ECLI:NL:GHARL:2026:5812

ECLI:NL:GHARL:2026:5812

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 08-09-2026
Datum publicatie 08-09-2026
Zaaknummer 200.352.718
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:GHARL:2026:1797

Samenvatting

Artikelen 7:60 en 7:61 BW,4:34 lid 1 Wft en 237 lid 1 Rv. Richtlijn consumentenkrediet en Richtlijn 93/13 EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. In vervolg op: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 maart 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1797. Consumentenkredietovereenkomst. Ambtshalve toets precontractuele en contractuele informatieplicht, kredietwaardigheidstoets en vertragingsvergoedingsbeding. Verstek. Rechtsgeldig opeisen krediet. Gedeeltelijke proceskostenveroordeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel

zaaknummer gerechtshof 200.352.718/02

zaaknummer rechtbank 11336126

arrest van 8 september 2026

in de zaak van

Defam B.V.

die is gevestigd in Bunnik

die hoger beroep heeft ingesteld

en bij de kantonrechter optrad als eiser

hierna: Defam

advocaat: mr. E. Stammers

tegen

[de debiteur]

die woont in [woonplaats]

hierna: [de debiteur]

niet verschenen

1. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 24 maart 2026 (het tussenarrest) hier over. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit de akte met productie van Defam van 21 april 2026.

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2. De verdere beoordeling van het geschil

De resterende beslispunten

Defam vordert in deze procedure dat [de debiteur] , uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld om aan Defam te voldoen een bedrag van € 16.246,53, te vermeerderen met (a)

de overeengekomen rente van 0,659% per maand, met als maximum de ten hoogste

toegelaten kredietvergoeding op grond van artikel 35 Wet op het consumentenkrediet/artikel 7:76 lid 2 BW of (b) de wettelijke rente en te vermeerderen met de proceskosten van Defam in beide instanties.

Het hof heeft in het tussenarrest vastgesteld dat de vordering van Defam betrekking heeft op een zogenoemde consumentenkredietovereenkomst in de zin van de Richtlijn consumentenkrediet. Dit betekent dat het hof op grond van de consumentenbeschermende bepalingen in deze Richtlijn (die in het nationale recht zijn opgenomen in afdeling 1 van titel 7:2A van het Burgerlijk Wetboek (BW) en in de Wet financieel toezicht (Wft)) ambtshalve moet beoordelen of Defam haar precontractuele en contractuele informatieverplichtingen is nagekomen ten opzichte van [de debiteur] en of zij aan de kredietwaardigheidstoets heeft voldaan. Het hof heeft in het tussenarrest geoordeeld dat Defam de op haar rustende precontractuele en contractuele informatieverplichtingen heeft nageleefd. Verder heeft het hof Defam in de gelegenheid gesteld in een akte nader te onderbouwen dat zij de kredietwaardigheidstoets heeft verricht op de in artikel 4:34 lid 1 Wft voorgeschreven wijze. Daarbij heeft het hof Defam verzocht in ieder geval in te gaan:

(i) op de vraag wat wordt aangetoond met de overgelegde stukken; en

(ii) - meer in het bijzonder - op de vraag wat de betekenis is van het bedrag van

€ 230,76 dat staat vermeld in het overgelegde inkomstenoverzicht, mede in

relatie tot andere in de stukken vermelde bedragen over de aflossing van het

gevraagde krediet.

Daarnaast heeft het hof Defam de mogelijkheid geboden om toe te lichten dat zij het krediet rechtsgeldig heeft opgeëist. Daarbij heeft het hof Defam gevraagd in ieder geval in te gaan op:

(iii) de vraag waarom er twee verschillende contractnummers zijn vermeld in de door Defam overgelegde documenten;

(iv) de vraag waardoor het verschil in contractnummers is ontstaan;

(v) de vraag of [de debiteur] wist dat het contractnummer is gewijzigd en, zo ja,

waaruit dit blijkt.

Defam heeft in haar akte van 21 april 2026 gereageerd op de door het hof geformuleerde vragen.

Het hof zal beslissen dat Defam heeft voldaan aan de in artikel 4:34 lid 1 Wft neergelegde verplichting om voor het sluiten van de kredietovereenkomst de kredietwaardigheid van [de debiteur] te beoordelen. Daarnaast zal het hof beslissen dat Defam haar stelling dat zij het krediet rechtsgeldig heeft opgeëist voldoende heeft onderbouwd. Dit betekent dat het vonnis van 17 december 2024 zal worden vernietigd en dat de (primaire) vordering van Defam (grotendeels) zal worden toegewezen. Het hof licht hierna toe hoe het tot dit oordeel komt.

De beoordeling van de resterende beslispunten

Kredietwaardigheidstoets nageleefd

Defam heeft gesteld dat zij voorafgaand aan het sluiten van de kredietovereenkomst de kredietwaardigheid van [de debiteur] deugdelijk heeft gecontroleerd. Ter onderbouwing van deze stelling heeft Defam afschriften overgelegd van de financiële informatie die zij van [de debiteur] heeft ontvangen en van de door haar opgevraagde BKR-registratie. In haar akte van 21 april 2026 heeft Defam deze documenten van een nadere toelichting voorzien. Daarbij heeft Defam aangevoerd dat [de debiteur] in de periode tussen 1 en 6 maart 2019 diverse stukken heeft verstrekt in verband met zijn kredietaanvraag en dat zij deze heeft beoordeeld in het kader van het kredietwaardigheidsonderzoek. Ook heeft Defam gesteld dat zij alleen een krediet vertrekt als de (potentiële) kredietnemer voldoende bestedingsruimte heeft. Bij het vaststellen van deze bestedingsruimte wordt volgens Defam uitgegaan van een (kortere) aflossingstermijn van 96 maanden met bijbehorende (hogere) maandlasten en niet van de beoogde (langere) aflossingstermijn van 120 maanden met bijbehorende (lagere) maandlasten. Door op die manier extra financiële ruimte in te calculeren, wordt voorkomen dat de (potentiële) kredietnemer door het verkrijgen van het gevraagde krediet niet meer kan voldoen aan zijn (overige) financiële verplichtingen, aldus Defam.

Defam heeft aangevoerd dat uit de door haar als productie 8 bij de dagvaarding in eerste aanleg overgelegde stukken volgt dat:

de maandtermijn bij aflossing van het gevraagde krediet binnen een aflossingsperiode van 96 maanden € 230,67 zou bedragen, terwijl de daadwerkelijk verschuldigde maandtermijn is vastgesteld op € 181,25 op basis van een aflossingsperiode van 120 maanden;

zij de bestedingsruimte van [de debiteur] heeft vastgesteld op een bedrag van € 449,55 per maand.

Daarbij heeft Defam toegelicht dat zij tot dat laatste bedrag is gekomen aan de hand van het netto maandinkomen van [de debiteur] van € 2.329,19, verminderd met zijn gemiddelde maandlasten van € 1.648,86, waaronder de netto woonlasten van € 540,69, een bedrag aan levensonderhoud van € 1.083,17, een aflossingsbedrag bij derden van € 25,00 en een (op basis van de fictieve aflossingsperiode van 96 maanden ruim berekende) maandtermijn van het beoogde krediet van € 230,76.

Op basis van de door Defam overgelegde stukken en haar nadere onderbouwing gaat het hof ervan uit dat Defam het netto maandinkomen van [de debiteur] heeft vastgesteld aan de hand van de door hem overgelegde arbeidsovereenkomst, zijn loonstrook en bankafschriften. Daarnaast gaat het hof ervan uit dat Defam zich bij het bepalen van de gemiddelde maandlasten van [de debiteur] heeft gebaseerd op de door hem opgegeven woonlasten, voor wat betreft de kosten van zijn levensonderhoud is uitgegaan van de door hem opgegeven leeftijd en gezinssamenstelling en van de door hem verstrekte bankafschriften en dat zij het aflossingsbedrag bij derden heeft afgeleid uit de overgelegde bankafschriften en uit de gegevens die volgen uit de BKR registratie van [de debiteur] . Daarbij stelt het hof vast dat Defam de door haar voor [de debiteur] vastgestelde bestedingsruimte van € 449,55 per maand toereikend heeft geacht om het risico van overkreditering te vermijden.

Het voorgaande brengt mee dat uit de stellingen van Defam en de door haar overgelegde stukken voldoende blijkt dat zij voorafgaand aan het sluiten van de kredietovereenkomst informatie heeft ingewonnen over de financiële positie van [de debiteur] en aan de hand daarvan heeft beoordeeld of het, ter voorkoming van overkreditering, verantwoord was om de kredietovereenkomst met [de debiteur] aan te gaan. Daarmee heeft Defam voldaan aan de in artikel 4:34 lid 1 Wft neergelegde verplichting. De vraag of Defam eveneens heeft voldaan aan het voorschrift uit artikel 4:34 lid 2 Wft om, kort gezegd, geen kredietovereenkomst aan te gaan die met het oog op overkreditering onverantwoord is, valt buiten het bestek van de door het hof te verrichten ambtshalve toetsing en blijft om die reden onbesproken.

