GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.366.483
zaaknummer rechtbank Gelderland 11890038
beschikking van 8 september 2026
in de zaak van
[verzoekster] (verder: [verzoekster] )
die woont in [woonplaats1]
advocaat: eerst mr. C.C. Sneper, nu mr. M. Erkens
en
[zorggroep] (verder: [zorggroep] )gevestigd te [vestigingsplaats]
en
Balans Gooi & Vechtstreek Mentorschap B.V. (verder: Balans)
gevestigd te ‘s-Gravenland
en
[de vader] en [de moeder] (verder: de vader en de moeder of de ouders)
die wonen in [woonplaats2]
en
[belanghebbende]
die woont in [woonplaats2]
Samenvatting
De kantonrechter in de rechtbank Gelderland heeft een mentorschap ten behoeve van [verzoekster] ingesteld en Balans benoemd als mentor. Het hof beslist dat het mentorschap niet meer nodig is en legt hierna uit waarom.
1. De feiten
[verzoekster] is geboren [in] 1999 te [plaats] .
De kantonrechter te Zutphen heeft op 27 september 2017 een bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van [verzoekster] wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand.
2. De procedure bij de rechtbank
[zorggroep] heeft de kantonrechter verzocht een mentorschap in te stellen voor [verzoekster] .
De kantonrechter in de rechtbank Gelderland heeft dit verzoek toegewezen en Balans tot mentor voor [verzoekster] benoemd.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 30 december 2026.
3. De procedure bij het hof
[verzoekster] is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter. Zij komt daarom in hoger beroep. Zij wil dat het hof de beslissing van de kantonrechter ongedaan maakt en het verzoek tot het instellen van een mentorschap alsnog wordt afgewezen.
[zorggroep] heeft op de zitting meegedeeld dat de situatie van [verzoekster] is verbeterd en dat [zorggroep] zich daarom refereert aan het oordeel van het hof.
De ouders van [verzoekster] hebben op de zitting aangegeven dat een mentor [verzoekster] kan aansturen in periodes dat het wat moeilijker gaat en dat een mentor kan zorgen dat zij meer informatie van [verzoekster] krijgen.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
het beroepschrift ontvangen op 19 maart 2026
de stukken van mr. Sneper van 1 mei 2026
de stukken van mr. Erkens ingediend op 29 juli 2026
De zitting bij het hof was op 11 augustus 2026. Aanwezig waren:
[verzoekster] en haar advocaat
twee vertegenwoordigers van [zorggroep] ;
een vertegenwoordiger van Balans
de ouders
4. Het oordeel van het hof
Wat staat in de wet?
De kantonrechter kan een mentorschap instellen, indien een meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen.
Hoe oordeelt het hof?
Het hof is van oordeel dat de kantonrechter terecht een mentorschap heeft ingesteld, maar dat de situatie van [verzoekster] dusdanig is verbeterd dat een mentor nu niet meer nodig is.
Uit de informatie van [zorggroep] blijkt dat de zorg voor [verzoekster] ten tijde van de procedure bij de kantonrechter vastliep. [verzoekster] weigerde zorg en ook ondersteuning van haar familie. Op de medicatie van [verzoekster] was onvoldoende controle. Zij kwam niet op afspraken en stelde zich dwingend op. Daardoor werd zij ontslagen op haar dagbesteding en werkplekken. [verzoekster] was onvoldoende in staat om de gevolgen van haar gedrag en haar beslissingen te overzien.
De kantonrechter heeft overwogen dat pas tijdens de procedure over het instellen van het mentorschap weer een positieve beweging in de houding van [verzoekster] is gekomen. Zij heeft meegewerkt aan diagnostisch onderzoek, maar de vooruitgang was volgens de kantonrechter op dat moment nog te beperkt.
Bij [verzoekster] is sprake van een autismespectrumstoornis. In hoger beroep heeft [verzoekster] een advies van een VG-arts en gedragswetenschapper verbonden aan [zorggroep] overgelegd die adviseren een mentor aan te stellen omdat het fijn kan zijn voor [verzoekster] om keuzes met betrekking tot de zorg samen met een onafhankelijke partij te maken. De reden daarvoor is dat dit een zware taak is voor [verzoekster] en dat zij daar kwetsbaar in is. De VG-arts en de gedragswetenschapper concluderen ook dat [verzoekster] wilsbekwaam is ten aanzien van situaties in het hier en nu.
Verder is ook een psychodiagnostisch onderzoek uitgevoerd bij [verzoekster] in de periode van mei 2025 tot en met januari 2026. Uit het intelligentieonderzoek volgt dat [verzoekster] functioneert op het niveau van een matig verstandelijke beperking tot laag begaafd niveau. [verzoekster] heeft veel behoefte aan autonomie en het is belangrijk voor haar dat de mensen om haar heen haar horen en serieus nemen. [verzoekster] overziet de actuele situatie voldoende. Zij vindt het moeilijk om hulp te vragen.
Op de zitting heeft de gedragswetenschapper van [zorggroep] die nu bij [verzoekster] is betrokken toegelicht dat de situatie van [verzoekster] is veranderd. De woonlocatie waar [verzoekster] verblijft valt vanaf januari 2026 onder de regio Midden-Nederland. Dit had een andere werkwijze en visie en een nieuwe manager en gedragswetenschapper tot gevolg. De huidige gedragswetenschapper heeft de problematiek van [verzoekster] die werd beschreven door
[zorggroep] bij de kantonrechter ook gezien aan het begin van haar samenwerking met [verzoekster] , maar de nieuwe werkwijze heeft geleid tot een andere vorm van samenwerking met [verzoekster] . Binnen de huidige aanpak laat [verzoekster] meer bereidheid zien om in gesprek te gaan, afspraken te maken en samen te onderzoeken welke stappen nodig zijn om haar doelen te realiseren. Hoewel deze ontwikkeling nog kwetsbaar is, gaat het wel om een duidelijke verbetering. Op diverse gebieden laat [verzoekster] volgens de gedragswetenschapper zien dat zij wel in staat is zelfstandig keuzes te maken en regie te voeren over haar eigen leven. Zij is goed in staat weloverwogen beslissingen te nemen over haar persoonlijke verzorging, het regelen van vakanties, het bezoeken van haar ouders in het weekend en het onderhouden van contacten met vrienden. Zij neemt initiatief gericht op haar toekomstwensen. [verzoekster] is inmiddels aangemeld voor therapie en heeft zelf verzocht opnieuw te laten kijken naar haar autisme. Zij zal voor nieuw onderzoek worden aangemeld. [verzoekster] heeft wel ondersteuning nodig bij het nemen van complexere beslissingen. Dat kan volgens [zorggroep] de mentor zijn, maar ook iemand anders. Recent heeft [verzoekster] aangegeven er ook voor open te staan om haar ouders te betrekken bij besprekingen.
Op de zitting is besproken dat [verzoekster] op dit moment gedragsregulerende medicatie gebruikt in eigen beheer. Hoewel [zorggroep] de indruk heeft dat [verzoekster] verantwoord met haar medicatie omgaat, ontbreekt structureel zicht op het gebruik, de effectiviteit en mogelijke bijwerkingen. Wanneer een arts en/of psychiater vanuit [zorggroep] hierbij mag worden betrokken dan kan [verzoekster] nog beter ondersteund worden. [verzoekster] heeft daarop op de zitting aangegeven dat zij hiervoor toestemming gaat geven.
Het hof is van oordeel dat [verzoekster] op dit moment wel in staat is haar belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf – al dan niet met hulp of begeleiding van anderen – waar te nemen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat beschermingsmaatregelen niet dieper mogen ingrijpen op het recht op zelfbeschikking dan strikt noodzakelijk is en moeten voldoen aan de eisen van proportionaliteit (alleen inbreuk voor zover nodig) en subsidiariteit (voorrang voor een minder zware maatregel).
Dat er nog aandachtspunten zijn op het gebied van leefstijl gerelateerde onderwerpen (zoals gezonde voeding en beweging) en op sociaal gebied is onvoldoende reden om een mentor aan te stellen. Deze punten kunnen ook door de medewerkers verbonden aan [zorggroep] worden opgepakt, net als het vinden van een passende dagbesteding. Dat de mentor een meerwaarde kan hebben voor [verzoekster] , maakt niet dat een mentorschap noodzakelijk is. Het instellen van een mentorschap is op dit moment naar het oordeel van het hof daarom te verstrekkend.
De beslissing van de kantonrechter zal in stand blijven tot nu en voor de periode daarna niet. Het hof zal het verzoek tot het instellen van een mentorschap voor de periode vanaf vandaag afwijzen.
5. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland van 30 december 2026 over de periode tot vandaag;
vernietigt de beschikking van de van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland van 30 december 2026 met ingang van vandaag;
wijst het verzoek van [zorggroep] tot het instelling van een mentorschap voor [verzoekster] voor de periode vanaf vandaag alsnog af;
wijst af wat verder is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, H. Phaff en K.A.M. van Os-ten Have, bijgestaan door de griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.