Wrakingskamer
Kenmerk TBS: P25/394
Wrakingsnummer: W.200.372.383/01
Uitspraakdatum: 4 september 2026.
Beslissing gewezen op een verzoek op grond van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering, gedaan door
[verzoeker] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950,
verblijvende in [Kliniek] in [Provincie] ,
hierna te noemen: verzoeker.
Procedure
Op de zitting van de kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie van 2 april 2026 – waarop in hoger beroep de vordering tot verlenging van de termijn van de terbeschikkingstelling van verzoeker is behandeld – heeft verzoeker, bijgestaan door mr. D.W.H.M. Wolters, de wraking verzocht van de voorzitter, mr. M. Keppels. Het verzoek van 2 april 2026 is behandeld op de zitting van de wrakingskamer van 17 april 2026, waar verzoeker, bijgestaan door mr. Wolters, het wrakingsverzoek nader heeft toegelicht. De wrakingskamer van het hof heeft bij beslissing van 1 mei 2026 het verzoek tot wraking van mr. Keppels afgewezen.
Op de zitting van de kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie van 16 juli 2026 heeft verzoeker, bijgestaan door mr. Wolters, de wraking verzocht van de jongste raadsheer, mr. P.C. Vegter.
Mr. Vegter heeft te kennen gegeven niet in de wraking te berusten en geen gebruik te maken van de gelegenheid te worden gehoord.
Beoordeling
Artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering voorziet in de mogelijkheid dat op verzoek van de verdachte – of in een geval als dit, de terbeschikkinggestelde – of het openbaar ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen wordt gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Bij de beoordeling van zo’n verzoek dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Dit vermoeden moet slechts wijken als zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens de verdachte of het openbaar ministerie een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte of het openbaar ministerie dienaangaande vrees objectief is gerechtvaardigd.
Op grond van artikel 513, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) moet een wrakingsverzoek zijn gemotiveerd: het verzoek dient de feiten of omstandigheden te vermelden waardoor volgens de verzoeker de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Een verzoek dat niet voldoet aan deze motiveringseis, kan niet worden aangemerkt als een wrakingsverzoek in de zin van artikel 512 Sv en kan door de wrakingskamer buiten behandeling worden gelaten.
Volgens het proces-verbaal van de zitting van 16 juli 2026 heeft verzoeker ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd dat de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt doordat wat hij als procespartij zegt niet serieus wordt genomen. Het hof kan geen onderzoek doen naar het verlengingsadvies en dus kan het hof ook geen beslissing nemen. In de beslissing van de wrakingskamer van 1 mei 2026 heeft verzoeker gelezen dat zijn vier wrakingsgronden – de gronden voor wraking van de rechters van de rechtbank die verzoeker op de zittingen van de rechtbank van 2 juni 2025 en 24 juli 2025 heeft aangevoerd – geen betrekking zouden hebben op de procedure bij het hof, wat volgens verzoeker niet klopt.
Naar het oordeel van de wrakingskamer voldoet het verzoek met wat verzoeker op 16 juli 2026 heeft aangevoerd niet aan de eis dat een verzoek om wraking de feiten of omstandigheden vermeldt waardoor de onpartijdigheid van de gewraakte rechter(s) schade zou kunnen lijden. Verzoeker heeft ten opzichte van het wrakingsverzoek van 2 april 2026 geen nieuwe op de persoon van mr. Vegter betrekking hebbende feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die blijk zouden kunnen geven van twijfel aan diens onpartijdigheid. Daarmee voldoet het verzoek naar het oordeel van de wrakingskamer niet aan de motiveringseis van artikel 513, tweede lid, Sv en kan het niet worden aangemerkt als een wrakingsverzoek in de zin van artikel 512 Sv. Dit leidt ertoe dat het verzoek om wraking van 16 juli 2026 buiten behandeling wordt gelaten.
Nu verzoeker bij zowel zijn eerdere wrakingsverzoek als het onderhavige wrakingsverzoek zonder nadere onderbouwing de onpartijdigheid van de raadsheer in twijfel trekt, kan naar het oordeel van de wrakingskamer het – opeenvolgende – verzoek om wraking van een van de raadsheren van de meervoudige kamer in redelijkheid niet anders worden verstaan dan als de aanwending van de bevoegdheid tot wraking voor een ander doel dan waarvoor deze is gegeven (HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1770, rov. 4.5). Zo doende heeft verzoeker misbruik gemaakt van het rechtsmiddel van wraking als bedoeld in artikel 515, vierde lid, Sv. De wrakingskamer wijst verzoeker erop dat in geval van misbruik een volgend verzoek om wraking van de behandelend raadsheren met toepassing van artikel 515, vierde lid, Sv niet in behandeling zal worden genomen.
Omdat het verzoek niet kan worden aangemerkt als een verzoek in de zin van artikel 512 Sv doet de wrakingskamer het schriftelijk af.
BESLISSING
Het hof:
Aldus gewezen door
mr. N.C. van Lookeren Campagne, voorzitter,
mr. R.F.C. Spek en mr. R.A.V. Boxem, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.P. Fuchs-van Dis, griffier,
en op 4 september 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 4 september 2026.
Tegenwoordig:
mr. R.D.J. Visschers, voorzitter,
mr. T. Tanghe, advocaat-generaal,
mr. J.P. Fuchs-van Dis, griffier.
De voorzitter doet de zaak uitroepen.
De verzoeker is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.
De voorzitter spreekt de beslissing uit.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.