbeenderen.

Als laatst zag ik dat ik een wondje met bloed in het midden van mijn linkerpink heb.

Ik kan de bestuurder als volgt omschrijven: man, tussen de 30 en 45 jaar en ik zag dat de bestuurder kalend was.

Opmerking verbalisant: Ik zag een rode horizontale kras in de nek van de aangeefster. Ik zag een zwarte veeg op de linkerwang van de aangeefster. Ik zag dat de linkerwang van de aangeefster roder was dan de rechterwang van de aangeefster. Ik zag dat de aangeefster een klein wondje met bloed in het midden van haar linkerpink had.

Ik voel een lichte pijn aan mijn nek.

De verdachte heeft op de zitting bij de rechtbank verklaard dat hij in de periode van 10 augustus 2024 tot en met 13 augustus 2024 in een auto van de zaak reed, namelijk een witte [auto] met een groen dak en groene strepen aan de zijkant. Verder heeft hij verklaard dat hij op 13 augustus 2024 in [plaats] , [Slachtoffer 2] voor een korte tijd heeft gevolgd met zijn auto en dat hij zijn auto tot stilstand heeft gebracht op het fietspad waar zij fietste. Hij verklaart ook uit zijn auto te zijn gestapt en [Slachtoffer 2] bij haar bovenlichaam te hebben vastgepakt onder de tunnel. Hij heeft de hand van [Slachtoffer 2] , waarin de telefoon werd

vastgehouden, weggedraaid omdat hij dacht dat zij iets op haar telefoon wilde doen.

Bij het slachtoffer [Slachtoffer 2] werd (volgens de spooromschrijving) epitheel veiliggesteld bij de voorzijde aan haar hals, rondom de verkleuringen. Het SIN betreft AASB4563NL.

In een schriftelijk bescheid, te weten een NFI-rapport over het DNA-onderzoek over het hiervoor genoemde SIN, wordt vastgesteld dat het DNA afkomstig kan zijn van minimaal twee personen. Een relatief grote hoeveelheid DNA is afkomstig van het slachtoffer [Slachtoffer 2] , en een relatief kleine hoeveelheid DNA van de verdachte [verdachte] (bewijskracht: ongeveer 120 duizend).

In een proces-verbaal van bevindingen beschrijven verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] het letsel bij aangeefster [Slachtoffer 2] en het aantreffen van haar sieraden op de plaats delict.

Op 13 augustus 2024 zag ik een kras van ongeveer vier centimeter ter hoogte van [Slachtoffer 2] haar hals. Wij zagen dat [Slachtoffer 2] bij haar beide oorlellen wat bloed had zitten. Wij hoorden [Slachtoffer 2] zeggen dat zij voor het incident twee oorbellen in haar oren had, namelijk twee goudkleurige oorhangers met hartjes en zonnetjes. [Slachtoffer 2] vertelde dat de kans groot is dat zij tijdens de worsteling met de man de oorbellen is verloren.

Ik vroeg [Slachtoffer 2] welke sieraden zij nog miste. Ik hoorde haar het volgende zeggen:

- twee goudgekleurde oorhangers met hartjes en zonnetjes;

- een roze plastic ketting met bekertje.

Wij verbalisanten liepen vervolgens naar de tunnel en bekeken het wegdek en troffen over een afstand van tien tot vijftien meter diverse delen van sieraden aan. Zo vonden wij:

- tweemaal een goudgekleurde oorhanger met hartjes en zonnetjes;

- eenmaal een goudgekleurde oorbelachterkant;

- eenmaal een roze plastic ketting;

- eenmaal een roze plastic bekertje;

- eenmaal een goudgekleurde ketting;

- eenmaal een goudgekleurde vierkant kettinghanger.

Ik vroeg [Slachtoffer 2] of het kon dat zijn nog een goudgekleurde ketting miste. Ik hoorde haar zeggen dat zij dit niet had opgemerkt maar dit inderdaad het geval was.

Bewijsoverwegingen

Het hof stelt op grond van bovenstaande bewijsmiddelen, in hun onderlinge verband en samenhang bezien, de volgende feiten vast.

Ten aanzien van [Slachtoffer 2] : Verdachte heeft in de nacht van [datum] op 13 augustus 2024 in zijn auto, een witte [auto] met groen dak [Slachtoffer 2] achtervolgd, zijn auto op een fietspad gezet, heeft het bijrijdersportier geopend en open laten staan en is naar [Slachtoffer 2] toegelopen. Verdachte heeft [Slachtoffer 2] bij haar nek vastgepakt. [Slachtoffer 2] is op de grond gevallen en de verdachte heeft haar vervolgens richting de openstaande bijrijdersdeur van zijn auto getrokken. Hij heeft daarbij tegen [Slachtoffer 2] “stil stil” gezegd. [Slachtoffer 2] heeft geprobeerd om los te komen door zich zwaar te maken en om zich heen te slaan en te schoppen. Dit is gelukt. Bij [Slachtoffer 2] is een kras in haar nek, bebloede oorlellen en een wondje aan haar linkerpink vastgesteld.

Ten aanzien van [Slachtoffer 1] : Uit de aangifte van [Slachtoffer 1] volgt dat toen zij in de nacht van 10 augustus 2024 op de [Straat] in [plaats] fietste een man haar heeft laten stoppen, haar heeft vastgepakt en een hand voor haar mond heeft gedaan.

Uit de zich in het dossier bevindende camerabeelden van de [Straat] van die nacht, waarop [Slachtoffer 1] zichzelf herkent als de vrouw die om 03.11.00 uur in zuidelijke richting op de [Straat] fietst, volgt dat net daarna om 03.11.22 een witte auto met groen dak voorbijreed in zuidelijke richting en vervolgens om 03.15.01 uur weer in noordelijke richting reed. Uit de omstandigheden dat [Slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij direct na het incident haar ex-vriend heeft gebeld om 03.13 uur en zij op het moment van het incident niemand in de omgeving heeft waargenomen behalve de man, leidt het hof af dat de man de bestuurder van deze auto moet zijn geweest.

De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat het tijdsbestek tussen het voorbijrijden van de auto en het bellen van de ex-vriend door aangeefster te kort is geweest voor de bestuurder van de auto om de auto te keren en parkeren en contact te hebben met aangeefster. Het hof deelt dit standpunt niet. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de bestuurder van de auto op het moment van het incident op de [Straat] zeer dichtbij aangeefster aanwezig is geweest, dat aangeefster niemand anders op de locatie heeft waargenomen en het incident in een kort tijdsbestek plaatsvond.

Dat verdachte de bestuurder van deze auto is geweest, leidt het hof ten eerste af de omstandigheid dat het gaat om een, vanwege de kleurstelling, opmerkelijke auto van het merk [auto] en de verdachte in deze periode de beschikking heeft gehad over een dergelijke auto. Steun voor dat oordeel vindt het hof in de omstandigheid dat verdachte heeft erkend dat hij ergens die nacht op de [Straat] heeft gereden.

Bij zijn oordeel betrekt het hof ook dat de man volgens [Slachtoffer 1] een kale man tussen de 35 en 45 jaar was en dat de verdachte in dit signalement, dat ook door [Slachtoffer 2] is gegeven, past. De raadsvrouw heeft erop gewezen dat [Slachtoffer 1] ook heeft verklaard dat zij dacht dat de man gladgeschoren was, donkere ogen had en ongeveer 1,75 meter lang was, terwijl verdachte baardgroei en blauwe ogen heeft en 1,87 meter lang is. Anders dan de raadsvrouw ziet het hof hierin geen aanleiding om aan te nemen dat het verdachte niet is geweest. Het gaat om een kortdurend en heftig incident waarbij het voorstelbaar is dat getuigen niet alle details scherp hebben waargenomen. Dat dat ook in dit geval zo is geweest volgt ook uit de omstandigheid dat [Slachtoffer 1] heeft aangegeven dat zij “dacht” dat de man gladgeschoren was en bij het doorgeven van het signalement heeft opgegeven “mogelijk donkere ogen maar dat wist ze niet zeker”.Verder heeft het hof bij zijn oordeel betrokken dat er grote gelijkenissen zijn tussen

het voorval met [Slachtoffer 1] en dat met [Slachtoffer 2] . Het gaat in beide zaken om jonge vrouwen die in de nacht in [plaats] alleen op de fiets onderweg zijn. In beide gevallen worden ze gevolgd door een vrij kenmerkende witte [auto] met een groen dak. [Slachtoffer 2] en [Slachtoffer 1] zijn beiden in de nacht door een kale man van tussen de 35 en 45 jaar op een fietspad tot stilstand gebracht of bewogen te stoppen doordat de man daar ineens stond. Zij zijn vervolgens door hem vastgepakt.

Poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving van [Slachtoffer 1] en [Slachtoffer 2] (feit 1 primair en feit 2)

Er is sprake van wederrechtelijke vrijheidsberoving als het slachtoffer gedurende enige tijd

daadwerkelijk zodanig in haar bewegingsvrijheid is beperkt dat zij zich niet op elk gewenst

ogenblik van de plaats waar zij zich bevond kon verwijderen.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte [Slachtoffer 1] heeft vastgepakt zodat zij haar weg niet kon vervolgen. Hij heeft daarbij ook zijn hand voor haar mond gehouden. Dat die vrijheidsberoving uiteindelijk niet is gelukt, is te danken aan het verzet van [Slachtoffer 1] . Zij heeft in de hand van de verdachte gebeten waarna hij haar losliet.

Ook [Slachtoffer 2] is door de verdachte vastgepakt zodat zij haar weg niet kon vervolgen. Zij is gevallen en vervolgens heeft de verdachte haar over de grond gesleept richting zijn auto, naar het openstaande bijrijdersportier. Ook bij haar is de vrijheidsberoving uiteindelijk niet gelukt.

De verdachte heeft aangevoerd dat hij [Slachtoffer 2] heeft vastgepakt omdat hij wilde onderzoeken of hij sterk genoeg zou zijn om de keuze te maken om haar weer te laten gaan. Hij stelt dat dit het geval bleek en dat het daarom bij enkel vastpakken is gebleven. Het hof gaat echter uit van de lezing van de gebeurtenissen zoals [Slachtoffer 2] die omschrijft in haar aangifte, dat verdachte het portier aan de passagierszijde openzette en probeerde haar over de grond in die richting te slepen. Haar verklaringen vinden steun in de andere bewijsmiddelen. Het hof wijst in dit verband op het aantreffen van diverse (kapotte) sieraden van [Slachtoffer 2] op de plaats delict over een afstand van 10 tot 15 meter. Zij heeft verder ook haar verzet beschreven om uit de greep van verdachte los te komen. De kras in haar nek, de bebloede oorlellen en het wondje aan haar linkerpink, passen allemaal bij dit door haar beschreven verzet.

Het hof acht de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving wettig en overtuigend bewezen.

Mishandeling van [Slachtoffer 2] (feit 3)

Op grond van de hierboven genoemde bewijsmiddelen en de hierboven genoemde bewijsoverweging, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte [Slachtoffer 2] heeft mishandeld op 13 augustus 2024 .