Krediet rechtsgeldig opgeëist

In haar akte van 21 april 2026 heeft Defam onderbouwd dat alle documenten die zij in deze procedure heeft overgelegd ondanks het verschil in contractnummers betrekking hebben op een en dezelfde kredietovereenkomst. Daarbij heeft Defam toegelicht dat in eerste instantie een kredietovereenkomst met contractnummer (…)701 is opgesteld. Dit document is ondertekend door [de debiteur] op 28 februari 2019 zoals blijkt uit het afschrift van de overeenkomst dat is overgelegd als productie 4 bij de akte van 21 april 2026, aldus Defam. Defam heeft aangegeven dat vervolgens de kredietovereenkomst met contractnummer (…)430 is opgesteld. Volgens Defam is daarbij uitsluitend het in de eerste versie van de overeenkomst verkeerd vermelde geboortejaar van [de debiteur] gecorrigeerd. Feitelijk hebben beide contractdocumenten betrekking op dezelfde kredietovereenkomst en is deze onder het contractnummer (…)701 in haar systemen verwerk, aldus Defam.

Dat [de debiteur] van het gewijzigde contractnummer op de hoogte was, blijkt volgens Defam uit het feit dat hij de beide versies van de overeenkomst heeft ondertekend om het verkeerd vermelde geboortejaar te corrigeren. Bovendien is het kredietbedrag van € 15.000,00 slechts één keer aan hem verstrekt. Ook heeft [de debiteur] in zijn reacties op de correspondentie met betrekking tot contractnummer (…)701 nooit aangegeven dat hij geen kredietovereenkomst met dat nummer heeft gesloten, aldus steeds Defam.

Het hof gaat er op basis van de nadere onderbouwing door Defam vanuit dat de door haar overgelegde kredietovereenkomsten ondertekend op respectievelijk 28 februari 2019 en 5 maart 2019, de brieven van 22 september 2023 en 23 november 2023 en de overige door haar in dit kader overgelegde correspondentie, betrekking hebben op een en dezelfde kredietovereenkomst. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat [de debiteur] van een andere uitleg is uitgegaan. Dit betekent dat Defam [de debiteur] rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld in haar brief van 22 september 2023 en dat zij het krediet vervolgens rechtsgeldig vervroegd heeft opgeëist in haar brief van 23 november 2023. Daarbij merkt het hof op dat de constatering dat [de debiteur] al op 28 februari 2019 een (eerste) exemplaar van de kredietovereenkomst heeft ondertekend, geen aanleiding geeft om terug te komen op het eerdere oordeel dat Defam heeft voldaan aan haar precontractuele en contractuele informatieplicht en het door haar te verrichten kredietwaardigheidsonderzoek.

Vertragingsvergoeding niet onredelijk bezwarend

Het hof moet ook ambtshalve onderzoeken of de bedingen in de kredietovereenkomst en de algemene voorwaarden waarop Defam haar vordering heeft gebaseerd, vallen onder de reikwijdte van Richtlijn 93/13 EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (Richtlijn 93/13) en, als dat zo is, of die bedingen oneerlijk zijn in de zin van die Richtlijn. Daarbij beoordeelt het hof in het bijzonder of de bepaling waarop Defam de primair door haar gevorderde vertragingsvergoeding heeft gebaseerd onredelijk bezwarend is in de zin van artikel 6:233 aanhef en onder a BW gelezen in het licht van de oneerlijkheidstoets van de artikelen 3 en 4 van Richtlijn 93/13.

In artikel 5 van de algemene voorwaarden is bepaald: “(…) U moet aan ons de vertragingsvergoeding betalen over alles dat wij opeisbaar van u te vorderen hebben in

deze gevallen:

• Eén of meer termijnbedragen staan op de afgesproken vervaldagen niet op onze rekening.

• Gehele opeising van het openstaande saldo door ons op één van de gronden zoals genoemd in artikel 8 van de voorwaarden.

U krijgt dan een ingebrekestelling van ons met een vervaldatum. Betaalt u niet, dan wordt de

vertragingsvergoeding berekend vanaf de vervaldatum tot de dag waarop u het volledige bedrag heeft betaald over het geheel opeisbaar gestelde saldo. De vertragingsvergoeding is gelijk aan het Jaarlijks kostenpercentage (JKP)(…)”.

In artikel 1 van de kredietovereenkomst is het Jaarlijks kostenpercentage gedefinieerd als: “(…) 8,2%. Dit percentage is gelijk aan de debetrentevoet.(…)”.

Als de partijen bij de kredietovereenkomst worden Defam en [de debiteur] in het kader van Richtlijn 93/13 aangemerkt als respectievelijk ‘verkoper’(Defam) en ‘consument’ ( [de debiteur] ) (artikel 2 aanhef en onder b en c Richtlijn 93/13). Om onder het bereik van Richtlijn 93/13 te vallen is vereist dat Defam en [de debiteur] niet afzonderlijk hebben onderhandeld over (in dit geval) het vertragingsvergoedingsbeding (artikel 2 aanhef en onder a in combinatie met artikel 3 lid 1 Richtlijn 93/13). Defam heeft ten aanzien van het tot stand komen van de kredietovereenkomst aangegeven dat [de debiteur] de hem aangeleverde offerte en aanvullende documenten heeft ondertekend en (met tussenkomst van een tussenpersoon) heeft geretourneerd aan Defam, waarna Defam de kredietaanvraag definitief heeft geaccepteerd. Van enige afstemming tussen partijen over de voorwaarden van de kredietovereenkomst is daarbij niet gebleken. Hieruit leidt het hof af dat Defam en [de debiteur] niet afzonderlijk hebben onderhandeld over het vertragingsvergoedingsbeding.

Daarnaast is relevant dat de beoordeling van het mogelijk oneerlijke karakter van bedingen geen betrekking heeft op zogenoemde ‘kernbedingen’, dat wil zeggen de bepalingen die zien op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst (artikel 4 lid 2 Richtlijn 93/13). Dit brengt mee dat het van belang is om vast te stellen of het vertragingsvergoedingsbeding moet worden aangemerkt als een kernbeding van de kredietovereenkomst. Dit laatste is niet het geval. Uitsluitend de bepalingen die direct zien op het verstrekken van het krediet zelf hebben te gelden als de kernbedingen van de overeenkomst. Het vertragingsvergoedingsbeding is in dat opzicht ‘slechts’ een bijkomend beding en geldt niet als een kernbeding.

Het voorgaande brengt mee dat het vertragingsvergoedingsbeding valt onder het bereik van Richtlijn 93/13. Uit deze vaststelling volgt eveneens dat het vertragingsvergoedingsbeding geldt als een algemene voorwaarde in de zin van artikel 6:231 onder a BW.

Op grond van artikel 3 lid 1 van Richtlijn 93/13 wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk beschouwd als het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Bij deze beoordeling van het oneerlijke karakter van een contractueel beding moet worden uitgegaan van het moment waarop de betrokken overeenkomst is gesloten, rekening houdend met alle omstandigheden waarvan de wederpartij van de consument (in dit geval Defam) op dat moment kennis kon hebben en die gevolgen konden hebben voor de latere uitvoering van die overeenkomst. Daarbij moet worden nagegaan wat het cumulatieve effect is van alle bedingen van de betrokken overeenkomst, aangezien die bedingen in hun geheel moeten worden toegepast ongeacht of de schuldeiser daadwerkelijk de volledige nakoming ervan nastreeft. Om te bepalen of een beding geen ‘aanzienlijke verstoring van het evenwicht’ tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen veroorzaakt, moet met name rekening worden gehouden met de toepasselijke regels van het nationale recht wanneer partijen op dit punt geen regeling hebben getroffen. Met betrekking tot de vraag in welke omstandigheden een aanzienlijke verstoring van het evenwicht ‘in strijd met de goede trouw’ wordt veroorzaakt, moet worden nagegaan of de verkoper redelijkerwijs ervan kon uitgaan dat de consument een dergelijk beding zou aanvaarden indien daarover op een eerlijke en billijke manier afzonderlijk was onderhandeld.

Op grond van artikel 5 van Richtlijn 93/13 (dat is uitgewerkt in artikel 6:238 lid 2 BW) moeten bedingen ook ‘duidelijk en begrijpelijk’ zijn geformuleerd. Dit zogenoemde ‘transparantievereiste’ brengt mee dat een beding zo moet zijn geformuleerd dat een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument de financiële gevolgen kan inschatten die daar voor hem uit kunnen voortvloeien. Een gebrek aan transparantie is een omstandigheid die meeweegt in het oneerlijkheidsoordeel.

Naar het oordeel van het hof is het beding dat bij een gehele opeising van het openstaande saldo vertragingsrente wordt berekend over het openstaande bedrag, voldoende transparant. De bepaling is voldoende duidelijk en begrijpelijk geformuleerd voor een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument om te kunnen voorzien wat de financiële gevolgen daarvan kunnen zijn voor hem. Daar komt bij dat het gebruikelijk is om een dergelijk beding op te nemen in dit soort kredietovereenkomsten.

Ook de hoogte van de vertragingsvergoeding geeft geen aanleiding om het vertragingsvergoedingsbeding aan te merken als een oneerlijk beding. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de vertragingsvergoeding gelijk is gesteld aan het in de kredietovereenkomst vastgestelde Jaarlijks kostenpercentage en de daarin opgenomen debetrentevoet van 8,2%. Dit percentage ligt ruim onder de op grond van artikel 7:76 lid 2 BW maximaal toegelaten kredietvergoeding. Die maximale vergoeding bedroeg ten tijde van het aangaan van de kredietovereenkomst 14%, te weten de toenmalige wettelijke rente van 2% verhoogd met 12 procentpunten (artikel 7:76 lid 2 BW in combinatie met de artikelen 4, 15 en16 van het Besluit kredietvergoeding).

Zonder de in artikel 5 van de algemene voorwaarden neergelegde regeling voor de vertragingsvergoeding zou Defam aanspraak hebben kunnen maken op vergoeding van de wettelijke rente (artikel 6:119 BW). Deze heeft in de periode vanaf het sluiten van de kredietovereenkomst tot heden gevarieerd tussen de 2% en 7%. Dit percentage is lager dan het Jaarlijks kostenpercentage en de debetrentevoet van 8,2%. Daar staat tegenover dat [de debiteur] nog steeds beschikt over het openstaande, door Defam opgeëiste bedrag, althans dat hij dit bedrag niet aan Defam heeft terugbetaald. Daarmee verschilt de huidige situatie niet van de situatie zoals die was voordat Defam het krediet had opgeëist en waarin [de debiteur] daarover het Jaarlijks kostenpercentage/de debetrente was verschuldigd. Hieruit volgt dat er geen sprake is van een onevenredig hoge schadevergoeding als bedoeld onder sub e) van de indicatieve lijst van oneerlijke bedingen bij Richtlijn 93/13. Het hof komt op grond van het vorenstaande tot het oordeel dat artikel 5 van de algemene voorwaarden niet onredelijk bezwarend is in de zin van artikel 6:233 aanhef en sub a BW gelezen in het licht van de oneerlijkheidstoets van de artikelen 3 en 4 van Richtlijn 93/13.

Het hof ziet ook voor het overige geen aanleiding om ambtshalve (een of meer van de bedingen van) de kredietovereenkomst en de algemene voorwaarden nietig te verklaren of te vernietigen.

Gedeeltelijke proceskostenvergoeding

Uit het bovenstaande volgt dat het hoger beroep slaagt en dat het bestreden vonnis zal worden vernietigd. De door Defam gevorderde hoofdsom te vermeerderen met de primair gevorderde overeengekomen rente van 0,659% zal worden toegewezen. Zoals hiervoor onder 2.21 is vastgesteld blijft dit percentage onder de maximaal toegelaten kredietvergoeding op grond van 7:76 lid 2 BW.

Daarnaast zal [de debiteur] als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van de eerste aanleg aan de zijde van Defam. Dit geldt niet voor de proceskosten in hoger beroep. Defam weet namelijk dat de rechtbank en het hof verschillende onderwerpen/bedingen van een kredietovereenkomst waarbij een consument is betrokken ambtshalve moeten onderzoeken. Dit brengt mee dat Defam alle informatie die hiervoor nodig is, voorzien van een toelichting, onmiddellijk in het geding moet brengen. Doet zij dat niet, zoals in het onderhavige geval, dan heeft zij het aan zichzelf te wijten dat haar vordering in eerste aanleg wordt afgewezen en dat hoger beroep nodig is om alsnog een toewijzende uitspraak te krijgen. Dit leidt ertoe dat de kosten van het hoger beroep nodeloos zijn aangewend (artikel 237 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Mede gelet hierop en het in verband met deze ambtshalve beoordeling in acht te nemen doeltreffendheidsbeginsel, zal het hof de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van Defam voor haar eigen rekening laten.

3. De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Enschede van 17 december 2024;

veroordeelt [de debiteur] om aan Defam te betalen € 16.246,53, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 0,659% per maand over de nog openstaande hoofdsom vanaf 11 september 2024 tot het moment dat alles is betaald;

veroordeelt [de debiteur] tot betaling van de volgende proceskosten van Defam tot aan de uitspraak van de kantonrechter:

€ 1.409 aan griffierecht

€ 137,38 aan kosten voor het betekenen van de dagvaarding aan [de debiteur]

€ 406 aan salaris van de advocaat van Defam (1 procespunt x tarief II);

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de kosten van het hoger beroep voor rekening van Defam blijven;

wijst af wat verder gevorderd is.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.P.H. van Driel van Wageningen, G.J. Meijer en J.G.J. Rinkes, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand