GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.366.327
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 555989)
beschikking van 10 september 2026
inzake
[moeder] ,
wonende in [woonplaats1] ,verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. W.Y. Hofstra,
en
Martinus Antonius Cornelis Snoeren,
wonende in [woonplaats1] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. W.W.P. Mei.
1. De procedure in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 18 december 2025, uitgesproken onder zaaknummer 555989, hierna ook: de bestreden beschikking.
2. De procedure in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 16 maart 2026;
- het verweerschrift met producties;
- het journaalbericht namens de vader van 6 augustus 2026 met bijlagen.
De mondelinge behandeling stond gepland op 26 juni 2026. Deze heeft in verband met de voor die dag voorspelde extreme weersomstandigheden niet plaatsgevonden.
De mondelinge behandeling is verplaatst naar 14 augustus 2026. Partijen waren aanwezig met hun advocaten. Van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) was een vertegenwoordiger aanwezig.
3. De feiten
Partijen zijn de ouders van [kind] , geboren op 21 december 2022. [kind] woont bij de moeder.
De rechtbank heeft bij beschikking van 13 juni 2023 de vader samen met de moeder
met het gezag over [kind] belast en beslist dat er een voorlopige zorgregeling zal gelden, namelijk:
-de vader en [kind] hebben minimaal één keer per week gedurende twee uur omgang met elkaar, waarbij de regie over de uitbreiding van de omgang bij de hulpverlening ligt;
-totdat de hulpverlening betrokken is bij het gezin, zal de opa van [kind] (vaderszijde) bij de omgang aanwezig zijn. Daarna zal de omgang begeleid worden door de hulpverlening, waarbij het aan hen is om te beoordelen of en hoe lang begeleiding bij de omgang nodig is. De rechtbank heeft de (definitieve) beslissing over de zorgregeling en het raadsonderzoek aangehouden in afwachting van het verloop van het uniform hulpaanbod.
De rechtbank heeft bij beschikking van 19 november 2024 de verzoeken opnieuw
aangehouden en een voorlopige zorgregeling vastgesteld.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank:
* een opbouwende zorgregeling vastgesteld waarbij wordt toegewerkt naar de situatie dat
- [kind] gedurende de voorschoolse fase (0-4 jaar), eenmaal per 14 dagen (de even weken) van vrijdag 17:00 uur tot zondag 19:00 uur bij de vader verblijft, waarbij de moeder [kind] naar vader brengt op vrijdag en de vader [kind] op zondag na het avondeten naar de moeder brengt;
- [kind] in de basisschoolfase (4-12 jaar), eenmaal per 14 dagen (de even weken) van vrijdag uit school tot zondag 19.00 uur bij de vader verblijft, waarbij de vader
[kind] van school haalt en zondag na het avondeten naar de moeder brengt;
- [kind] in de basisschoolfase (4-12 jaar), eenmaal per 14 dagen (in de oneven weken) op woensdag uit school tot na het avondeten, 19.00 uur, bij de vader verblijft, waarbij de vader [kind] van school haalt en na het eten naar de moeder brengt;
-wanneer een studiedag op vrijdag valt in de even weken (vaders weekend), verblijft
[kind] die dag bij de vader vanaf 9.00 uur (tot zondag 19.00 uur), waarbij de
moeder [kind] om 9.00 uur naar de vader brengt;
* de volgende vakantieregeling vastgesteld, met ingang van de meivakantie 2026:
- [kind] verblijft in het eerste weekend van de meivakantie en het eerste weekend van de herfstvakantie van vrijdag 9.00 uur tot en met maandag 19.00 uur bij de vader;
-in de zomervakantie verblijft [kind] de eerste twee weken bij de vader, waarbij geldt dat als de vakantie start in de even week, [kind] volgens de weekendregeling bij de vader verblijft met een extra overnachting van zondag op maandag;
- [kind] verblijft in het tweede weekend van de kerstvakantie van vrijdag 9.00 uur t/m maandag 19.00 uur bij de vader;
* een feestdagenregeling vastgesteld met ingang van januari 2026
* bepaald dat de moeder bovenstaande beslissingen dient na te komen, op straffe van
een aan de vader te verbeuren dwangsom van € 250,- per dag/dagdeel of per keer dat de
moeder zich niet aan deze beschikking houdt, tot een maximum van € 15.000,- is bereikt;
* de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
* de verzoeken van de ouders voor het overige afgewezen.
4. De omvang van het geschil
Tussen partijen is de zorgregeling in geschil.
De moeder is in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Haar grieven zien op de zorgregeling, de opgelegde dwangsom en zij wenst nogmaals een raadsonderzoek. De moeder verzoekt:
Primair:
de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
-de zorgregeling vast te stellen met geleidelijke stapsgewijze opbouw onder begeleiding van de jeugdconsulent van de Gemeente Hilversum en/of Youké, conform het advies van de raad van 11 oktober 2024, althans een door het hof te bepalen zorgregeling;
-de opgelegde dwangsom te vernietigen, althans een proportionele dwangsom vast te stellen,
rekening houdend met de financiële draagkracht van de moeder, subsidiair een dwangsom van € 50,- tot € 100,- per keer, tot een maximum van € 3.000,- tot € 5.000,-, althans een door
het hof te bepalen bedrag;
-een nieuw onderzoek door de raad te gelasten, teneinde een actueel advies te verkrijgen over de zorgregeling die in het belang van [kind] is, mede gelet op de gewijzigde omstandigheden sinds het rapport van 11 oktober 2024;
Subsidiair:
- de zaak terug te verwijzen naar de Rechtbank Midden-Nederland voor nadere behandeling, met inachtneming van wat het hof in de te geven beschikking heeft overwogen;
kosten rechtens.
De vader voert verweer en hij verzoekt om het verzoek in hoger beroep van de moeder af te wijzen, de beschikking van de rechtbank te bekrachtigen en de moeder te veroordelen in de kosten van het hoger beroep.
5. De motivering van de beslissing
Wat staat er in de wet ?
De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan, onder andere, een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten.
Hoe luiden de standpunten ?
De moeder is het niet eens met de door de rechtbank vastgestelde snelle uitbreiding van de regeling, waarbij [kind] bij de vader verblijft. Zij staat open voor een uitbreiding op termijn, maar zij wil dat de regeling voorlopig nog zal plaatsvinden zoals dat tot de bestreden beschikking is gebeurd en dat de begeleiding ook voorlopig zal blijven, zoals de raad in zijn rapport uit 2024 heeft geadviseerd. De moeder kan niet begrijpen dat de raad in 2024 nog de voorwaarde heeft gesteld dat er begeleiding en hulpverlening zal komen, terwijl deze voorwaarde nu in het geheel niet meer wordt gesteld. Volgens de moeder wordt in de bestreden beschikking ten onrechte hulpverlening slechts ‘wenselijk’ geacht. De moeder maakt zich nog steeds zorgen om de onoplettendheid van de vader, waardoor er voor [kind] onveilige situaties kunnen ontstaan. Volgens de moeder is de rechtbank ten onrechte voorbijgegaan aan haar verzoek om de raad opnieuw een onderzoek te laten verrichten. De moeder vindt de opgelegde dwangsom disproportioneel. Zij is ook niet in staat om deze te betalen.
De vader voert aan dat de in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling nagekomen moet worden. De rechtbank heeft die beslissing volgens de vader duidelijk gemotiveerd. In 2024 waren er ook al geen belemmeringen voor omgang en was er evenmin sprake van onveiligheid van [kind] in de thuissituatie van de vader. De destijds bevolen opbouw en begeleiding van de zorgregeling zijn volgens de vader opgelegd in verband met de door de moeder getoonde bezorgdheid en bedoeld om bij de moeder op die wijze draagvlak te creëren voor uitbreiding van die regeling. De vader neemt de adviezen om de veiligheid van [kind] te waarborgen ter harte. Om de onderlinge communicatie tussen de moeder en hem te verbeteren heeft de vader een ouderschapsmodule gevolgd. Volgens de vader wil de moeder geen hulpverlening accepteren en wil zij een uitbreiding van de contacten tussen hem en [kind] zo lang mogelijk uitstellen. De in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling is volgens de vader in het belang van een goede hechting tussen hem en [kind] . De dwangsom blijft nodig als prikkel voor de moeder om de regeling na te komen.
De vader wil dat de moeder wordt veroordeeld in de proceskosten, omdat hij al veel kosten heeft moeten maken om tot een goede zorgregeling te komen en de moeder beslissingen steeds niet nakomt.
Wat adviseert de raad ?
De raad heeft geadviseerd om de in de bestreden beschikking vastgestelde zorgregeling, met de daarin bepaalde opbouw, te volgen. Uit diverse onderzoeken is gebleken dat in de thuissituatie van de vader de veiligheid van [kind] voldoende is gewaarborgd. Volgens de raad is de hulpverlening niet nodig voor de omgang tussen de vader en [kind] , maar wellicht wel voor de verbetering van de communicatie tussen de ouders. De raad ziet geen belemmeringen voor de contacten tussen de vader en [kind] .
Hoe oordeelt het hof ?
Het hof acht zich op grond van de stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is gezegd voldoende voorgelicht om een eindbeslissing te kunnen nemen, zodat geen noodzaak bestaat om een nader onderzoek door de raad te gelasten en ook niet om de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank Midden-Nederland, zo dit juridisch al een aangewezen route zou kunnen zijn. Het hof zal de desbetreffende verzoeken van de moeder afwijzen.
Uit de stukken en wat tijdens de zitting van het hof is gezegd is het volgende gebleken. De moeder heeft de afgelopen jaren diverse keren zorgen geuit over de veiligheid van [kind] in de thuissituatie van de vader. Onderzoek heeft echter uitgewezen dat die veiligheid voldoende gewaarborgd is. De vader heeft erkend dat [kind] een keer in een drukke situatie buitenshuis is weggerend, maar dat hij zich nu heeft aangeleerd om [kind] in dergelijke situaties aan de hand te houden. Ook binnenshuis heeft hij de nodige veiligheidsmaatregelen getroffen, zoals een aanpassing bij scherpe tafelhoeken. De vader neemt dus de veiligheidsadviezen op adequate wijze ter harte. Hoewel beide ouders hebben aangevoerd dat zij de communicatie tussen hen willen verbeteren, waarvan de noodzaak door de raad tijdens de zitting bovendien is benadrukt, lijkt de moeder niet bereid om die hulp ook daadwerkelijk te aanvaarden. De moeder heeft tijdens de zitting desgevraagd niet kunnen verklaren waarom de door haar benaderde hulporganisatie haar niet wilde helpen met de toelating tot de module Parallel Solo Ouderschap en ook niet waarom dat haar bij geen enkele andere hulpverleningsinstantie is gelukt. De vader daarentegen heeft genoemde module gevolgd en ook afgerond. Gebleken is dat de contacten tussen de vader en [kind] op dit moment goed verlopen. De moeder heeft haar standpunt dat zij nog steeds zorgen heeft over de veiligheid van [kind] in de thuissituatie bij de vader in het geheel niet onderbouwd. Ook overigens is niet gebleken van een dergelijke onveiligheid. Het is een feit van algemene bekendheid en niet ongewoon dat een kind enige onrust vertoont en even moet acclimatiseren als het na een omgangsmoment met de ene ouder terugkomt bij de andere ouder. Gezien het aanhoudende negatieve standpunt van de moeder over het verblijf van [kind] bij de vader, is het bovendien zeer wel mogelijk dat [kind] voelt dat de moeder hem geen emotionele toestemming kan geven om uitgebreider contact te hebben met de vader en dat hij daarom soms niet naar de vader wil. Hier kan loyaliteit een rol spelen.
Gelet op al het voorgaande, maar ook op het advies van de raad dat een uitgebreid contact, inclusief een overnachting, in het belang is van een goede hechting tussen de vader en [kind] , zal het hof de in de bestreden beschikking vastgestelde regeling bekrachtigen. Omdat de moeder blijft bij haar weerstand tegen de vastgestelde zorgregeling en zij tijdens de zitting heeft verklaard dat zij deze regeling niet zal nakomen, ziet het hof aanleiding om de bestreden beschikking ook voor wat betreft de (hoogte van de) opgelegde dwangsom te bekrachtigen.
De vader heeft verzocht om de moeder in de kosten van deze procedure te veroordelen. Het hof ziet echter, nu de ouders een relatie met elkaar hebben gehad en deze procedure gaat over hun kind, aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat ieder de eigen kosten betaalt.
6. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 18 december 2025;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, E. de Boer en S. Kuijpers, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, en is op 10 september 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.