GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.365.550
zaaknummer rechtbank NL:TZ:2600500:R-RK
arrest van 7 april 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats]
die hoger beroep heeft ingesteld
hierna: [appellant]
advocaat: mr. J.A.N. Lap
tegen
Stichting Vivare
die is gevestigd in Arnhem
hierna: Vivare
1. De procedure bij de rechtbank
[appellant] heeft bij de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen (hierna: de rechtbank), tegelijk met een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (hierna: wsnp), een verzoek ingediend om de weigerachtige schuldeisers te bevelen in te stemmen met een schuldregeling als bedoeld in artikel 287a Fw. In het vonnis van 19 februari 2026 heeft de rechtbank dat laatste verzoek afgewezen.
2. De procedure bij het hof
In het op 27 februari 2026 bij het hof binnengekomen beroepschrift heeft [appellant] tijdig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 19 februari 2026. Hij heeft het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en te bepalen dat de (overgebleven) weigerachtige schuldeiser alsnog wordt bevolen om in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.
[appellant] heeft zijn verzoek om te worden toegelaten tot de wsnp bij de rechtbank ingetrokken.
Het hof heeft daarnaast kennisgenomen van:
- een V8 formulier van mr. Lap van 19 maart 2026 met de mededeling dat [appellant] het verzoek om te worden toegelaten tot de wsnp heeft ingetrokken,
- een V6 formulier van mr. Lap van 24 maart 2026 met producties 4, 5 en 6.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 maart 2026. Daarbij is [appellant] in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Lap. Namens Vivare zijn [naam1] en [naam2] verschenen.
3. De motivering van de beslissing in hoger beroep
Het verzoek en het oordeel van de rechtbank
Volgens de bij het verzoekschrift in eerste aanleg gevoegde “samenvatting crediteurenlijst” bedraagt de totale schuldenlast van [appellant] € 43.471,73, waarvan € 5.077,63 preferente vorderingen en € 38.394,10 concurrente vorderingen. Die schuldenlast is volgens [appellant] ontstaan vanaf 2022 toen hij met zijn gezin weer in Nederland kwam wonen en een nieuw leven op moest bouwen. Het lukte hem niet aan alle financiële verplichtingen te voldoen omdat hij meer geld uitgaf dan dat er binnenkwam. Twee schulden zijn ontstaan in 2019 (waaronder die van Vivare). Deze zijn veroorzaakt doordat er een hennepplantage is aangetroffen in een woning op naam van [appellant] , terwijl hij zelf in Turkije was. In februari 2024 is het gezin van [appellant] aangemeld bij het Regieteam Centrum Oost. [appellant] is op 27 mei 2024 van zijn vrouw gescheiden. Sinds oktober 2024 ontvangt [appellant] een uitkering op grond van de participatiewet (PW). De schuldhulpverlener van het regieteam (werkzaam bij de gemeente Nijmegen) heeft in januari 2025 het budgetbeheer gestart en op 1 juli 2025 is een schuldregelingsovereenkomst getekend.
[appellant] heeft met tussenkomst van de schuldhulpverlener van de gemeente Nijmegen op 19 augustus 2025 een afkoopvoorstel uit eenmalige inleg tegen finale kwijting aan de schuldeisers voorgelegd (0,81% preferent en 0,4% concurrent). Het betalingsvoorstel is gedaan in de vorm van een schuldregeling zonder aflossing, omdat de kans op stijging van het inkomen en de afloscapaciteit (de komende 18 maanden) als zeer klein werd ingeschat.
Met het voorstel hebben aanvankelijk drie schuldeisers niet ingestemd. De overige schuldeisers hebben wel ingestemd. [appellant] heeft de rechtbank verzocht om Vivare en de andere twee schuldeisers te dwingen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling. Uiteindelijk hebben twee van de drie weigerachtige schuldeisers alsnog ingestemd. Vivare is de enige schuldeiser die nog altijd weigerachtig is gebleven. Vivare heeft een vordering van in totaal € 13.413,30.
De rechtbank heeft het verzoek om de Vivare te bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling afgewezen. De rechtbank heeft geoordeeld dat geen sprake is van een onredelijke weigering. De rechtbank heeft daarbij meegewogen dat zij niet kan vaststellen dat de schuldregeling die [appellant] heeft aangeboden het maximale inhoudt waartoe hij financieel in staat moet worden geacht. [appellant] heeft volgens de rechtbank niet (met medische stukken) onderbouwd dat hij geen aflossingscapaciteit heeft en dat de kans op een stijging van het inkomen de komende 18 maanden zeer klein is. [appellant] solliciteert, waardoor zijn inkomen nog zou kunnen stijgen en hij meer zou kunnen sparen voor zijn schuldeisers, aldus de rechtbank.
Het beroep van [appellant]
[appellant] kan zich met het oordeel van de rechtbank niet verenigen en heeft in hoger beroep het volgende aangevoerd. Volgens [appellant] beroept Vivare zich alleen op het niet te goeder trouw ontstaan van de schuld, terwijl de schuld al in 2019 is ontstaan. Drie jaar is de vereiste termijn van goede trouw voor toelating tot de wsnp en die drie jaar is ruimschoots verstreken. Daarnaast zou het belang van [appellant] en de overige schuldeisers moeten prevaleren, aldus [appellant] . Onder de aangeboden schuldregeling wordt wel een uitkering gedaan, terwijl de verwachting is dat dit in het kader van de wsnp niet zal gebeuren. Volgens [appellant] heeft hij inmiddels ook met stukken aangetoond dat hij (voorlopig) geen verdiencapaciteit heeft, zodat het gedane betalingsvoorstel het hoogst haalbare is.
Het juridisch kader
Op grond van artikel 287a lid 5 Fw kan de rechter het verzoek tot bevel om instemming met een aangeboden schuldregeling toewijzen als de weigerachtige schuldeisers in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat de schuldeisers hebben bij de uitoefening van hun bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Daarnaast geldt hierbij als uitgangspunt dat het iedere schuldeiser in beginsel vrijstaat te verlangen dat zijn vordering volledig wordt voldaan, zodat niet snel geoordeeld kan worden dat een schuldeiser in redelijkheid niet tot de hiervoor bedoelde weigering heeft kunnen komen. Of sprake is van schulden die niet te goeder trouw zijn ontstaan, is in het kader van de beoordeling dwangregeling één van de gezichtspunten die kan worden meegenomen, maar vormt niet zonder meer een beletsel voor toewijzing.
Het oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat Vivare in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen. Hoewel het hof begrip heeft voor het standpunt van Vivare dat zij een zero tolerance beleid voert met betrekking tot schulden die zijn ontstaan door hennepkwekerijen in het gehuurde, waarbij bovendien sprake is van gevaarzetting (voor omwonenden), legt het hier geen gewicht in de schaal. Niet betwist is dat de schuld aan Vivare reeds in 2019 is ontstaan. Omdat de schuld (meer dan) vijf jaar geleden is ontstaan, is de schuld ontstaan buiten het voor toelating tot de wsnp relevante tijdvlak van drie jaar. Naar het oordeel van het hof kan daarmee het niet te goeder trouw zijn ontstaan van de schuld ook niet meewegen in het kader van de dwangregeling.
Het belang dat Vivare heeft bij de uitoefening van haar bevoegdheid tot weigering afgezet tegen de belangen [appellant] , de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad en het maatschappelijk belang, is het hof van oordeel dat de maatschappelijke kosten van de weigering van Vivare in dit geval te hoog zijn. Als het dwangakkoord niet tot stand komt, zal [appellant] hoogstwaarschijnlijk worden toegelaten tot de wsnp. Uit de door [appellant] in het geding gebrachte stukken (vergelijkingstool Msnp vs. WSNP- versie 2025) volgt dat dit traject naast de kosten die het met zich brengt, geen extra betaling aan de schuldeisers gaat opleveren. [appellant] heeft bovendien aangekondigd dat hij zal verzoeken de looptijd van de wsnp in te korten omdat hij al sinds 1 juli 2025 een schuldhulpregelingstraject volgt. Indien dit wordt gehonoreerd zal de looptijd van de wsnp waarschijnlijk niet veel langer zijn dan een half jaar. Dat er tijdens het wsnp-traject mogelijk toch verdiencapaciteit aan de zijde van [appellant] zal zijn en dat de wsnp-bewindvoerder strenger toeziet op de sollicitatieplicht, zoals door Vivare ter zitting nog is aangevoerd, acht het hof niet aannemelijk. Uit de terugkoppeling Arbeidsvermogen van de bedrijfsarts van Active Health Groep B.V. (nadere productie 6) volgt dat [appellant] voorlopig niet duurzaam inzetbaar is voor loonvormende arbeid en dat [appellant] eerst een behandeltraject dient te doorlopen van 6 maanden (waarbij er een wachttijd is van tenminste 21 weken). Hoewel de bedrijfsarts verwacht dat er na het afronden van de behandeling wel duurzame inzetbaarheid kan worden verwacht, zal dit hoogstwaarschijnlijk niet voor het einde van de wsnp zijn.
Alle belangen afwegend, is het hof van oordeel dat Vivare dient mee te werken aan de regeling en zal het verzoek om Vivare te dwingen alsnog toewijzen.
Conclusie
Het hoger beroep slaagt. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. Het verzoek van [appellant] zal alsnog worden toegewezen en dat betekent dat Vivare wordt bevolen in te stemmen met de schuldenregeling.
Volgens artikel 287a lid 6 Fw veroordeelt de rechter de schuldeiser die instemming met de schuldregeling heeft geweigerd, in de kosten. Het hof begroot deze kosten, waar [appellant] overigens ook niet om heeft verzocht, in dit geval aan zijn zijde tot op heden op nihil.
4. De beslissing
Het hof:
vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 19 februari 2026 en beslist als volgt:
beveelt Vivare in te stemmen met de door [appellant] aan de gezamenlijke schuldeisers aangeboden schuldenregeling.
veroordeelt Vivare in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] vastgesteld op nihil.
Dit arrest is gewezen door mrs. G.P. Oosterhoff, D.M.I. de Waele en H. Wammes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 april 2026.