Poging tot verkrachting van [Slachtoffer 1] en [Slachtoffer 2] (feit 4 en feit 5)

Zowel bij [Slachtoffer 1] als bij [Slachtoffer 2] heeft verdachte tijdens deze handelingen geen verbale seksuele uitlatingen gedaan, heeft noch zichzelf noch aangeefsters (gedeeltelijk) ontkleed of aangeefsters zodanig betast dat hieruit een seksuele lading moet worden afgeleid. Nu het begin van uitvoering van een delict met een seksuele component ontbreekt, is het hof met de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat niet kan worden geoordeeld dat het handelen van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm beschouwd moet worden als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf verkrachting.

Het hof zal verdachte daarom van het onder 4 en 5 tenlastegelegde vrijspreken.

Voorbereidingshandelingen wederrechtelijke vrijheidsberoving en opzetverkrachting (feit 6)

Bij de verdachte zijn na zijn aanhouding verschillende voorwerpen en/of stoffen aangetroffen, namelijk een touw, een mes, een aanzetstaal, glijmiddel, een veiligheidshamer, een buttplug en een kunstpenis. De verdachte heeft op de zitting bij het hof – net als bij de rechtbank – verklaard dat de voorwerpen bedoeld waren voor survivallen dan wel voor persoonlijk gebruik.

Het hof is, met de advocaat-generaal en de verdediging, van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden bewezen dat de voorwerpen en/of stoffen waren bestemd om te gebruiken bij de uitvoering van een wederrechtelijke vrijheidsberoving en/of een opzetverkrachting.

Het hof spreekt de verdachte daarom vrij van het aan hem onder 6 tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

feit 1 primair:hij op of omstreeks 10 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [Slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en/of beroofd te houden,

- die [Slachtoffer 1] heeft laten stoppen,

- die [Slachtoffer 1] bij haar heupen en/of bij haar lichaam heeft vast gepakt,

- die [Slachtoffer 1] van haar fiets heeft afgetrokken en/of

- zijn hand over de mond van die [Slachtoffer 1] heeft geplaatst en /of gehouden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2: hij op of omstreeks 13 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [Slachtoffer 2] wederrechtelijk van de vrijheid te beroven en /of beroofd te houden,

- die [Slachtoffer 2] enige tijd heeft gevolgd en /of meerdere keren heeft gepasseerd,

- de auto op het fietspad waar die [Slachtoffer 2] fietste tot stilstand heeft gebracht,

- de bijrijdersportier van zijn auto heeft geopend,

- die [Slachtoffer 2] heeft laten stoppen door zijn arm uit te steken,

- die [Slachtoffer 2] van haar fiets heeft getrokken,

- die [Slachtoffer 2] bij haar nek heeft vastgepakt en gehouden en/of in een nekklem heeft gehouden ,

- die [Slachtoffer 2] in het gezicht, althans tegen het lichaam, heeft gestompt en/of heeft geslagen,

- de telefoon van die [Slachtoffer 2] uit haar handen heeft getrokken zodat zij geen alarmnummer kon bellen en /of

- die [Slachtoffer 2] over de grond heeft gesleept in de richting van de openstaande bijrijdersportier, althans in de richting van zijn auto,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 3: hij op of omstreeks 13 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland, [Slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [Slachtoffer 2]

- van haar fiets af te trekken,

- bij de keel vast te pakken en/of in een nekklem te houden ,

- in het gezicht, althans tegen het lichaam, te slaan en/of te stompen en/of

- over de grond heen te trekken en/of te slepen, terwijl hij haar bij de keel vast had.

.en/of in een nekklem vast hield.

Het hof spreekt de verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het onder 1 primair bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:

poging tot opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

Het onder 2 en 3 bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd als:

de eendaadse samenloop van:

poging tot opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

en

mishandeling.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is niets gebleken of aannemelijk geworden dat de strafbaarheid van de verdachte geheel uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

Oplegging van straf en/of maatregel

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte een maatregel tot terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege (hierna: tbs-maatregel met dwangverpleging). De duur van deze maatregel is niet gemaximeerd tot een duur van vier jaar.

Hiertoe heeft zij aangevoerd dat er een aanzienlijk gevaar voor herhaling bestaat, nu de verdachte ongeveer een jaar na het eindigen van een eerder opgelegde tbs met voorwaarden nieuwe ernstige feiten heeft gepleegd, niet heeft willen meewerken aan onderzoek en/of behandeling en geen probleeminzicht heeft. Verdachte vormt daarmee een gevaar voor de algemene veiligheid van personen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het opleggen van een tbs-maatregel met dwangverpleging disproportioneel is bij een bewezenverklaring van het onder 2 en 3 tenlastegelegde. Verder heeft de raadsvrouw aangevoerd dat een stoornis niet valt vast te stellen op basis van het dossier, nu ook de vermeende seksuele intentie van zijn handelen ontbreekt.

Oordeel van het hof

Bij het bepalen van de straf en maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

De verdachte heeft zich in een korte tijd schuldig gemaakt aan twee pogingen tot wederechtelijke vrijheidsberoving en een mishandeling.

De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van beide slachtoffers. Uit hun aangiftes blijkt ook de angst die zij hebben ervaren tijdens die nacht. Beide slachtoffers hebben in eerste aanleg aangegeven dat zij negatieve gevolgen ervoeren van wat hen is aangedaan in de vorm van psychische klachten. Zij hebben allebei professionele hulp moeten inschakelen om te verwerken wat er is gebeurd. Beide slachtoffers hebben er in hoger beroep voor gekozen om het spreekrecht niet zelf uit te oefenen, omdat zij dit te confronterend vonden. De advocaat van de benadeelde partij heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven dat het [Slachtoffer 2] deels gelukt is om haar leven weer op de rit te krijgen, maar dat zij haar onbevangenheid op straat (in het donker) niet meer heeft. De verdachte heeft zich enkel heeft laten leiden door zijn eigen emoties en behoeften en zich op geen enkel moment bekommerd over de gevoelens of het welzijn van de slachtoffers. Veel vrouwen vrezen dat hen iets soortgelijks overkomt als zij in het donker alleen fietsen. Handelen als dit wakkert die vrees aan en schaadt daarmee ook het veiligheidsgevoel van vrouwen in het algemeen.

Het hof heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 24 juli 2026.

Gelet op de aard en ernst van de door de verdachte gepleegde feiten kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere straf dan een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Op de hoogte daarvan zal het hof later ingaan. Het hof zal namelijk eerst de vraag beantwoorden of daarnaast de maatregel TBS met dwangverpleging, zoals opgelegd door de rechtbank en gevorderd door de advocaat-generaal moet worden opgelegd.

Oplegging van de TBS-maatregel

Wettelijk kader

De tbs-maatregel kan door het hof worden opgelegd als is voldaan aan de in artikel

37a Sr gestelde voorwaarden.

Eén van die voorwaarden houdt in dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Daarnaast moet het door de verdachte begane feit een misdrijf zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en moet de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eisen.

Als de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dat eisen, kan ook worden bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd (artikel 37b lid 1 Sr).

Voor oplegging van de maatregel is verder vereist dat het hof beschikt over een advies

van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, onder wie een

psychiater, die de verdachte hebben onderzocht (artikel 37a lid 3 Sr). Indien een verdachte

zijn medewerking aan een onderzoek door gedragsdeskundigen heeft geweigerd, vervalt voor het opleggen van tbs de eis van een (volwaardig) multidisciplinair onderzoek (artikel 37a lid 4 Sr). Dit neemt niet weg dat vereist blijft dat moet worden vastgesteld dat sprake is van een psychische stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte ten tijde van het plegen van het feit. Zonder deze vaststelling is oplegging van een tbs-maatregel niet mogelijk.

De feiten

Het hof stelt vast dat bij een veroordeling wegens poging tot wederrechtelijke vrijheidsberoving, gelet op het gestelde strafmaximum, een tbs-maatregel kan worden opgelegd.

Weigeren medewerking aan onderzoek

De verdachte heeft in het kader van de huidige verdenking geweigerd mee te werken aan een consult rechtspleging NIFP en een ambulante Pro Justitia dubbelonderzoek. Om die reden is geadviseerd de verdachte klinisch te observeren in het [Kliniek] .

De rechtbank heeft deze observatie bevolen. De observatie heeft van 24 juni 2025 tot en met

5 augustus 2025 plaatsgevonden. Uit de rapportage van 2 oktober 2025 van het PBC volgt

dat de verdachte ook daar heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek.

Daarmee heeft hij de deskundigen de mogelijkheid ontnomen hem te observeren en waar te

nemen, waardoor over zijn psychische gesteldheid geen compleet beeld kan worden

gevormd. De deskundigen konden om die reden steeds geen conclusie trekken over het

classificeren van een psychische stoornis en of die stoornis ook bestond tijdens het plegen

van de misdrijven. Daardoor hebben zij zich onthouden van enig advies.

Het hof merkt op dat wanneer vanwege de weigerende houding van de verdachte door

de gedragsdeskundigen geen psychische stoornis of gebrekkige ontwikkeling kan worden

vastgesteld, dat niet betekent dat geen tbs-maatregel kan worden opgelegd. Het is namelijk

aan het hof om vast te stellen of bij de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten

een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Het gaat

daarbij om vaststelling of sprake was van zo’n gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke

stoornis in juridische zin; vaststellingen over de precieze aard van de bij verdachte

vastgestelde stoornis zijn volgens de jurisprudentie niet noodzakelijk. Het hof heeft daarin een eigen verantwoordelijkheid en is niet gebonden aan de door de deskundigen uitgebrachte adviezen.

Stoornis ten tijde van de tenlastegelegde feiten?

Het hof zal eerst nagaan of het kan vaststellen dat bij de verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens bestond.

Eerder is al overwogen dat de verdachte niet heeft meegewerkt aan het onderzoek in het PBC. Dit volgt uit het rapport van het PBC van 2 oktober 2025. Uit dit rapport komt kortgezegd het volgende naar voren.

De verdachte heeft gedecideerd en standvastig vormgegeven aan een procespositie waarin enige observatie alleen mogelijk was ten aanzien van het functioneren op de afdeling. De verdachte is niet in gesprek geweest met het onderzoeksteam.

In 2017 tot 2023 heeft de verdachte een traject van tbs met voorwaarden doorlopen naar aanleiding van een in 2015 gepleegde verkrachting. Bij de verdachte werd toen een parafiele stoornis (dominante type), een gemengde persoonlijkheidsstoornis (met narcistische, ontwijkende, en afhankelijke trekken), en een stoornis in het cannabisgebruik vastgesteld. Gedurende dit traject is deze diagnostiek niet significant gewijzigd.

De onderzoekers kunnen nu geen uitspraak doen over een mogelijke doorwerking van de psychopathologie van de verdachte in de tenlastegelegde feiten, en kunnen daarom ook geen inschatting geven van het recidivegevaar of een interventieadvies geven. Op basis van historische indicatoren voor toekomstig geweld geldt statistisch dat de verdachte op groepsniveau wel een bovengemiddeld risico heeft voor het plegen van seksueel gewelddadig gedrag.

De verdachte is op 19 november 2015 veroordeeld voor een gewelddadige verkrachting gepleegd op 9 mei 2015 en een bedreiging gepleegd op 2 mei 2015. In de nacht van

2 mei 2015 heeft verdachte volgens het vonnis een vrouw beetgepakt, haar bedreigd met een mes en haar gesommeerd bij hem op de scooter te gaan zitten. Het slachtoffer heeft weten te ontkomen. Vervolgens heeft verdachte in de nacht van 9 mei 2015 een vrouw een lift aangeboden op zijn scooter waarna hij haar in het park heeft verkracht en heeft gedwongen tot het verrichten en ondergaan van seksuele handelingen onder bedreiging van een mes, alles met gebruik van fors geweld. De verdachte heeft onder meer de handen van het slachtoffer samengebonden met tape, heeft haar keel meerder malen dichtgeknepen, heeft haar geslagen en getracht haar mond af te plakken.

In het destijds opgemaakte Pro Justitia rapport van psychiater dr. [Psychiater] van

22 juli 2015 wordt geconstateerd dat bij verdachte sprake was van een parafilie waarin de behoefte aan seksuele dominantie centraal staat, van een persoonlijkheidsstoornis met narcistische, en daarmee samenhangend ontwijkende en afhankelijke trekken, en een stoornis in cannabisgebruik. Het is zeer aannemelijk dat het hernieuwde gebruik (namelijk het roken van twee joints) het beoordelingsvermogen van verdachte negatief heeft beïnvloed. Het kan daarbij drempelverlagend hebben gewerkt op het daadwerkelijk uitleven van zijn behoefte aan seksuele dominantie.

In het toen opgemaakt Pro Justitia rapport van drs. [Psycholoog] , klinisch psychologe van 22 juli 2015 wordt gesteld dat onder meer sprake is van parafilie (dominerend type) en afhankelijkheid van cannabis (al dan niet in remissie). Beschreven wordt dat de periode voorafgaand aan het toen ten laste gelegde voor verdachte veel stress meebracht, onder meer omdat de relatie met zijn toenmalige vriendin was verbroken en zijn moeder van haar partner ging scheiden. Verdachte raakte zodanig van slag dat hij weer cannabis ging gebruiken. De psycholoog schrijft verder: “Er is bij hem sprake van een neiging tot domineren (als beschreven) in een relatie (parafilie); deze neiging heeft hij in de relatie met zijn vriendin steeds onder controle weten te houden. Hij vertelt dat de behoefte om iemand volledig te controleren hem ertoe bracht aangeefster aan te spreken. Onderzoekster acht het aannemelijk dat de behoefte aan iets heftigs als compensatie voor zijn gevoel van ontreddering en frustratie hierbij een rol speelde, maar zij meent dat hij hierbij ook werd geleid door zijn parafilie. Dat hij de controle op die neiging verliest en vervolgens tot zulk heftig agressief gedrag komt (indien voor hem bewezen), wordt veroorzaakt door zijn zwakke agressieregulatie; deze brengt met zich mee dat agressie bij heftige druk en ontregeling onverwacht sterk kan doorbreken, en dat daarbij de innerlijke controle ernstig tekortschiet. Hij heeft een slecht zicht op – en daarmee weinig controle – zijn woede. Betrokkene meldt dat een seksueel motief geen aanleiding vormde voor zijn gedrag, maar dat gaandeweg een seksuele drang opkwam. Onderzoekster acht het niet onaannemelijk dat betrokkene dit zo heeft ervaren, maar zij wil er aan toevoegen dat juist situaties waar in gedomineerd wordt, betrokkene seksueel opwinden. Zij meent dan ook dat juist de combinatie van persoonlijkheidsproblematiek en parafilie een belangrijke rol heeft gespeeld bij het tenlastegelegde; juist omdat hij in een psychisch onevenwichtige toestand verkeerde, verloor hij de controle en braken de impulsen door”.

In het Pro Justitia rapport van 8 februari 2019 wordt de visie van verdachte op de feiten uit 2015 beschreven, waarbij het kennelijk vooral gaat om het feit van 2 mei 2015 (de bedreiging). Verdachte wilde een vrouw verkrachten. Door te blowen ging hij er helemaal voor. Hij is op de scooter naar de coffeeshop gegaan en heeft uren rond gereden op zijn scooter. Hij was op jacht. Op een gegeven moment zag hij zijn slachtoffer. Hij greep haar bij haar capuchon en wilde haar meenemen, maar ze verzette zich en kwam los. Hij overwoog om er achter aan te gaan, maar bedacht zich dat ze kon gaan gillen en besloot toen te stoppen. Die eerste keer was min of meer impulsief, maar de tweede keer was wel in zekere zin voorbereid.

In het Pro Justititie (verlengings)advies van 23 februari 2021 werd overwogen:

“[B]bij betrokkene is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis met narcistische en antisociale trekken. Daarnaast is er sprake van een ziekelijke stoornis in de vorm van een parafiele stoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis, welke beide onder de huidige omstandigheden in remissie zijn. (…) Betrokkene heeft ontegenzeggelijk een ontwikkeling doorgemaakt tijdens de

tbs-behandeling. Dat neemt niet weg dat de kern van de onderliggende pathologie (de beschreven persoonlijkheidspathologie) nog steeds nadrukkelijk aanwezig is. Nu de parafiele tendensen niet meer op de voorgrond lijken te staan, zal de gestoorde agressie- en impulsregulatie bij het wegvallen van het huidige kader, mogelijk niet meer primair leiden tot gewelddadige zedendelicten. Het risico op meer algemeen geweld moet als matig tot hoog worden beoordeeld indien betrokkene op zichzelf is aangewezen en er sprake is van een conflictueuze situatie met een ander. Betrokkene is krenkbaar en gevoelig voor een autoritaire of sturende bejegening, hij kan dominant en eventueel explosief zijn woede uiten en kan blijven rondlopen met wraakgevoelens”.

