GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.356.003
(zaaknummer rechtbank Gelderland 442252)
beschikking van 3 februari 2026
in de zaak van
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J.A.N. Lap,
en
[verweerder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. J.W.C. Giebels.
1. De procedure in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland van 25 maart 2025, uitgesproken onder zaaknummer 442252, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.
2. De procedure in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift met producties, ingekomen op 23 juni 2025;
het verweerschrift met producties;
een journaalbericht van de vrouw van 23 oktober 2025 met producties 22 - 24;
een journaalbericht van de man van 20 november 2025 met producties 2 - 8;
een journaalbericht van de vrouw van 21 november 2025 met producties 25 - 31;
een journaalbericht van de vrouw 24 november 2025 met productie 32.
De mondelinge behandeling heeft op 5 december 2025 plaatsgevonden. De vrouw en de man waren met hun advocaten aanwezig.
3. De feiten
Het huwelijk van partijen is op 26 september 2016 ontbonden, door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
In de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank van 12 september 2016 is bepaald dat de inhoud van het echtscheidingsconvenant van partijen deel uitmaakt van die beschikking.
In dit echtscheidingsconvenant hebben partijen het volgende over een eventuele bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw (verder: partneralimentatie) opgenomen:
B. Partneralimentatie
Gezien de door de man behaalde bedrijfsresultaten over de jaren 2013, 2014 en 2015 is hij thans niet in staat tot betaling van een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw.
Partijen zullen elkander telkens in de maand april van elk jaar middels het ter beschikking stellen van afschriften van volledige en deugdelijke inkomsten- cq financiële gegevens informeren over hun financiële situatie en zonodig in overleg treden om te bepalen of en zo ja in welke mate een bijdrage in het levensonderhoud van oe andere partij dient te worden vastgesteld.
Het hiervoor bepaalde is niet meer van toepassing zodra partijen conform het bepaalde in de Wet geen aanspraak meer kunnen maken op een bijdrage in het levensonderhoud jegens de ander.
Bij beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem van 1 maart 2019 heeft de rechtbank voormelde beschikking van 12 september 2016 en het convenant dat daar deel van uitmaakt, gewijzigd en bepaald dat de man met ingang van 1 oktober 2018 als partneralimentatie een bedrag van € 1.750,- per maand aan de vrouw dient te voldoen.
4. Het geschil
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de beschikking van 1 maart 2019 gewijzigd, de partneralimentatie vanaf 1 oktober 2018 op nihil gesteld en daarnaast bepaald dat partijen over en weer niets aan elkaar zijn verschuldigd. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De vrouw is het niet eens met de beslissing van de rechtbank over de partneralimentatie en zij komt daarom in hoger beroep.
De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de man tot nihilstelling van de partneralimentatie alsnog af te wijzen.
De man voert verweer en hij vraagt het hof de vrouw niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoek, althans haar verzoek af te wijzen, en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5. De overwegingen voor de beslissing
Ontvankelijkheid / ingangsdatum
Het hof is van oordeel dat de eerste grief van de vrouw, inhoudende dat het onredelijk is dat de man zes jaar na de beschikking van 1 maart 2019 nog wijziging van de partneralimentatie kan verzoeken, niet slaagt.
Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank op dit punt over en voegt daaraan nog het volgende toe. Op grond van artikel 1:401 lid 4 kan wijziging worden verzocht van een rechterlijke uitspraak over partneralimentatie indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Dat de man tegen de uitspraak van 1 maart 2019 destijds geen hoger beroep heeft ingesteld en de discussie tussen partijen of de man hiertoe wel of niet in staat was, doet naar het oordeel van het hof niet ter zake. Niet ter discussie tussen partijen staat namelijk dat de man in de procedure bij de rechtbank niet is verschenen en dat zijn inkomensgegevens over de periode voorafgaand aan het door de vrouw gedane verzoek tot het vaststellen van een bedrag aan partneralimentatie niet bekend waren. De rechtbank heeft de partneralimentatie uitsluitend gebaseerd op de door de vrouw gestelde hoogte van haar behoefte. Bij de vrouw was dus ook bekend dat de rechterlijke uitspraak van 1 maart 2019 is gebaseerd op onvolledige gegevens. Partijen hebben de afgelopen jaren in onderling overleg ook geprobeerd om nieuwe andersluidende afspraken te maken, maar zij zijn niet tot overeenstemming gekomen. Daarom is de man ontvankelijk in zijn verzoek bij de rechtbank ingediende verzoek tot wijziging van de partneralimentatie. De onderhoudsbijdrage voor de vrouw moet naar het oordeel van het hof alsnog met ingang van 1 oktober 2018 met inachtneming van de wettelijke maatstaven worden beoordeeld. Dit maakt dat hetgeen de vrouw heeft gesteld in haar vijfde grief over de ingangsdatum van een eventuele wijziging van de partneralimentatie, door het hof ook wordt gepasseerd.
behoefte en behoeftigheid
Gebleken is dat de man de hoogte van de behoefte van de vrouw en haar behoeftigheid inmiddels niet meer betwist. De vrouw heeft op basis van gegevens over de financiële situatie van partijen over de jaren 2010 tot en met 2016 berekend dat haar behoefte destijds € 2.285,- (in 2018 geïndexeerd € 2.368,- netto per maand in 2018 en op dit moment € 3.039,- per maand) bedroeg en zij ontvangt uitsluitend een WIA-uitkering. Een beoordeling door het hof van de tweede en de derde grief van de vrouw is daarom niet meer nodig.
Omdat de rechtbank in de bestreden beschikking heeft overwogen dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw niet kan worden vastgesteld, betekent het vorenstaande dat het hoger beroep van de vrouw ten aanzien van haar behoefte slaagt en dat voldoende is komen vast staat dat zij behoefte heeft aan een alimentatiebijdrage van de man.
draagkracht man
Het hof gaat daarom alsnog beoordelen in hoeverre de man draagkracht had en/of heeft om partneralimentatie voor de vrouw te kunnen voldoen.
Aanhechten draagkrachtberekeningen
Het hof neemt de systematiek en richtlijnen voor de berekening van de partneralimentatie (in de rapporten) van de Expertgroep Alimentatie als uitgangspunt. Het hof zal de berekeningen aan deze beschikking hechten. Het hof bespreekt hierna alleen de punten waarover partijen van mening verschillen.
periode van 1 oktober 2018 tot 1 maart 2019
Voor de beoordeling van de draagkracht van de man over de periode van 1 oktober 2018 tot 1 maart 2019 gaat het hof, net als de vrouw, uit van een gemiddelde winst uit onderneming over 2016, 2017 en 2018 van € 52.548. Nu de winst over deze jaren tamelijk stabiel was, acht het hof dat redelijk.
Verder zijn partijen het erover eens dat het bedrag van € 6.202,- de premie AOV betreft en derhalve geen inkomen is.
Het hof houdt rekening met de aftrekbare hypotheekrente voor de voormalige echtelijke woning van € 866,- (€ 72,- per maand) en een WOZ-waarde van € 296.000, overeenkomstig de belastingaangifte 2018 die de man heeft overgelegd.
Geen rekening houdt het hof met de aflossing van de man op de schuld aan de vrouw wegens overbedeling, die partijen zijn overeengekomen in het echtscheidingsconvenant in het kader van de afwikkeling van de echtscheiding en die € 952,65 per maand bedraagt, te voldoen in 120 maandelijkse termijnen. Dat zou immers betekenen dat de vrouw indirect meebetaalt aan de aflossing van de man op deze schuld.
Het voorgaande leidt tot een besteedbaar inkomen van de man in 2018 van € 3.506,- per maand.
De vrouw verblijft in de woning van partijen en de man heeft voldoende nader onderbouwd dat hij voor zijn eigen woonruimte (een appartement) aan huur € 981,- per maand betaalde. Ook houdt het hof naast de hypotheekrente overeenkomstig de destijds geldende richtlijnen rekening met het forfait overige eigenaarslasten.
Rekening moet worden gehouden met de ziektekosten die de man had. De vrouw heeft geen rekening gehouden met een verzekeringspremie, maar wel met het eigen risico. Het hof zal daarom de man volgen, nu hij een redelijke en aannemelijke premie van € 110,- per maand opvoert.
Verder vormt de premie AOV een maandelijkse netto last van € 516,- per maand.
Aldus gerekend heeft de man een draagkrachtloos inkomen van € 2.546,- en dus een draagkrachtruimte van € 960,- per maand. Hiervan is 60% ofwel € 576,- per maand beschikbaar voor partneralimentatie. Rekening houdend met het belastingvoordeel waarop de man in 2018 aanspraak zou kunnen maken, kon hij per 1 oktober 2018 een bedrag van € 973.- per maand als onderhoudsbijdrage aan de vrouw voldoen. Geïndexeerd naar 2019 dient de man tot 1 maart 2019 € 992,- per maand aan de vrouw te voldoen.
periode van 1 maart 2019 tot 1 augustus 2020
Uit de stukken is genoegzaam gebleken dat de man in de periode van 1 maart 2019 tot 1 augustus 2020 geen inkomen heeft verworven in verband met zijn detentie . Gelet op de omstandigheden van het geval moet hiermee naar het oordeel van het hof rekening worden gehouden. De man had in deze periode geen draagkracht om een onderhoudsbijdrage voor de vrouw te kunnen voldoen.
periode van 1 augustus 2020 tot 1 januari 2023
De vrouw heeft gesteld dat de man een hoger inkomen kan verwerven dan hij feitelijk heeft gedaan. Volgens haar heeft de man onvoldoende nader onderbouwd dat het medisch noodzakelijk was dat hij parttime werkte en werkt de man feitelijk wel 40 uur per week. Daarom moet rekening worden gehouden met een inkomen van € 3.500 bruto per maand. De man heeft dit betwist.
Het hof is van oordeel dat uitsluitend rekening moet worden gehouden met het inkomen van de man dat blijkt uit de overgelegde stukken. Duidelijk is dat de man al vele jaren te maken heeft met ernstige psychische klachten die hem belemmeren in zijn functioneren en dat hij veel moeite heeft moeten doen om zijn leven weer op de rit te krijgen. Op dat moment kon niet van hem worden verwacht dat hij zijn werkzaamheden ging uitbreiden.
Uit de stukken die over deze procedure zijn overgelegd blijkt dat de man in 2020 een bruto inkomen heeft ontvangen van € 10.832 en € 5.723 (totaal € 16.555), in 2021 van € 15.667 en in 2022 van € 15.552. Partijen hebben in 2022 geprobeerd afspraken te maken over de echtelijke woning en de partneralimentatie, maar zij zijn daarover niet tot overeenstemming gekomen.
Het hof is van oordeel dat, gelet op de hoogte van het inkomen van de man waarvan hij zijn vaste maandlasten (waaronder een huurlast en de ziektekostenverzekering) moest voldoen, de man over de periode na zijn detentie tot en met 2022 ook geen draagkracht heeft gehad om een bijdrage aan de vrouw te kunnen voldoen.
vanaf 1 januari 2023
In 2023 bedroeg het inkomen van de man € 27.536 bruto per jaar. Op zijn salarisspecificatie van juni 2024 wordt een jaarloon van € 27.536 bruto vermeld en op zijn salarisspecificaties over 2025 wordt een jaarloon van € 29.780,- vermeld. Het inkomen van de man is vanaf 2023 dus stabiel. Het hof ziet hierin aanleiding om te onderzoeken of dit inkomen tot enige draagkracht bij de man leidt.
Een bruto jaarinkomen van € 27.536 resulteert voor de man – rekening houdend met de heffingskortingen – in een netto besteedbaar inkomen van € 2.073,- per maand.
Voor 2023 heeft het hof de draagkracht volgens de richtlijnen van de Expertgroep Alimentatie forfaitair berekend. Rekening wordt dan gehouden met de kosten van levensonderhoud van € 1.175,- per maand (daarin is de ziektekostenverzekering al verwerkt) en een woonbudget van € 622,- Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van dit forfaitaire systeem en dat is ook niet specifiek bepleit door een van partijen.
Het draagkrachtloos inkomen van de man is dan € 1.797,- per maand en de draagkrachtruimte € 276,- per maand. Hiervan is € 166,- per maand beschikbaar voor partneralimentatie. Vermeerderd met het belastingvoordeel waarop de man aanspraak kan maken als hij partneralimentatie betaalt, heeft de man dan draagkracht om een bedrag van € 263,- per maand te voldoen.
De vrouw ontvangt een uitkering van het UWV. De vrouw heeft een aantal betaalspecificaties overgelegd, maar niet uit 2023. Gelet op de gegevens van de uitkering in 2022 en 2024, gaat het hof ervan uit dat de uitkering circa € 1.550,- bruto per maand heeft bedragen. Nu de vrouw geen recht heeft op de arbeidskorting is voor het hof ook zonder specifieke berekening al duidelijk dat de vrouw met een bijdrage van de man van € 263,- en een dergelijke uitkering niet in een voordeliger positie komen te verkeren dan de man.
De man stelt dat hij met zijn huidige inkomen en verplichtingen voortkomend uit het echtscheidingsconvenant ver beneden het bestaansminimum van 95% van de bijstandsnorm komt. De man doet dus een beroep op de aanvaardbaarheidstoets. Hij heeft dit niet nader gespecificeerd met een berekening van zijn feitelijke situatie op dit moment.
Bovendien heeft het hof hiervoor al overwogen dat de schuld van de man aan de vrouw wegens overbedeling in het kader van de partneralimentatie niet in aanmerking kan worden genomen. Partijen kunnen hierover, indien zij dat wensen, een regeling treffen in het kader van de verdere afwikkeling van de gevolgen van de echtscheiding, de echtelijke woning is op dit moment immers nog gezamenlijk bezit van partijen.
Omdat het hof per vandaag, dus in 2026, de partneralimentatie wijzigt en vastlegt, zou gelet op artikel 1:402a BW pas per 2027 voor het eerst een wettelijke indexering plaatsvinden. Teneinde de partneralimentatie te laten voldoen aan de wettelijke maatstaven zal het hof daarom de bedragen per 2024, 2025 en 2026 indexeren. Dit betekent dat de door de man te betalen partneralimentatie met ingang van 1 januari 2024 € 279,- per maand, met ingang van 1 januari 2025 € 297,- per maand en met ingang van 1 januari 2026 € 311,- bedraagt.
Voor zover de man over de periode tot 1 maart 2019 teveel heeft betaald, kan hij dit verrekenen met de bijdrage die hij vanaf 1 januari 2023 tot heden had moeten voldoen en is het niet onredelijk dat de man over het verleden toch nog een bijdrage aan de vrouw dient te voldoen. Dit kan van hem worden gevergd.
6. De slotsom
De grieven van de vrouw slagen dus gedeeltelijk en zal het hof de bestreden beschikking vernietigen.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, dient de man als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te voldoen:
- met ingang van 1 oktober 2018 een bedrag van € 973,- per maand;
- met ingang van 1 januari 2019 een bedrag van € 992,- per maand;
- van 1 maart 2019 tot 1 januari 2023 nihil;
- met ingang van 1 januari 2023 een bedrag van € 263,- per maand;
- met ingang van 1 januari 2024 een bedrag van € 279,- per maand;
- met ingang van 1 januari 2025 een bedrag van € 297,- per maand;
- met ingang van 1 januari 2026 een bedrag van € 311,- per maand;
Daarom wordt beslist als volgt.
7. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, van 25 maart 2025, en opnieuw beschikkende:
wijzigt de in de beschikking van de rechtbank Gelderland van 1 maart 2019 vastgestelde bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw en bepaalt dat de man
- met ingang van 1 oktober 2018 een bedrag van € 973,- per maand,
- met ingang van 1 januari 2019 een bedrag van € 992,- per maand,
- van 1 maart 2019 tot 1 januari 2023 nihil,
- met ingang van 1 januari 2023 een bedrag van € 263,- per maand,
- met ingang van 1 januari 2024 een bedrag van € 279,- per maand,
- met ingang van 1 januari 2025 een bedrag van € 297,- per maand,
- met ingang van 1 januari 2026 een bedrag van € 311,- per maand;
zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. S. Kuijpers, E. de Boer en C.M. Schönhagen, bijgestaan door de griffier, en is op 3 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Periode 1 oktober 2018 tot 1 maart 2019
Periode vanaf 1 januari 2023: