GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.361.343/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 201537)
beschikking van 3 februari 2026
over de uithuisplaatsing van [de minderjarige]
in de zaak van
[verzoeker] (de vader)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. H.D. Postma te Leeuwarden
en
de gecertificeerde instelling
Regiecentrum Bescherming en Veiligheid (de GI)
die is gevestigd in Leeuwarden
en
[belanghebbende] (de moeder)
die woont in [woonplaats2]
1. Samenvatting
De kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft een machtiging gegeven om [de minderjarige] uit huis te plaatsen tot 12 april 2026. Het hof beslist dat dit zo moet blijven en legt hierna uit waarom.
2. De feiten
De ouders hebben samen één kind, [de minderjarige] . [de minderjarige] is geboren [in] 2012. [de minderjarige] heeft een halfzus, die dezelfde vader heeft.
De ouders hebben samen het gezag over [de minderjarige] . Na het eindigen van de relatie van de ouders in 2023 is [de minderjarige] bij de vader blijven wonen. Haar halfzus woont daar ook.
[de minderjarige] staat sinds 12 april 2023 onder toezicht van de GI. Tijdens de ondertoezichtstelling heeft [de minderjarige] op basis van een machtiging tot uithuisplaatsing van 9 juli 2024 tot 9 november 2024 bij opa en oma (vz.) gewoond. Daarna is zij weer bij de vader gaan wonen. Sinds 26 september 2025 woont [de minderjarige] bij een zus van de moeder in [woonplaats3] .
3. De procedure bij de kinderrechter
De GI heeft de kinderrechter verzocht [de minderjarige] voor de duur van de ondertoezichtstelling uit huis te mogen plaatsen.
De kinderrechter heeft het verzoek van de GI toegewezen en de GI gemachtigd om [de minderjarige] uit huis te plaatsen tot 12 april 2026.
Die beslissing is vastgelegd in een beschikking van 24 september 2025.
4. De procedure bij het hof
De vader is het niet eens met de beslissing van de kinderrechter. Hij komt daarvan in hoger beroep. Hij wil dat het hof de beslissing van de kinderrechter ongedaan maakt.
De GI wil dat de beslissing in stand blijft.
Het hof heeft de volgende stukken ontvangen:
het beroepschrift
de brief van de raad voor de kinderbescherming (de raad) van 21 november, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting
de stukken van de vader ingediend op 27 november 2025
het verweerschrift van de GI
[de minderjarige] heeft op 5 januari 2026 gesproken met een raadsheer en een griffier van het hof. Zij heeft verteld wat zij vindt van de uithuisplaatsing.
De zitting bij het hof was op 8 januari 2026 Aanwezig waren:
de vader met zijn advocaat
de moeder via een videoverbinding
vertegenwoordigers van de GI, die mede aan de hand van een door hen overgelegde pleitnota het woord hebben gevoerd
5. Het oordeel van het hof
De kinderrechter kan een machtiging geven om een kind uit huis te plaatsen. De rechter kan die machtiging geven als dat noodzakelijk is voor de verzorging en opvoeding van het kind of voor onderzoek van het kind. De rechter kan die machtiging ook verlengen als de GI of de raad dat verzoekt.
De machtiging voor de uithuisplaatsing van [de minderjarige] loopt tot 12 april 2026.
Volgens het hof is de machtiging aan de GI terecht gegeven, omdat [de minderjarige] op dit moment niet thuis kan wonen. De beslissing van de kinderrechter zal in stand blijven (worden bekrachtigd). Het hof legt hierna uit waarom.
In deze zaak staat de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] niet ter discussie. Er zijn meerdere ontwikkelingsbedreigingen. [de minderjarige] is meermaals getuige geweest van ruzies tussen haar ouders, zowel verbaal als fysiek. Er zijn zorgen over haar persoonlijke verzorging en haar sociale en cognitieve ontwikkeling. Ook zijn er zorgen over de opvoedsituatie bij de vader en vermoedens van drugs in de thuissituatie. De zorgen over [de minderjarige] bestaan al jaren.
Tijdens de ondertoezichtstelling is sinds medio 2024 [naam1] (voorheen [naam2] ) intensief betrokken. [naam1] heeft onderzocht wat nodig is voor [de minderjarige] om weer bij de vader te kunnen wonen en is de vader en later ook [de minderjarige] gaan begeleiden. [naam1] kwam 2 à 3 keer per week aan huis. Op 28 februari 2025 stuurde de GI een brief aan de vader, met daarin specifieke basisvoorwaarden die zij nodig achtte voor de veiligheid, opvoeding en verzorging van [de minderjarige] . In de maanden die volgden rapporteerde [naam1] wekelijks over hoe zij het huis en [de minderjarige] aantroffen. Uit de evaluatie van [naam1] van 25 juli 2025 blijkt dat er geen sprake is van goed genoeg ouderschap. De opvoedstructuur is weinig steunend en flexibel. Er is onvoldoende (gezond) eten in huis en structuur in de maaltijden ontbreekt. [de minderjarige] is regelmatig onverzorgd. De woning is regelmatig niet op orde. Er zijn zorgen over de veiligheid van [de minderjarige] in huis in verband met blootstelling aan drankgebruik en er zijn zorgen over agressiviteit en sensitiviteit van de vader. [naam1] heeft bij [de minderjarige] een loyaliteitsconflict geconstateerd.
Het is het hof duidelijk dat er ruimschoots ambulante hulpverlening is ingezet om de leefomgeving van [de minderjarige] bij haar vader thuis op een goed genoeg niveau te brengen, maar dat dit niet is gelukt. De GI heeft toegelicht dat de hulpverlening nooit heeft kunnen bereiken dat de basisvoorwaarden stabiel op een acceptabel niveau kwamen. Van structurele verbetering of een stijgende lijn is geen sprake geweest. Na jaren van betrokkenheid van de GI is het haar duidelijk geworden dat er een andere weg ingeslagen moet worden, te beginnen met het uit huis plaatsen van [de minderjarige] , zodat zij vanaf een beter startpunt verder geholpen kan worden.
[de minderjarige] heeft aangegeven het liefst weer naar huis te willen, omdat ze haar vertrouwde omgeving mist, haar vader en halfzus, haar katten en haar vrienden. Het hof begrijpt dit, maar ziet ook de positieve resultaten die de uithuisplaatsing al heeft gehad. [de minderjarige] werkt aan een netwerk op haar nieuwe school, onder meer bij ‘ [naam3] ’. Op school gaat het goed en het lukt haar om dagelijks op tijd aanwezig te zijn. Ook zet [de minderjarige] stappen op het gebied van zelfzorg, zoals het regelen van een bril en de orthodontist en lukt het haar om zich te uiten, ook in moeilijke situaties. Zij is zich sociaal en emotioneel positief aan het ontwikkelen.
Uit het rapport van [naam1] leidt het hof af dat de vader onvoldoende leerbaar is en dat het hem niet lukt om aan te sluiten bij wat [de minderjarige] nodig heeft. Juist in deze fase van haar leven heeft zij een rustige en stabiele basis nodig om zich verder te kunnen ontplooien als persoon, zonder dat haar loyaliteit aan haar vader haar belemmert. Het hof is van oordeel dat zij hiervoor de ruimte moet krijgen, wat het noodzakelijk maakt in het belang van haar verzorging en opvoeding dat zij uit huis geplaatst blijft.
Op de zitting is met de aanwezigen besproken hoe [de minderjarige] geïnformeerd zou kunnen worden over de beslissing die het hof neemt. Het hof vraagt de medewerkers van de GI de beschikking met [de minderjarige] te delen, omdat het hof het belangrijk vindt dat [de minderjarige] eventuele vragen en opmerkingen gelijk met hen kan bespreken.
6. De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 24 september 2025 over de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] ;
wijst het anders of meer verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van Dijk, mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard en mr. K.H.P. Selcraig, bijgestaan door mr. M.C. Eisses als griffier, en is op 3 februari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.