In de Pro Justitia verlengingsrapportage van 14 februari 2023 schreef de psychiater

dr. [Psychiater] : “Er is eenduidigheid over de diagnostiek waarin naast een andere gespecificeerde parafiele stoornis, dominante type die nu in remissie is een persoonlijkheidsstoornis gesteld werd. De kern van betrokkenes problematiek ligt op het gebied van de persoonlijkheidsstoornis, en niet op het gebied van de parafilie of het middelengebruik. De persoonlijkheidsstoornis is milder geworden en hij heeft coping geleerd zodat hij zich maatschappelijk goed kan handhaven in wonen, werk en sociaal. Hij kan wel schetsen wat de signalen zijn als het slechter met hem gaat. Hij wil dan uiteindelijk wel hulp inschakelen en staat toe dat zijn moeder of zus dat ook mogen doen. Hij is er nu vooral op gericht om van de tbs maatregel af te komen, zoals hij openlijk zegt. Hij stelt dat hij niet zal recidiveren vanwege het strafprincipe. Hij heeft nu de behandeling gestopt maar hij kan daar weer hulp vragen als hij problemen ervaart. De verwachting is dat hij dat dan wel zal doen. (…) Zijn behoefte aan autonomie en zijn gevoeligheid voor de kritiek van anderen en negatieve interpretatie van gedrag van anderen blijven maar hij heeft geleerd om het te herkennen en om daarmee om te gaan. Hij kan zelfdefensief reageren maar ook onzeker en heeft dan de aanval als afweer. Dat leidt nu niet meer tot conflicten omdat hij het herkent. Hij heeft spanning zoekend gedrag wat hij nu gedeeltelijk ervaart in de sport. (…) Het advies is om de tbs maatregel NIET te verlengen, als hij ter zitting stabiel functioneert. Als dat niet het geval is en er sprake is van destabilisering en met name bij opkroppen van zijn gevoelens en het geseksualiseerd overdekken van zijn gevoelens, is het advies om de tbs maatregel met voorwaarden wel te verlengen gedurende één jaar”.

Op 25 juli 2023 is de tbs-maatregel geëindigd.

Bij de verdachte zijn in 2015 een parafiele stoornis, een gemengde persoonlijkheidsstoornis, en een stoornis in het cannabisgebruik geconstateerd, die gedurende het daarop volgende tbs-traject niet significant zijn gewijzigd. De onderzoekers van het PBC komen, door het niet meewerken van de verdachte, in 2025 nu niet toe aan verdere diagnostische conclusies. Gelet op de inhoud van de eerdere verlengingsadviezen en Pro Justitia rapporten die zijn

opgemaakt in het kader van de opgelegde tbs-maatregel met voorwaarden, is het hof

echter van oordeel dat tot een vaststelling kan worden gekomen dat de verdachte ten tijde

van de feiten in de onderhavige strafzaak leed aan een stoornis in de zin van artikel 37a Sr. Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Het hof ziet een parallel tussen de situatie uit 2015 en die uit 2024. Zowel in 2015 als in 2024 is de relatie van verdachte – kort voor het tenlastegelegde – verbroken, hetgeen in beide gevallen heeft geleid tot een stressvolle situatie voor de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij na het verbreken van de relatie met zijn partner op 9 augustus 2024 dagenlang doelloos heeft rondgereden en dat hij overspoeld werd door verdriet en er in die gemoedstoestand voor heeft gekozen [Slachtoffer 2] te volgen en tot stoppen te dwingen. Het beide aangeefsters laten stoppen, van de fiets trekken, vasthouden en in het geval van [Slachtoffer 2] zelfs richting de openstaande bijrijdersportier van zijn auto trekken, geeft ervan blijk dat bij verdachte in situaties van ontreddering en frustratie nog steeds behoefte bestaat aan iets heftigs als compensatie voor zijn gevoelens en de controle over zijn neiging en impulsen verliest. In de verlengingsrapportage uit 2023 wordt weliswaar gesteld dat verdachte coping heeft geleerd, kan schetsen wat de signalen zijn als het slechter met hem gaat en de verwachting is dat hij dan hulp zal vragen. Uit de schriftelijke verklaring van verdachte volgt echter dat verdachte na het verbreken van zijn relatie dagenlang heftige emoties heeft ervaren en geen hulp heeft gezocht. Ook volgt daaruit dat hij op 12 augustus 2024, daags voordat hij [Slachtoffer 2] opwacht, in een coffeeshop in [plaats] joints heeft gekocht. In 2015 had de verdachte in de avond voorafgaand aan het tenlastegelegde, twee joints gerookt die zijn beoordelingsvermogen negatief hebben beïnvloed en waarschijnlijk drempelverlagend hebben gewerkt. Hoewel verdachte wist van het verband tussen het roken van joints en de feiten die hij in 2015 heeft gepleegd, heeft verdachte in augustus 2024 in plaats van hulp te zoeken opnieuw joints gekocht.

Op basis van bovengenoemde rapporten en de gedragingen zoals zijn bewezen, concludeert het hof dat de eerder gestelde diagnoses in de kern niet zijn gewijzigd en dat de eerdere behandeling in de tbs hierin geen wezenlijke verandering heeft gebracht. Het hof concludeert dat er hiermee voldoende grond is voor de vaststelling dat er bij de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten, nog altijd een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.

Toerekenbaarheid

Nu in grote mate overeenkomsten bestaan tussen de huidige feiten en het feit uit 2014 en de omstandigheden waaronder verdachte tot die feiten is gekomen, is zeer aannemelijk dat ook nu de combinatie van persoonlijkheidsproblematiek en parafilie een belangrijke rol heeft gespeeld bij het tenlastegelegde en aangenomen kan worden dat de feiten verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Gevaar voor herhaling?

Verdachte is op 19 november 2015 veroordeeld voor bedreiging en verkrachting waarbij hem een tbs-maatregel met voorwaarden is opgelegd. Deze maatregel is in 2023 beëindigd. In augustus 2024 pleegt verdachte nieuwe ernstige strafbare feiten waarbij opnieuw vrouwen het slachtoffer zijn. Na het plegen van het feit op 13 augustus 2024 is verdachte niet meer naar zijn woning gegaan, maar is hij naar het zuiden gereden. Hij heeft zijn telefoon uit het raam gegooid en heeft een nieuwe telefoon gekocht. De naam van zijn nieuwe google-account luidde: ‘ [e-mailadres] ’. Ook parkeerde hij zijn auto, kocht een scooter en vervolgde zijn reis op die scooter. Na zijn aanhouding op

16 augustus 2024 werd in de scooter ducttape aangetroffen. Door verbalisanten is geconstateerd dat verdachte op de avond van 12 augustus 2024 (kort voordat hij het feit tegen [Slachtoffer 2] pleegde) met ducttape naar zijn auto liep. In zijn rugzak werden na zijn aanhoudingen onder meer een touw en een mes aangetroffen. Verdachte had bovendien een aantal joints bij zich.

Gelet op de vaststelling dat de verdachte lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis, de eerdere veroordeling (vanwege bedreiging en verkrachting, beide gepleegd tegen vrouwen in de nachtelijke uren), het feit dat de verdachte na zijn behandeling toen het niet goed met hem ging, geen hulp heeft gezocht, joints heeft gekocht en opnieuw de fout is ingegaan, nu niet meewerkt aan onderzoek en geen enkele blijk geeft van probleeminzicht, vindt het hof een aanzienlijk gevaar voor herhaling aanwezig. De verdachte vormt daarmee een gevaar voor de algemene veiligheid van personen.

Behandeling binnen de tbs met dwangverpleging

Het hof is van oordeel dat de behandeling van de verdachte, die in verband met de

maatschappelijke veiligheid noodzakelijk is, alleen kan plaatsvinden in het kader van de tbs-

maatregel met dwangverpleging.

Het hof heeft daarbij betrokken dat de feiten na ongeveer een jaar na het door de

verdachte doorlopen van het eerdere tbs-traject met voorwaarden hebben plaatsgevonden. De verdachte heeft, door in deze zaak te weigeren medewerking te verlenen aan onderzoek van gedragsdeskundigen, iedere opening naar een onderzoek naar alternatieve, minder vergaande mogelijkheden om herhalingsgevaar te verminderen, onmogelijk gemaakt. Een tbs-maatregel met voorwaarden als een klinische behandeling is dan ook niet aan de orde.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de oplegging van de tbs-maatregel met dwangverpleging in dit geval passend en noodzakelijk is. Aan alle wettelijke voorwaarden voor de oplegging van deze tbs-maatregel is voldaan.

Duur van de maatregel van TBS

De maatregel van TBS met verpleging van overheidswege wordt opgelegd wegens een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Op de bewezenverklaarde (poging tot) wederrechtelijke vrijheidsberoving staat een gevangenisstraf van vier jaren of meer en het is een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. De maatregel van TBS met verpleging van overheidswege is om die reden niet beperkt tot een periode van maximaal vier jaren.

De hoogte van de gevangenisstraf

Zoals hiervoor al is overwogen, is het hof van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de door de verdachte gepleegde feiten niet kan worden volstaan met een andere straf dan ene geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Voor de hoogte daarvan heeft het hof rekening gehouden met de persoon van de verdachte, zoals die uit het onderzoek ter terechtzitting en met name ook uit de genoemde rapportages naar voren is gekomen. Zoals ook al is overwogen rekent het hof de bewezenverklaarde feiten in verminderende mate aan verdachte toe, wat strafverminderend werkt.

Het hof zal daarom een lagere gevangenisstraf opleggen dan de rechtbank heeft opgelegd en door de advocaat-generaal is geëist, namelijk een gevangenisstraf van 16 maanden met aftrek van voorarrest.

Beslag

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat het in beslag genomen geldbedrag van € 500,00 niet moet worden teruggegeven aan de verdachte. De overige goederen kunnen volgens de advocaat-generaal wel worden teruggegeven aan de verdachte.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen over de in beslag genomen goederen.

Oordeel van het hof

Het hof zal – net als de rechtbank – de teruggave gelasten van de volgende in beslag genomen voorwerpen: 500 euro, 2 computers, een verbanddoos, 3 paar schoenen, een armband, 2 broeken, een jas, een vloerkleed, kleding, een shirt, een doos, 2 stuks condooms, 3 telefoontoestellen, een USB-stick, plakband, een beschermhoes, een adapter en een tas.

Het hof zal geen beslissing nemen ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag van

€ 750,00 (in verband met het conservatoire beslag) en ten aanzien van de bromfiets.

Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [Slachtoffer 1]

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat de vordering van [Slachtoffer 1] integraal kan worden toegewezen, conform het vonnis.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak.

Oordeel van het hof

De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.000,00 aan immateriële schade ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag volledig toegewezen. De benadeelde partij heeft haar vordering gehandhaafd in hoger beroep.

Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt het hof vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen artikel 6:106 sub b van het Burgerlijk Wetboek valt.

Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde

partij, is het hof van oordeel dat zij door het strafbare feit op andere wijze in haar

persoon is aangetast. De benadeelde partij heeft met de brief van de therapeut voldoende

concrete gegevens overgelegd waaruit de ernst van de gevolgen blijkt. Gelet op de bedragen

die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is het hof van

oordeel dat de gevraagde vergoeding van € 3.000,- billijk is. Het hof wijst de vordering van de benadeelde partij daarom in zijn geheel toe.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Het hof bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente ter zake de immateriële schade op de datum van het ontstaan van de schade, namelijk 10 augustus 2024 .

Vordering van de benadeelde partij [Slachtoffer 2]

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding van

€ 5.264,88 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 5.169,72. De rechtbank heeft de gevorderde kosten voor het missen van de introductieweek toegewezen tot een bedrag van € 43,50, en deze gevorderde kosten voor het overige afgewezen. Daarnaast heeft de rechtbank de gevorderde reiskosten voor het doen van aangifte afgewezen.

De advocate van de benadeelde partij heeft ter zitting laten weten dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd, met uitzondering van de gevorderde reiskosten voor het doen van aangifte. Daarnaast heeft zij aangegeven dat de gevorderde kosten voor het missen van de introductieweek worden gehandhaafd, met eventueel een vermindering van

25 procent, omdat de benadeelde partij één van de vier dagen van de introductieweek heeft gemist als gevolg van het tenlastegelegde.

Het totale gevorderde bedrag in hoger beroep bedraagt dus € 5.213,22.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat aansluiting kan worden gezocht bij het vonnis, en dat de gevorderde schade ten aanzien van het missen van de introductieweek kan worden toegewezen met de hiervoor vermelde ‘vermindering’ van 25 procent. Ook heeft de advocaat-generaal verzocht om de gevraagde wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van deze vordering gerefereerd aan de oordeel van het hof.

Oordeel van het hof

Materiële schade

Het gedeelte van de vordering dat ziet op kosten van het aanschaffen van een tweedehands fiets is voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met de onder 2 en 3 bewezen verklaarde feiten. Benadeelde partij [Slachtoffer 2] was als student geruime tijd

haar fiets kwijt, omdat deze in beslag was genomen door de politie voor onderzoek.

Het hof acht het gevorderde bedrag van € 100,- voor de aanschaf van een vervangende

fiets redelijk en wijst daarom dit deel van de vordering toe.

Het deel van de vordering dat ziet op het missen van vier dagen is gedeeltelijk voldoende onderbouwd. Het hof wijst dit deel van de vordering gedeeltelijk toe, namelijk drie van de vier dagen. De benadeelde heeft één van de vier dagen van de introductieweek kunnen volgen. Daarom wijst het hof het gevorderde bedrag gedeeltelijk toe voor een bedrag van

€ 65,25. Het hof wijst het overige deel van de vordering (€ 21,75) af.

Het hof wijst het gehandhaafde deel van de vordering ten aanzien van de gemaakte reiskosten toe (€ 26,22). Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met de onder 2 en 3 bewezenverklaarde feiten, nu de fiets van [Slachtoffer 2] enige tijd in beslag was genomen voor onderzoek.

Dit betekent dat het hof een totaalbedrag van € 191,47 aan materiële schade toewijst.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Het hof bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente ter zake de materiële schade op de datum van het ontstaan van de schade, namelijk 13 augustus 2024 .

Immateriële schade

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade geldt dat, gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij, het hof van oordeel is dat [Slachtoffer 2] door het strafbare feit op andere wijze in haar persoon is aangetast (als bedoeld in art. 6:106 sub b BW). Daarbij is met voldoende concrete gegevens onderbouwd dat [Slachtoffer 2] in behandeling is geweest bij een GZ-psycholoog en EMDR-therapie heeft gevolgd.

Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is het hof van oordeel dat de gevraagde vergoeding van € 5.000,- billijk is. Het hof wijst de vordering van de benadeelde partij met betrekking tot de immateriële schade daarom in zijn geheel toe.

Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.

Het hof bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente ter zake de materiële schade op de datum van het ontstaan van de schade, namelijk 13 augustus 2024 .

Wetsartikelen

De straf en maatregel zijn gebaseerd op de artikelen 36f, 37a, 37b, 45, 55, 57, 282 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

Vordering van de benadeelde partij [Slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [Slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.000,00 (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [Slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 30 (dertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op

10 augustus 2024.

Vordering van de benadeelde partij [Slachtoffer 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [Slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.191,47 (vijfduizend honderdeenennegentig euro en zevenenveertig cent) bestaande uit € 191,47 (honderdeenennegentig euro en zevenenveertig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [Slachtoffer 2] , ter zake van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.191,47 (vijfduizend honderdeenennegentig euro en zevenenveertig cent) bestaande uit € 191,47 (honderdeenennegentig euro en zevenenveertig cent) materiële schade en

€ 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 50 (vijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 13 augustus 2024.

Dit arrest is gewezen door mr. J.D. den Hartog, mr. T. Bertens en mr. I.C.E. Draisma, in aanwezigheid van de griffier mr. R. Harsveld en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand