ECLI:NL:GHARL:2026:5747

ECLI:NL:GHARL:2026:5747

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 01-09-2026
Datum publicatie 04-09-2026
Zaaknummer 25/2461 tm 25/2464
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

IB/PVV. Aanmaningskosten en kosten dwangbevel.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

nummers BK-ARN 25/2461 tot en met 25/2464

uitspraakdatum: 1 september 2026

Uitspraak van de zeventiende enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 oktober 2025, nummers LEE 24/5081 en LEE 25/256 tot en met 25/258, in het geding tussen belanghebbende en

de ontvanger van de Belastingdienst/Centrale administratieve processen (hierna: de Ontvanger)

1. Ontstaan en loop van het geding

Aan belanghebbende is voor de inning van de voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2024 (hierna: de voorlopige aanslag) op 17 april 2024 een betalingsherinnering gestuurd. Voorts is aan belanghebbende bij aanmaning van 24 mei 2024 een bedrag van € 9 aan aanmaningskosten in rekening gebracht en is met dagtekening 19 juni 2024 een dwangbevel betekend waarbij een bedrag van € 49 aan kosten in rekening is gebracht.

De Ontvanger heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 november 2024 het bezwaar tegen de – onder 1.1 genoemde – kosten ongegrond verklaard, maar de kosten uit coulance wel verminderd naar nihil.

De Ontvanger heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 november 2024 het bezwaar tegen het in rekening brengen van invorderingsrente voor de voorlopige aanslag kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

De Ontvanger heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 november 2024 het bezwaar tegen het – onder 1.1 genoemde – dwangbevel kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

De Ontvanger heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 november 2024 het bezwaar tegen de – onder 1.1 genoemde – betalingsherinnering kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Belanghebbende is tegen de uitspraken op bezwaar in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep tegen de onder 1.2 genoemde uitspraak op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard (zaaknummer LEE 24/5081). De beroepen tegen de onder 1.3, 1.4 en 1.5 genoemde uitspraken op bezwaar, die door de Rechtbank geregistreerd zijn onder de respectievelijke zaaknummers LEE 25/256, 25/257 en 25/258, zijn door de Rechtbank ongegrond verklaard.

De Rechtbank heeft van belanghebbende stukken ontvangen, die door de Rechtbank zijn aangemerkt als hogerberoepschriften en op de voet van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zijn doorgezonden aan het Hof. De Ontvanger heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft meerdere malen, binnengekomen bij de Rechtbank en doorgezonden aan het Hof, nadere stukken ingediend. Het Hof heeft ook meerdere malen stukken ontvangen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling bestuursrechtspraak), die zij van belanghebbende had ontvangen maar betrekking hebben op onderhavige procedure.

Naar aanleiding van de uitnodiging voor de zitting van het Hof op 23 juni 2026, om 11.00 uur te Leeuwarden, heeft belanghebbende een brief met dagtekening 21 april 2026 (door het Hof via de Rechtbank ontvangen op 1 mei 2026) gestuurd met daarin – onder meer – het verzoek de mondelinge behandeling uit te stellen. Wat betreft dit verzoek heeft belanghebbende – samengevat – geschreven dat zij eerst antwoord wil hebben op door haar gestelde vragen, verduidelijkingen wenst, vooraf een agenda van de zitting en de door de rechter te stellen vragen wil ontvangen, en dat zij meer tijd nodig heeft om zich goed voor te bereiden. Verder begrijpt het Hof belanghebbende aldus dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden die zij heeft gesteld met betrekking tot de procedures en werkwijze van de rechtspraak, zoals opgenomen in het in eerdere correspondentie door haar overgelegde stappenplan met 80 punten.

Bij bericht van 7 mei 2026 heeft het Hof het uitstelverzoek afgewezen en daarin onder meer het volgende geschreven:

“Uit uw brief leidt het Hof af dat u niet verhinderd bent om 23 juni 2026 naar Leeuwarden te komen, maar dat u meer voorbereidingstijd nodig heeft en dat er voor u nog veel vragen c.q. onduidelijkheden zijn met betrekking tot de procedure. Gelet hierop zal het Hof het uitstelverzoek afwijzen en de zitting van 23 juni 2026 gebruiken om rustig met u over de zaken te praten, na te gaan welke grieven u precies heeft tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Nederland en te kijken of het Hof helderheid kan verschaffen over eventuele andere nog bij u levende vragen c.q. onduidelijkheden.

Mocht blijken dat op bepaalde punten nader onderzoek nodig of gewenst is, zullen de zaken worden aangehouden en zult u een termijn krijgen om nadere informatie te verstrekken. Verder heeft u het Hof gevraagd waarom de zitting niet in Groningen plaatsvindt. De vaste zittingslocaties van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zijn Arnhem en Leeuwarden. Aangezien uitspraak is gedaan door de rechtbank Noord-Nederland en u in [woonplaats] woont, is in het onderhavige geval gekozen voor een zitting in Leeuwarden (..).

Tot slot merk ik op dat u in alle zaken bent uitgenodigd om 11.00 uur. Voor zover nodig zullen de zaken echter achtereenvolgens worden behandeld.”

Belanghebbende heeft bij brief van 11 mei 2026 (door het Hof via de Rechtbank ontvangen op 18 mei 2026) gereageerd op het bericht van het Hof van 7 mei 2026. Belanghebbende heeft hierin – samengevat – het volgende geschreven. Eerst moet opgehelderd worden om welke zaken het gaat en wil ze vooraf schriftelijk per zaak de stand van zaken in het recht en de vragen van de rechter ontvangen. Pas als ze dit alles heeft ontvangen, kan belanghebbende verder met het interpreteren. Onduidelijkheden over de procedure moeten vooraf schriftelijk worden weggenomen, omdat anders alles er ter zitting kan worden doorgedrukt en daar past belanghebbende voor. Volgens belanghebbende dient op basis van wat er nu ligt voor alle zaken de niet-ontvankelijkheid te worden uitgesproken en dit dient op schrift te worden gesteld. Belanghebbende is van mening dat zolang dit niet gebeurt, zij niet hoeft te reageren, niet schriftelijk en ook niet mondeling. De conclusie van het Hof dat ze niet verhinderd is op 23 juni 2026 wijst ze af, mede vanwege de foutieve procedurele voorbereiding, ontbrekende gegevens en ontbrekend en/of foutief recht. Ze wijst er in dit verband op dat wat het Hof nu voorstelt om te bespreken, is terug te vinden in de uitgebreide correspondentie die is gevoerd en geeft daartoe een overzicht van meer dan 60 brieven (met bijlagen) die zij in de beroepsfase naar de Rechtbank heeft gestuurd.

Bij bericht van 21 mei 2026 heeft het Hof aan belanghebbende een overzicht verstrekt van alle aan de orde zijnde zaken en voor de volledigheid documenten bijgevoegd met de uitnodiging voor de zitting voor alle zaken. In het bericht is verder het volgende geschreven:

“Verder deel ik u mede dat de zitting doorgang zal vinden. Het Hof raadt u aan daarbij aanwezig te zijn, zodat de zaken met u kunnen worden gesproken. Ter zitting zal zeker rekening worden gehouden met het feit dat u zelf procedeert en geen gemachtigde heeft. De vragen zullen vooral betrekking hebben op het vaststellen van de feiten en hoe een en ander nu precies is verlopen. Die vragen zullen niet van tevoren aan u worden toegestuurd. Zoals in het bericht van het Hof van 7 mei 2026 ook reeds is aangegeven, kunnen de zaken ter zitting worden aangehouden als blijkt dat u meer tijd nodig heeft om een bepaalde vraag te beantwoorden of nadere informatie te verzamelen.”

De Ontvanger heeft bij bericht van 26 mei 2026 aan het Hof verzocht om belanghebbende te vragen onder verwijzing naar artikel 8:32a van de Awb duidelijkheid te verschaffen omtrent de gronden van het hoger beroep en de relevantie van de door haar in hoger beroep (nader) ingediende stukken.

Het Hof heeft het verzoek van de Ontvanger bij bericht van 27 mei 2026 gemotiveerd afgewezen.

Belanghebbende heeft bij brief van 1 juni 2026 gereageerd op het bericht van het Hof van 21 mei 2026. In deze brief doet belanghebbende wederom een verzoek om uitstel van de zitting. In de brief leest het Hof – wederom samengevat – een klacht over het zonder onderbouwing afwijzen van haar verzoek om uitstel, dat zij eerdere correspondentie inzake dit verzoek moet nagaan, wat weer tijd kost en daarom moet leiden tot uitstel van de zitting, en dat het niet nodig of mogelijk is naar de zitting te komen, omdat nog steeds niet is voldaan aan haar eisen (om naar de zitting te komen) en veel van haar aangevoerde redenen en argumenten nog steeds niet zijn behandeld. Verder stelt belanghebbende dat er te veel zaken op zitting staan die moeten worden beoordeeld, wat haar qua tijd niet past. Van een bijzonder geval in de zin van de uitstelregeling is volgens belanghebbende sprake omdat het kan zijn dat zij ter zitting plotseling vragen moet beantwoorden, wat haar positie schaadt; behandeling op zitting leidt zonder agenda met bespreekpunten en vooraf toegestuurde vragen tot extra mogelijkheden van vermenging en verwarring. Belanghebbende geeft tot slot aan dat als zij naar de zitting zou komen, zij daarmee de in haar ogen onjuiste wijze van behandeling van zaken binnen de rechtspraak zou accepteren en dat de rechter dus zou gaan bepalen welke bespreekpunten wel en welke niet aan de orde komen.

Bij bericht van 11 juni 2026 heeft het Hof aan belanghebbende meegedeeld geen aanleiding te zien om alsnog uitstel van de zitting te verlenen. In het bericht is verder vermeld:

“De zitting van dinsdag 23 juni 2026 om 11.00 uur te Leeuwarden zal derhalve gewoon doorgang vinden. Het Hof raadt u aan bij de zitting aanwezig te zijn, zodat de zaken met partijen kunnen worden besproken. Het Hof hecht er verder aan nogmaals te benadrukken dat indien ter zitting vragen worden gesteld waarop u niet direct antwoord kunt geven, de zaken zullen worden aangehouden en u in de gelegenheid zult worden gesteld schriftelijk te reageren.”

Het Hof heeft ter informatie van de Afdeling bestuursrechtspraak met dagtekening 11 juni 2026 een bericht ontvangen over een door belanghebbende aan haar gestuurde brief inzake onderhavige procedure. De brief is door het Hof doorgestuurd naar partijen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam1] namens de Ontvanger, bijgestaan door [naam2] . Belanghebbende is niet verschenen. De zaken zijn gelijktijdig behandeld met de zaak van belanghebbende met nummer BK-ARN 25/2465, waarvoor namens de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Eindhoven aanwezig waren [naam3] en [naam4] . Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting is op 24 juni 2026 door het Hof van de Rechtbank een stuk ontvangen dat belanghebbende bij de Rechtbank op 15 juni 2026 had ingediend. Nu dit stuk ruimschoots voor de zitting was ingediend en ziet op de onderhavige procedure, rekent het Hof dit stuk tot de stukken van het geding, hetgeen betekent dat dit wordt meegenomen in de beoordeling. Het Hof ziet geen aanleiding het onderzoek te heropenen om de Ontvanger in de gelegenheid te stellen hierop te reageren. Het stuk zal tegelijk met de uitspraak op digitale wijze aan de Ontvanger worden vrijgegeven.

Het Hof heeft op 29 juli 2026 een afschrift ontvangen van een door de Afdeling bestuursrechtspraak op 24 juli 2026 – op de voet van artikel 8:54 van de Awb – ten name van belanghebbende gedane uitspraak. Omdat belanghebbende blijkens die uitspraak van mening is dat niet het Hof maar de Afdeling bestuursrechtspraak bevoegd is te oordelen over het bestuursrecht, heeft zij tegen de uitspraak van de Rechtbank van 14 oktober 2025 hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Deze heeft zich in haar uitspraak onbevoegd verklaard kennis te nemen van het hoger beroep. Op 10 augustus 2026 heeft het Hof van de Afdeling bestuursrechtspraak het bericht ontvangen dat belanghebbende verzet heeft gedaan tegen de uitspraak van 24 juli 2026. Voor de volledigheid zal dit stuk tegelijk met de uitspraak naar partijen worden gestuurd.

Op 6 augustus 2026 heeft het Hof van de Rechtbank een stuk ontvangen dat belanghebbende bij de Rechtbank op 31 juli 2026 had ingediend. Het Hof zal aan de inhoud van dit stuk voorbij gaan omdat het onderzoek ter zitting op 23 juni 2026 reeds was gesloten en het Hof in de inhoud van dit stuk geen aanleiding vindt het onderzoek op de voet van artikel 8:68 van de Awb te heropenen. Het Hof zal dit stuk derhalve niet meenemen bij de beoordeling. Voor de volledigheid en vanuit het oogpunt van transparantie is het stuk wel aan het dossier toegevoegd en zal het tegelijk met de uitspraak op digitale wijze aan de Ontvanger worden vrijgegeven.

2. Vaststaande feiten

Aan belanghebbende is met dagtekening 31 januari 2024 de voorlopige aanslag opgelegd naar een te betalen bedrag van € 318. Voor de inning van de voorlopige aanslag is op 17 april 2024 een betalingsherinnering gestuurd. Voorts is aan belanghebbende bij aanmaning van 24 mei 2024 een bedrag van € 9 aan aanmaningskosten in rekening gebracht en is met dagtekening 19 juni 2024 een dwangbevel betekend waarbij een bedrag van € 49 aan kosten in rekening is gebracht.

Belanghebbende heeft met dagtekening 12 juli 2024 bij de Ontvanger een bezwaarschrift ingediend, waarop de Ontvanger als hierna vermeld heeft beslist.

De Ontvanger heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 november 2024 het bezwaar tegen de – onder 2.1 genoemde – kosten ongegrond verklaard, maar de kosten uit coulance wel verminderd naar nihil.

De Ontvanger heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 november 2024 het bezwaar tegen het in rekening brengen van invorderingsrente voor de voorlopige aanslag kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat geen besluit tot het in rekening brengen van invorderingsrente was genomen.

De Ontvanger heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 november 2024 het bezwaar tegen het – onder 2.1 genoemde – dwangbevel kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat alleen bij de civiele rechter in verzet kan worden gekomen tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel.

De Ontvanger heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 november 2024 het bezwaar tegen de – onder 2.1 genoemde – betalingsherinnering kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat een betalingsherinnering geen voor bezwaar vatbaar besluit is.

3. Geschil

In geschil is of de Rechtbank het beroep tegen de uitspraak op bezwaar inzake de kosten van de aanmaning en het dwangbevel terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en of de Ontvanger de overige uitspraken op bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Naar het Hof begrijpt, beantwoordt belanghebbende deze vragen ontkennend en de Ontvanger bevestigend.

4. Beoordeling van het geschil

Vooraf

Belanghebbende heeft bij brief van 21 april 2026 (zie 1.9) verzocht om uitstel van de zitting van 23 juni 2026. Het Hof is niet aan dit verzoek tegemoet gekomen. Daarna heeft belanghebbende haar verzoek nog een aantal malen herhaald (zie 1.11 en 1.15), welke verzoeken telkens door het Hof zijn afgewezen.

Indien een belanghebbende of zijn gemachtigde tijdig, onder aanvoering van gewichtige redenen waarom hij niet op de voor de behandeling van de zaak vastgestelde zittingsdag aanwezig kan zijn of hij zich daarop niet kan voorbereiden, verzoekt die behandeling op een nader te bepalen dag te doen plaatsvinden, dient de rechter dat verzoek in te willigen, tenzij hij oordeelt dat zwaarder wegende belangen aan uitstel in de weg staan. Dit oordeel dient de rechter in zijn uitspraak te motiveren (zie HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:358, r.o. 3.2; HR 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:789, r.o. 2.2.2 en HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3529, r.o. 3.3.1).

Het Hof stelt allereerst vast dat belanghebbende niet heeft gesteld dat zij wegens ziekte of om een andere reden verhinderd is om op de zitting van 23 juni 2026 aanwezig te zijn. Het Hof heeft dit in zijn bericht van 7 mei 2026 expliciet aan belanghebbende voorgehouden. Ook uit de latere brieven van belanghebbende kan niet worden afgeleid dat belanghebbende verhinderd is.

Uit de in haar verzoeken aangevoerde redenen, alsmede uit de overige stukken van het geding, maakt het Hof op dat belanghebbende zich niet kan vinden in de door de rechtspraak omtrent de behandeling van zaken gehanteerde procedure, waaronder de zitting. Belanghebbende heeft daartoe onder meer een stappenplan met 80 punten geformuleerd en overgelegd waaraan in haar ogen voldaan zou moeten worden. Uit de door belanghebbende aangevoerde argumenten en de wijze waarop belanghebbende deze naar voren heeft gebracht, leidt het Hof af dat dit voor haar voorwaarden zijn waaraan moet worden voldaan, wil zij aan een mondelinge behandeling gaan deelnemen. In haar brief van 1 juni 2026 geeft belanghebbende expliciet aan dat als zij naar de zitting zou komen, zij daarmee de in haar ogen onjuiste wijze van behandeling van zaken binnen de rechtspraak zou accepteren. Het argument dat zij meer tijd nodig heeft voor de voorbereiding, beschouwt het Hof in de context van het voorgaande. Het Hof begrijpt belanghebbende aldus dat zij zich niet kan voorbereiden op de zitting zolang het Hof niet voldoet aan de door haar voorgestane werkwijze. De vragen die belanghebbende zegt te hebben of de onduidelijkheden die zij ervaart, vloeien naar de indruk van het Hof vooral voort uit het feit dat belanghebbende het met de gehanteerde procedure volstrekt oneens is. In de uitnodiging voor de zitting is belanghebbende, naar het oordeel van het Hof, voldoende voorgelicht over de procedure en de gang van zaken bij die behandeling, waaronder dat uiterlijk tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen worden ingediend en dat belanghebbende iemand kan meebrengen om namens haar het woord te voeren. Uit de stukken volgt ook dat belanghebbende kennis heeft van de gang van zaken omtrent de procedure in hoger beroep en belanghebbende heeft bij bericht van 21 mei 2026 van het Hof nogmaals een overzicht gekregen van alle aan de orde zijnde zaken waarbij voor de volledigheid documenten zijn bijgevoegd met de uitnodiging voor de zitting voor alle zaken. Omdat het Hof uit de brieven van belanghebbende afleidt dat zij erop beducht is dat zij ter zitting wellicht vragen krijgt waarop zij het antwoord schuldig zal moeten blijven of waarop zij antwoorden geeft die ten nadele van haar werken, heeft het Hof bij de afwijzing van het uitstelverzoek toegezegd dat de zaken ter zitting kunnen worden aangehouden als blijkt dat belanghebbende meer tijd nodig heeft om een bepaalde vraag te beantwoorden of nadere informatie te verzamelen, en ook in latere berichten benadrukt dat indien ter zitting vragen worden gesteld waarop zij niet direct antwoord kan geven, de zaken zullen worden aangehouden en zij in de gelegenheid zal worden gesteld schriftelijk te reageren.

Gelet op het voorgaande en bezien in het licht van alle pogingen van het Hof om mogelijke door belanghebbende zo ervaren belemmeringen om aan een zitting deel te nemen weg te nemen, kunnen de door belanghebbende aangevoerde redenen waarom zij zich niet op de vastgestelde zittingsdag kan voorbereiden, althans daar meer tijd voor nodig heeft, naar het oordeel van het Hof, niet worden aangemerkt als gewichtige redenen als onder 4.2 bedoeld. Daarbij betrekt het Hof dat wel beschouwd sprake is van een situatie die door (enkel) het honoreren van het uitstelverzoek niet zal veranderen. Dit is voor het Hof een reden geweest om in zijn brief van 7 mei 2026 aan belanghebbende te schrijven dat het Hof eens rustig met haar wil praten over de zaken, ook om zo helderheid te kunnen verschaffen over eventuele andere nog bij haar levende vragen c.q. onduidelijkheden. Dat belanghebbende desondanks niet wil komen omdat zij het oneens is met de in hoger beroep geldende procedure is een omstandigheid die voor rekening van belanghebbende blijft. De stelling van belanghebbende dat er te veel zaken op zitting staan die moeten worden beoordeeld, wat haar qua tijd niet zou passen, is onvoldoende gemotiveerd en doet evenmin af aan het voorgaande. Ook hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt het Hof niet tot een ander oordeel. Het Hof heeft gelet op het voorgaande de behandeling ter zitting daarom buiten aanwezigheid van belanghebbende doorgang laten vinden en ter zitting het onderzoek gesloten.

Inhoudelijk

De Rechtbank heeft omtrent het tussen partijen bestaande geschil het volgende overwogen:

“LEE 24/5081

5. De rechtbank stelt vast dat de ontvanger de kosten van de aanmaning en het dwangbevel bij uitspraak op bezwaar alsnog heeft verminderd tot nihil. Daargelaten het antwoord op de vraag of de ontvanger dan terecht het bezwaar van [belanghebbende] tegen deze kosten ongegrond heeft verklaard, betekent dit, naar het oordeel van de rechtbank, dat [belanghebbende] met haar beroepschrift niet in een betere positie kan komen. Gelet op het ontbreken van dit belang bij haar beroep zal de rechtbank het beroep van [belanghebbende] niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank komt daarom niet toe aan behandeling van al hetgeen [belanghebbende] overigens heeft aangevoerd.

LEE 25/256

6. De rechtbank stelt vast dat de ontvanger bij de inning van de voorlopige aanslag IB/PVV 2024 geen invorderingsrente in rekening heeft gebracht. Er is daarom geen sprake van een beschikking invorderingsrente, zodat de ontvanger, naar het oordeel van de rechtbank, het bezwaar van [belanghebbende] terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank overweegt verder dat al hetgeen [belanghebbende] heeft aangevoerd niet tot een ander oordeel leidt. De rechtbank zal het beroep van [belanghebbende] ongegrond verklaren.

LEE 25/257

7. De rechtbank overweegt dat in het belastingrecht een gesloten stelsel van rechtsmiddelen geldt. Dat betekent dat alleen bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan worden ingesteld tegen beslissingen die in de belastingwetgeving zijn aangemerkt als voor bezwaar vatbaar. [noot 1: Artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).] Het dwangbevel waartegen [belanghebbende] bezwaar maakt, is niet als zodanig aan te merken. De [Ontvanger] heeft het bezwaar dan ook terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank overweegt verder dat al hetgeen [belanghebbende] heeft aangevoerd niet tot een ander oordeel leidt. De rechtbank zal het beroep van [belanghebbende] ongegrond verklaren.

LEE 25/258

8. De rechtbank overweegt dat in het belastingrecht een gesloten stelsel van rechtsmiddelen geldt. Dat betekent dat alleen bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan worden ingesteld tegen beslissingen die in de belastingwetgeving zijn aangemerkt als voor bezwaar vatbaar. [noot 2: Artikel 26, eerste lid, van de AWR.] De betalingsherinnering waartegen [belanghebbende] bezwaar maakt, is niet als zodanig aan te merken. De [Ontvanger] heeft het bezwaar dan ook terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank overweegt verder dat al hetgeen [belanghebbende] heeft aangevoerd niet tot een ander oordeel leidt. De rechtbank zal het beroep van [belanghebbende] ongegrond verklaren.”

Met de hiervoor aangehaalde overwegingen heeft de Rechtbank, naar het oordeel van het Hof, op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof neemt deze overwegingen dan ook over en maakt deze tot de zijne. In aanvulling hierop overweegt het Hof het volgende.

Wat betreft het niet in een betere positie kunnen komen met het beroep inzake de kosten van de aanmaning en het dwangbevel overweegt het Hof dat niet gebleken is dat belanghebbende in bezwaar, voordat op het bezwaar is beslist, heeft verzocht om vergoeding van kosten voor de behandeling van het bezwaar. Gelet op deze feitelijke vaststelling kan het instellen van beroep, ongeacht de gronden waarop het steunt, belanghebbende niet in een betere positie brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen zoals die met betrekking tot proceskosten (vgl. HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:878). Hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd, leidt het Hof niet tot een ander oordeel.

Voor zover belanghebbende heeft gesteld dat de Rechtbank haar beroep ter zitting of overigens onzorgvuldig heeft behandeld, overweegt het Hof dat daarvan niets is gebleken. De stukken van het geding bevatten geen aanwijzingen voor een dergelijke conclusie. Evenmin is gebleken dat belanghebbende is geschaad in haar verdediging. Dat belanghebbende het niet eens is met de gehanteerde gang van zaken maakt niet dat daarvan sprake is.

Belanghebbende heeft gesteld dat zij niet kan checken of het dossier compleet is. Naar het oordeel van het Hof geven de stukken van het geding geen aanleiding te veronderstellen dat het dossier niet volledig is en heeft belanghebbende onvoldoende aangedragen om aan te nemen dat de Ontvanger in (hoger) beroep niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Voor zover belanghebbende nog heeft gesteld dat algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden, verwerpt het Hof deze stelling, omdat belanghebbende geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die tot de conclusie leiden dat de Ontvanger enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden.

Ook hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Slotsom Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5. Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.B.A. Brummer, voorzitter en lid van de zeventiende enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 1 september 2026 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (G.B.A. Brummer)

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl V-N Vandaag 2026/2038
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand