GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.371.601/01
(zaaknummer rechtbank Overijssel 324652)
arrest van 8 september 2026
in de zaak van
1. [appellant] , en
2. [appellante]
die wonen in de gemeente [gemeentenaam1]
hierna: [appellanten]
vertegenwoordigd door mr. L.H.E. Drenthe, advocaat in Amsterdam
tegen
1. [geïntimeerde1] , en
2. [geïntimeerde2]
die wonen in de gemeente [gemeentenaam2]
hierna: [geïntimeerden]
vertegenwoordigd door mr. J.E. Kötter, advocaat in Amsterdam.
1. De procedure bij de rechtbank
Hoe de procedure bij de rechtbank is verlopen, blijkt uit het vonnis van 11 maart 2026 van de rechtbank Overijssel, afdeling civiel recht, zittingsplaats Zwolle.
2. De procedure bij het hof
Het verloop van de procedure bij het hof blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep op nader aan te voeren gronden van 2 juni 2026;
- het H-16 formulier van 13 augustus 2026 waarin [appellanten] verzoeken om de zaak te verwijzen naar een ander hof;
- het H-16 formulier van 17 augustus 2026 waarin [geïntimeerden] bezwaar maken tegen het verzoek om de zaak te verwijzen naar een ander hof.
Partijen hebben elk het griffierecht van € 373,- voldaan.
Vandaag neemt het hof op grond van het griffiedossier een beslissing over het verzoek tot verwijzing naar een ander hof.
2. De beoordeling
[appellanten] hebben hun verzoek als volgt onderbouwd:
"Over partijen bij onderhavige procedure hebben meerdere raadsheren die zijn/waren verbonden aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (in hun nevenfunctie) al geoordeeld ten gunste van [geïntimeerden] De stukken waaruit de beoordeling van deze raadsheren blijkt, zijn onderdeel van het procesdossier. (...)"
Artikel 62b van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO) bepaalt dat het gerechtshof een zaak ter verdere behandeling kan verwijzen naar een ander gerechtshof, indien naar zijn oordeel door betrokkenheid van het gerechtshof behandeling van die zaak door een ander gerechtshof gewenst is.
Op grond van de uiterst summiere onderbouwing van [appellanten] is niet vast te stellen dat sprake is van betrokkenheid van het hof waardoor een onpartijdige behandeling door een onafhankelijk gerecht niet gewaarborgd is. [appellanten] vermelden niet om welke raadsheren het gaat, welke nevenfuncties zij zouden hebben vervuld, in welke procedures de gestelde eerdere beslissingen zijn gegeven, wanneer die beslissingen zijn genomen en op welke wijze zij betrekking hebben op de onderhavige procedure, zoals [geïntimeerden] terecht hebben aangevoerd. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
3. De beslissing
Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
wijst het verzoek af;
verwijst de zaak naar de rol van 20 oktober 2026 voor memorie van grieven;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, J.H. Lieber en S.C.P. Giesen, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 8 september 2026.