GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.369.530
insolventienummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen 05/25/97
arrest van 8 september 2026
in de zaak van
[appellante] ( [appellante] )
die woont in [woonplaats]
advocaat was mr. M.A.J. Emonds, nu zonder advocaat
1. De procedure bij de rechtbank
Bij vonnis van 13 maart 2025 heeft de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, [appellante] toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (de wsnp). Hierbij is S.J.A. Quint benoemd tot bewindvoerder.
Bij vonnis van 22 mei 2026 (het vonnis) heeft de rechtbank, op verzoek van de bewindvoerder, de toepassing van de wsnp van [appellante] beëindigd zonder dat daarbij aan haar de zogenoemde schone lei is verleend.
2. De procedure bij het hof
Door middel van een op 29 mei 2026 bij het hof binnengekomen beroepschrift heeft [appellante] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. De bedoeling van het hoger beroep van [appellante] is dat het hof het vonnis vernietigt en bepaalt dat de wsnp wordt voortgezet, zo nodig onder nader door het hof te bepalen aanvullende voorwaarden en/of met een verlenging van de looptijd.
Het hof heeft kennisgenomen van:
het tijdig ingediend beroepschrift met bijlage;
de brief van 17 augustus 2026 van de bewindvoerder met bijlagen.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 september 2026. Hierbij is de bewindvoerder verschenen. [appellante] is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
3. De beoordeling
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft het verzoek van de bewindvoerder om de wsnp van [appellante] tussentijds te beëindigen toegewezen, omdat zij niet heeft voldaan aan de informatieplicht. Zo heeft [appellante] de bewindvoerder niet op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen rondom het oversluiten van de hypotheek en heeft zij nagelaten (tijdig) gevolg te geven aan de verzoeken van de bewindvoerder om de benodigde stukken aan te leveren. Daarnaast heeft [appellante] geen concrete stappen ondernomen om de overwaarde van haar eigen woning te gelde te maken, zodat zij niet heeft voldaan aan de afdrachtplicht. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellante] haar schuldeisers heeft benadeeld, door buiten de bewindvoerder om af te lossen op haar oude schulden. [appellante] heeft ook erkend dat zij bankafschriften en e-mails van de bank heeft vervalst voor een schuldeiser. De rechtbank heeft geoordeeld dat als de vervalsing bekend was geweest ten tijde van de toelating tot de wsnp, dit een reden zou zijn geweest om het toelatingsverzoek af te wijzen.
Het standpunt van [appellante]
[appellante] kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank. Hoewel zij erkent dat er sprake is geweest van ernstige tekortkomingen, rechtvaardigen deze tekortkomingen niet het gevolg dat de wsnp wordt beëindigd zonder toekenning van de schone lei. Daarnaast verklaart [appellante] dat zij concrete stappen heeft gezet om de overwaarde van de woning te gelde te maken en dat zij de bewindvoerder actief zal informeren over de voortgang van het hypotheektraject. Ook erkent [appellante] dat zij buiten de bewindvoerder om op haar oude schulden heeft afgelost en nieuwe schulden heeft laten ontstaan. Echter, na gewezen te zijn op de risico’s is zij onmiddellijk gestopt met het aflossen van haar oude schulden. Tot slot erkent [appellante] dat zij verwijtbaar heeft gehandeld door stukken van de bank te vervalsen. Volgens haar heeft de vervalsing plaatsgevonden in een periode waarin zij onder druk werd gezet door een voormalige schuldeiser. Gelet op de inmiddels door [appellante] genomen herstelmaatregelen en haar motivatie om de wsnp (onder aanvullende voorwaarden) af te ronden, verzoekt zij vernietiging van het vonnis en voortzetting van de toepassing van de wsnp, eventueel met een verlenging van de looptijd.
Het standpunt van de bewindvoerder
In hoger beroep handhaaft de bewindvoerder haar verzoek tot tussentijdse beëindiging van de wsnp van [appellante] . In de brief van 17 augustus 2026 en op de zitting heeft de bewindvoerder verklaard dat zij geen stukken heeft ontvangen die de voortgang van de gesprekken met de hypotheekadviseur en de genomen herstelmaatregelen kunnen onderbouwen. [appellante] heeft ook nagelaten om te reageren op de berichten van de bewindvoerder over de (betalings)achterstanden en om de opgevraagde bankafschriften en loonstroken vanaf april tot en met heden aan te leveren. Op de zitting is door de bewindvoerder toegelicht dat in hoger beroep, naast de nieuwe schuld aan VGZ, nog een schuld aan de belastingdienst voor motorrijtuigenbelasting is ontstaan. Nu bovendien is gebleken dat [appellante] voorafgaande aan de toelating tot de wsnp ook stukken van de bank heeft vervalst met het oogmerk om een schuldeiser te misleiden, heeft de bewindvoerder het vertrouwen in [appellante] verloren en is er geen sprake van een saneringsgezinde houding, aldus de bewindvoerder.
Het oordeel van het hof
[appellante] is niet verschenen op de zitting van het hof. In een eerder stadium was zij ook niet verschenen tijdens een verhoor bij de rechter-commissaris. Het hof heeft vanuit de zittingzaal nog contact opgenomen met haar voormalig advocaat om te vragen of hij wist of [appellante] zelf zou komen. Mr. Emonds heeft toen aan de griffier meegedeeld dat hij een aanhoudingsverzoek heeft ingediend bij het hof. Bij de griffie is echter geen aanhoudingsverzoek ingediend, nog daargelaten dat een advocaat die zich heeft onttrokken ook geen aanhoudingsverzoek meer kan doen. Gelet op het uitblijven van enige stukken die [appellante] als bewijs voor het herstelplan zou aanleveren, haar afwezigheid ter zitting en het standpunt van de bewindvoerder, is er voldoende grond voor de tussentijdse beëindiging van de wsnp van [appellante] . Naar het oordeel van het hof is de inhoud van het vonnis onverkort van toepassing en daarom zal het hof het vonnis bekrachtigen.
Conclusie
Het hoger beroep slaagt niet. Het hof zal beslissen zoals hierna is vermeld.
4. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 22 mei 2026.
Dit arrest is gewezen door mrs. D.M.I. De Waele, D. Visser en H. Wammes en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 september 2026.