ECLI:NL:GHARL:2026:5784

ECLI:NL:GHARL:2026:5784

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 08-09-2026
Datum publicatie 08-09-2026
Zaaknummer Wahv 200.362.444/01
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

Roodlichtgedraging. Evenredigheidsbeginsel. De hoogte van het onderhavige sanctiebedrag berust op het Besluit 2022. Dit bedrag staat in redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de gedraging. Er is geen sprake van strijd met evenredigheidsbeginsel.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

mr. B. de Jong,

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

De beslissing van de kantonrechter

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank MiddenNederland van 31 oktober 2025, betreffende

kantoorhoudende te Gouda,

beweerdelijk optredend namens

wonende te [woonplaats] .

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

Mr. B. de Jong (hierna: De Jong) heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De Jong heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat door De Jong geen machtiging is overgelegd, ook niet nadat hij daartoe in de gelegenheid is gesteld.

2. De Jong stelt zich op het standpunt dat hij noch de betrokkene de herstelverzuimbrief van 13 augustus 2024, hoewel blijkens het dossier deze aangetekend is verzonden, heeft ontvangen. Het dossier bevat geen track and trace code. Indien deze beschikbaar is, verzoekt De Jong deze in het geding te brengen.

3. De kantonrechter is, naar analogie van artikel 8:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), bevoegd van een (pretense) gemachtigde te verlangen dat deze een schriftelijk bewijs van machtiging overlegt ten einde vast te stellen of degene die zich als gemachtigde van een betrokkene aandient daartoe werkelijk bevoegd is. Indien de kantonrechter vaststelt dat een schriftelijke machtiging als hiervoor bedoeld ontbreekt, dan wel niet toereikend is, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener van het beroep de gelegenheid heeft gekregen het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn en in de brief is medegedeeld dat niet-ontvankelijkverklaring kan volgen als het verzuim niet binnen die termijn is hersteld.

4. In het dossier bevindt zich een aan De Jong gerichte brief van 13 augustus 2024 van de griffier van de rechtbank. In deze brief wordt De Jong onder andere verzocht om uiterlijk binnen vier weken na dagtekening een schriftelijke machtiging over te leggen waaruit blijkt dat De Jong gemachtigd is beroep in te stellen. De advocaat-generaal heeft bij het verweerschrift correspondentie met de griffier van de rechtbank overgelegd waaruit blijkt dat op 13 augustus 2024 een brief aangetekend is verzonden, maar dat door tijdsverloop niet meer kan worden nagegaan of dit de herstelverzuimbrief, gericht aan De Jong, betreft. Niet blijkt of deze herstelverzuimbrief daadwerkelijk aangetekend is verzonden. Daarom kan niet worden vastgesteld of De Jong voornoemde brief heeft ontvangen. De kantonrechter heeft het beroep dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De grond slaagt.

5. Gelet op het voorgaande kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven. Het hof zal die beslissing dan ook vernietigen en doen wat de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. Het hof beschouwt het hoger beroep als ingesteld namens de betrokkene.

6. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “doorgaan bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 januari 2023 om 21:17 uur op de Marnixlaan kruising Amsterdamsestraatweg in Utrecht met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

7. De gemachtigde stelt dat de betrokkene zich niet kan vinden in de hoogte van het sanctiebedrag. In Duitsland is de hoogte van het sanctiebedrag voor door rood licht rijden € 90,-. Het sanctiebedrag staat dus niet in verhouding tot het vergrijp. Er is derhalve sprake van strijdigheid met het evenredigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ingevolge dat artikel mag een sanctie worden opgelegd, maar mag deze niet onevenredig zwaar zijn (‘fair balance’). Om een antwoord te krijgen op de vraag of de sanctie evenredig is, dient te worden gekeken naar de gemiddelden in de rest van Europa. Daarbij komt dat het openbaar ministerie ook concludeert dat sancties op grond van de Wet Mulder uit verhouding zijn geraakt ten opzichte van het strafrecht. Nu de hoogte van het sanctiebedrag onevenredig is, dient het sanctiebedrag aanzienlijk te worden verlaagd. Verder stelt de gemachtigde dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg.

8. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het hem, in het verlengde van de officier van justitie, gelet op diens positie in deze procedure, niet past om een inhoudelijk standpunt in te nemen ten aanzien van de stelling van de gemachtigde dat het vastgestelde sanctietarief voor het niet stoppen voor rood licht bij een driekleurig verkeerslicht (R602) in zijn algemeenheid onevenredig is. Alleen in bijzondere omstandigheden, zoals opgenomen in artikel 9, tweede lid, onder b, van de Wahv, kan de officier van justitie dan wel de advocaat-generaal een lager sanctiebedrag vaststellen. In hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd, ziet de advocaat-generaal geen aanleiding om op grond van artikel 9, tweede lid, onder b, van de Wahv, af te wijken van het vaste tarief.

9. Bij de beoordeling van de hoogte van de opgelegde sanctie is van belang dat de rechter de door de regelgever voor de verrichte gedraging bepaalde hoogte van de sanctie exceptief kan toetsen aan geschreven of ongeschreven hoger recht, zoals het hof heeft geoordeeld in het arrest van 31 juli 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:4719). Tot het hogere recht waaraan kan worden getoetst behoort onder andere het evenredigheidsbeginsel, op grond van zowel het nationale als het Europees recht. Het evenredigheidsbeginsel is op nationaal niveau opgenomen in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb en houdt in dat de voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. In artikel 3:1 van de Awb is bepaald dat op besluiten, inhoudende algemeen verbindende voorschriften, afdeling 3.2 slechts van toepassing is, voor zover de aard van de besluiten zich daartegen niet verzet. Artikel 3:4, tweede lid, van de Awb valt onder deze afdeling.

10. Zoals het hof heeft geoordeeld in het arrest van 19 juni 2026 (ECLI:NL:GHARL:2026:4078), verzet de aard van het Besluit OM-afdoening in verband met onder meer de jaarlijkse indexering van de tarieven (het Besluit 2023) zich niet tegen toepassing van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Dat het Besluit dient bij te dragen aan de doelstellingen van de Wahv, ontslaat de regelgever niet van de verplichting om bij de bepaling van de hoogte van het sanctietarief voor een gedraging het evenredigheidsbeginsel in acht te nemen. Dit beginsel brengt mee dat bij de bepaling van de hoogte van de sanctie uitgangspunt is dat deze in redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de gedraging waarbij het doel van de sanctie is het sanctioneren van strafwaardige gedrag en het dienen van de belangen waartoe de in artikel 2, eerste lid, van de Wahv genoemde regelgeving strekt. Indien de regelgever deze verplichting in acht neemt, is van verzwaring van de werklast van het openbaar ministerie en de rechterlijke macht geen sprake en kunnen de officier van justitie en de rechter uitgaan van de door de regelgever vastgestelde tarieven. In de onderhavige zaak betreft het, gelet op de pleegdatum, het Besluit OM-afdoening in verband met onder meer de jaarlijkse indexering van de tarieven van 22 december 2021, gepubliceerd op 25 januari 2022 (het Besluit 2022). Het hiervoor genoemde is ook van toepassing op het Besluit 2022.

11. De rechter dient bij toetsing of de regelgever bij de bepaling van de hoogte van het sanctietarief voor een verrichte gedraging voldoende in acht heeft genomen, terughoudend te zijn. Het hof heeft in dit verband bij zijn voornoemde arrest van 31 juli 2025 het volgende overwogen:

“9. Het hof stelt voorop dat de rechter bij de toetsing van een algemeen verbindend voorschrift aan algemene rechtsbeginselen niet tot taak heeft om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. De intensiteit van de rechterlijke beoordeling is afhankelijk van onder meer de beslissingsruimte die het vaststellend orgaan heeft, gelet op de aard en de inhoud van de vaststellingsbevoegdheid en de daarbij te betrekken belangen. De beoordeling kan materieel terughoudend zijn bij feitelijke of technische complexiteit van de materie of als bij het nemen van de beslissing politiek-bestuurlijke afwegingen kunnen worden of zijn gemaakt. Wat de in acht te nemen belangen en de weging van belangen betreft, geldt dat de beoordeling intensiever kan zijn naarmate het algemeen verbindende voorschrift meer ingrijpt in het leven van de belanghebbende(n) en daarbij fundamentele rechten aan de orde zijn.

10. In de onderhavige zaak beschikt de regelgever, gelet op de in overweging 5. genoemde artikelen van de Wahv, over een ruime beslissingsruimte. Er geldt een maximum voor de hoogte van het vast te stellen sanctiebedrag, maar voor het overige zijn in de tekst van de wet geen beperkingen vastgesteld.

11. Bij de vaststelling van de hoogte van het sanctiebedrag kunnen, zoals hier ook daadwerkelijk het geval is geweest, politiek-bestuurlijke afwegingen een rol spelen. Het gaat voorts om sanctiebedragen die in het algemeen niet kunnen worden beschouwd als ingrijpend in het leven van de betrokkenen. Dit brengt mee dat de intensiteit waarmee het hof dient te toetsen gering is.”

12. De hoogte van het sanctiebedrag berust op het Besluit 2022. Zoals blijkt uit de Nota van toelichting bij het Besluit 2022 zijn de sanctietarieven met 2 procent verhoogd (Staatsblad 2022, 30). Dit percentage is gebaseerd op de ontwikkeling van de consumentenprijsindex. Zoals in de Nota van toelichting bij dit besluit wordt opgemerkt, bewerkstelligt indexering dat de strafmaat in relatieve zin ongewijzigd blijft. Blijkens het hiervoor genoemde arrest van 19 juni 2026 zijn de sanctietarieven in de jaren 2013 tot 2022 slechts geïndexeerd. Bij Besluit van 15 december 2011 tot wijziging van de bijlage, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften alsmede de bijlage bij het Besluit OM-afdoening onderscheidenlijk het Transactiebesluit 1994 in verband met onder meer een verhoging van de tarieven (hierna: Besluit 2012) zijn alle tarieven, naast de indexering van 4,7 procent, met 15 procent verhoogd (Staatsblad 2011, 630). Daarnaast zijn voor bepaalde snelheidsovertredingen en asociale en gevaarlijke gedragingen de tarieven extra verhoogd.

13. Het evenredigheidsbeginsel brengt mee dat de bepaling van de hoogte van de sanctie uitgangspunt is dat deze in redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de gedraging, waarbij het doel van de sanctie is het sanctioneren van strafwaardig gedrag en het dienen van de belangen waartoe de in artikel 2, eerste lid, van de Wahv genoemde regelgeving strekt, zoals de belangen genoemd in artikel 2 van de Wegenverkeerswet 1994.

14. Uit de toelichting bij het Besluit 2012 blijkt dat de regelgever heeft beoordeeld of het nieuw vastgestelde sanctiebedrag nog evenredig is (vgl. het voormelde arrest van het hof van 19 juni 2026). Naar het oordeel van het hof kan niet worden gezegd dat het door de regelgever vastgestelde sanctietarief, gelet op de in die toelichting genoemde redenen om dit te verhogen, niet in redelijke verhouding tot de aard en de ernst van de gedraging staat. Met onderhavige gedraging wordt de veiligheid van het verkeer in gevaar gebracht (artikel 2, eerste lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994). Het door de regelgever voor de onderhavige gedraging vastgestelde tarief is dus niet in strijd met evenredigheidsbeginsel als bedoeld in zowel het nationale als het Europees recht en mag daarom door de ambtenaar worden toegepast. Dat in Duitsland een sanctiebedrag van € 90,- voor dezelfde gedraging wordt gehanteerd, doet hier niet aan af.

15. Namens de betrokkene zijn verder geen feiten of omstandigheden aangevoerd die maken dat op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv, het bedrag van de opgelegde sanctie lager moet worden vastgesteld. De bezwaren namens de betrokkene tegen de hoogte van de opgelegde sanctie treffen derhalve geen doel.

16. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM in eerste aanleg is overschreden. Gelet hierop zal het hof het bedrag van de sanctie met

25 procent matigen (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369).

17. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. De matiging van het sanctiebedrag vindt uitsluitend zijn grondslag in de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. De proceskosten gemaakt in de fase van het administratief beroep komen niet voor vergoeding in aanmerking (vgl. voormeld arrest van het hof van 28 juli 2023). Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift en het bijwonen van de zitting van de kantonrechter dienen in totaal drie punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 934,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Omdat de beslissing van de kantonrechter na 31 december 2023 is bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in hoger beroep gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.050,75 (= (2 x € 934,- x 0,5) + (1 x € 934,- x 0,5 x 0,25)).

18. Het hof zal beslissen als hierna vermeld.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;

wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in € 187,50;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.050,75.

Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Postma als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Postma

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand