Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 18 april 2023 met parketnummer 05-070980-22 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1979 in [geboorteplaats] ,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in [PI] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de zittingen van het hof van 6 januari 2025 en 20 januari 2026 en wat er op de zitting bij de rechtbank is besproken.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P.A.J. van Putten, advocaat te Almere, hebben aangevoerd.
Het vonnis
In het vonnis is bewezenverklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de rechtbank verdachte verminderd toerekeningsvatbaar verklaard en hem de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege en een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht opgelegd. Ten aanzien van de maatregel van terbeschikkingstelling heeft de rechtbank bepaald dat de duur van de maatregel is gemaximeerd tot vier jaar.
Tot slot heeft de rechtbank een Xiaomi telefoon, een Samsung telefoon, een Toshiba computerkast, een iPad en een Asus Laptop onttrokken aan het verkeer en de teruggave aan verdachte gelast van meerdere onder verdachte in beslag genomen filmrolletjes en Canon camera’s.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring grotendeels op juiste wijze en op goede gronden heeft beslist en zal het vonnis in zoverre bevestigen met aanvulling van de gronden.
Ook ten aanzien van het beslag is het hof van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze en op goede gronden heeft beslist. In zoverre zal het vonnis eveneens worden bevestigd.
Ten aanzien van de strafoplegging komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.
Aanvullende gronden ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde
Het hof voegt het volgende bewijsmiddel toe:
Verdachte antwoordt op vragen van de voorzitter als volgt:
Het klopt dat ik bij de doorzoeking tegen de politie heb gezegd dat de twee in mijn woning aangetroffen telefoons van mij zijn. Ik heb inderdaad een telefoon van het merk Samsung en een telefoon van het merk Xiaomi gehad. De telefoon van het merk Xiaomi had ik nog niet zo lang. Volgens mij had ik die pas een half jaar tot een jaar in mijn bezit. U, voorzitter, vraagt mij of de aangetroffen iPad , laptop van het merk Aser (het hof begrijpt: Asus ) en computer van het merk Toshiba ook van mij waren. Die heb ik wel gehad. Ik ga er daarom vanuit dat ze van mij waren.
Daarnaast voegt het hof in de tweede alinea op pagina 3 van het vonnis de volgende schuingedrukte zinsnede en voetnoten toe:
In de woning van verdachte op het adres [adres] te [plaats] zijn meerdere digitale gegevensdragers aangetroffen, die in beslag genomen zijn. Op vijf gegevensdragers werd kinderpornografisch materiaal aangetroffen, te weten op een telefoon van het merk en type Xiaomi Redmi Note 10 pro, een telefoon van het merk en type Samsung Galaxy A70, een computerkast van het merk Toshiba , een iPad en een laptop van het merk Asus .
Oplegging van straf en/of maatregel
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte dezelfde straf en maatregelen op te leggen als de rechtbank heeft gedaan, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging en een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht. Daarbij heeft de advocaat-generaal in aanmerking genomen dat eerdere reclasseringstrajecten niet zijn geslaagd en dat verdachte heeft aangegeven niet te willen meewerken aan een zedenbehandeling. De advocaat-generaal acht een ambulante behandeling niet aangewezen. Volgens de advocaat-generaal kan het recidiverisico daarom enkel door middel van oplegging van de tbs-maatregel met dwangverpleging worden ondervangen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat - indien het hof tot een bewezenverklaring zou komen - oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling, in welke variant dan ook, disproportioneel zou zijn. Bovendien is volgens de raadsman niet voldaan aan de vereisten om de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. Daartoe heeft de raadsman bepleit dat op basis van de voorhanden zijnde rapportages niet kan worden geconcludeerd dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat niet aan het gevaarscriterium is voldaan.
Volgens de raadsman zou een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk en met proeftijd van twee jaren, proportioneel zijn. Daarbij heeft de raadsman het hof in overweging gegeven om aan het voorwaardelijk strafdeel als bijzondere voorwaarden te verbinden een meldplicht bij de reclassering, verplichte (eventueel klinische) behandeling, meewerken aan het verkrijgen van dagbesteding en meewerken aan een traject voor schuldhulp.
Tot slot heeft de raadsman verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen, nu verdachte reeds meer dan twaalf maanden in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en het hof heeft gelet op de persoon van de verdachte. Daarbij is in het bijzonder gelet op:
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim tweeënhalf jaar schuldig gemaakt aan het in bezit hebben van kinderporno en heeft daarvan een gewoonte gemaakt. Daarnaast heeft verdachte dierenporno in bezit gehad en een aantal kinderpornografische afbeeldingen vervaardigd, verspreid en verworven. In totaal zijn 196 kinderpornografische afbeeldingen, 9 dierenpornografische afbeeldingen en 2 dierenpornografische video’s aangetroffen. Uit onderzoek naar het kinderpornografisch materiaal is gebleken dat het met name gaat om afbeeldingen van poserende meisjes in de kennelijke leeftijd tussen de 8 en 17 jaar. Op de afbeeldingen wordt bijvoorbeeld ingezoomd op de schaamstreek van deze jonge meisjes. Hoewel op de meeste beelden geen seksuele handelingen met andere mensen te zien zijn, is dit bij een enkele afbeelding wel het geval. Zo is op de door verdachte via WhatsApp verstuurde afbeelding te zien dat de geslachtsdelen van een minderjarige worden betast. Daarnaast is op een GIF-bestand een afbeelding van het gezicht van de dochter van een ex-vriendin van verdachte over het gezicht van een volwassen vrouw ‘geplakt’, waardoor het meisje naakt of deels naakt lijkt te zijn en seksuele handelingen lijkt te ondergaan. Van sommige aangetroffen afbeeldingen uit bekende kinderpornografische series is bovendien bekend dat de meisjes meerdere seksuele handelingen verrichten.
Het bezit van kinder- en dierenporno is verwerpelijk, mede omdat bij de vervaardiging van deze afbeeldingen kinderen en dieren seksueel worden misbruikt en geëxploiteerd. Verdachte heeft, door het in stand houden van de vraag naar en het aanbod van kinder- en dierenpornografisch materiaal, ook een bijdrage geleverd aan het in stand houden van dit misbruik. Wat betreft het kinderpornografische materiaal behoeft het voorts geen nadere toelichting dat dit misbruik enorm veel schade kan toebrengen aan de kinderen die daarvan het slachtoffer zijn. Door de verspreiding van het beeldmateriaal via internet wordt de schade voor deze jeugdigen bovendien vergroot, omdat de beelden niet eenvoudig zijn te verwijderen. Verdachte is aan dit alles kennelijk volledig voorbij gegaan en lijkt vooral gericht te zijn geweest op zijn eigen behoeftebevrediging. Het hof rekent dit verdachte aan.
LOVS
Bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat heeft het hof tot uitgangspunt genomen de straffen die in soortgelijke zaken gewoonlijk worden opgelegd, zoals neergelegd in de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) vastgestelde oriëntatiepunten voor de straftoemeting. Hieruit volgt dat voor bezit van kinderporno een taakstraf voor de duur van 240 uren en een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan een groot gedeelte voorwaardelijk, met oplegging van bijzondere voorwaarden, is geïndiceerd. Voor zowel het verspreiden van kinderporno als het een beroep of gewoonte maken van het bezit van kinderporno kan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één jaar worden overwogen. In geval van het vervaardigen van kinderporno wordt tot in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren opgelegd. Als strafvermeerderende en/of strafverminderende factoren worden voorts bijvoorbeeld aangemerkt het aantal afbeeldingen, de aard van de afbeeldingen, de periode waarin de verzameling van afbeeldingen is opgebouwd, de leeftijd van de slachtoffers, het type afbeelding (echt of virtuele productie), of al dan niet sprake is van recidive en/of herhalingsgevaar, de bereidheid tot gedragsverandering en erkenning van inzicht in problematiek gedrag.
Justitiële documentatie
Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat verdachte in oktober 2021 door de rechtbank en vervolgens in juli 2022 door het gerechtshof ter zake van het een
gewoonte maken van bezit van kinderporno, gepleegd in de periode van januari 2016 tot en met maart 2019, is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaren. Deze veroordeling is inmiddels onherroepelijk. In de onderhavige zaak is verdachte
veroordeeld voor onder meer het een gewoonte maken van bezit van kinderporno in de periode van augustus 2019 tot april 2022. Het hof constateert dan ook dat de eerdere aanhouding en veroordeling door de rechtbank verdachte er niet van hebben weerhouden op dezelfde voet door te gaan.
Toerekenbaarheid
Uit de rapportages van psycholoog [psycholoog 2] , psychiater [psychiater 2] , psycholoog [psycholoog 1] en psychiater [psychiater 1] volgt dat bij verdachte sprake is van ziekelijke stoornissen, te weten een ander gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale, borderline en narcistische trekken. Daarnaast is volgens de deskundigen sprake van een (chronische) posttraumatische stressstoornis, in remissie. Een pedofiele stoornis kan volgens de deskundigen niet worden vastgesteld, maar ook niet worden uitgesloten.
Volgens de deskundigen kunnen vanwege de hardnekkige ontkenning door verdachte geen uitspraken worden gedaan over de eventuele doorwerking van de problematiek in het bewezenverklaarde. Zij hebben daarom geen advies geformuleerd over de mate waarin het tenlastegelegde aan verdachte is toe te rekenen. De deskundigen hebben echter aangegeven dat gezien het structurele karakter van de problematiek hiervan ook sprake was ten tijde van het bewezenverklaarde. Bovendien kan het volgens psychiater [psychiater 2] daarom niet anders zijn dan dat de aard van de vastgestelde persoonlijkheidsstoornis bij verdachte zijn algeheel en maatschappelijk functioneren beïnvloedt.
Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat ten tijde van het plegen van de feiten
bij verdachte sprake is geweest van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestesvermogens en dat dit zijn handelen deels bepaalde. Verdachte wordt daarom in verminderde mate
toerekeningsvatbaar geacht.
De behandeladviezen van de deskundigen
In de Pro Justitia-rapportage van psycholoog [psycholoog 2] en psychiater [psychiater 2] wordt het volgende beschreven. Er is sprake van een hoog algemeen delictrisico met beperkte beschermende factoren en omstandigheden. Op basis van de geconstateerde problematiek en het geschatte recidiverisico zijn er dan ook gronden om verdachte een (forensisch) behandeltraject op te leggen. Een dergelijk behandeltraject zou kunnen worden geboden in het kader van eventueel op te leggen bijzondere voorwaarden. Volgens de deskundigen is het echter reëel dat een reclasseringstraject geen meerwaarde zal bieden. Het is namelijk maar de vraag in hoeverre verdachte bereid is om zich in te zetten voor een klinische behandeling en/of zich weet te schikken naar de eisen en verwachtingen binnen een dergelijk klinisch traject, nu eerdere langdurige reclasseringscontacten niet hebben geleid tot vermindering van delictgedrag. Mocht de klinische opname plaatsvinden in het kader van bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf, dan zal verdachte bovendien bij het weigeren mee te werken aan een opname (terug)geplaatst worden in detentie om zijn straf uit te zitten. In dat geval kan er geen behandeling plaatsvinden en zal verdachte zonder dat er een therapeutische ontwikkeling heeft plaatsgevonden terugkeren in de maatschappij. Volgens de deskundigen kan daarom worden overwogen om tbs met voorwaarden op te leggen, waarbij afhaking resulteert in omzetting naar tbs met verpleging.
De reclassering heeft in haar rapport van 21 december 2022 geconcludeerd dat het algemene
recidiverisico hoog-gemiddeld is. Mocht het tot een veroordeling en het opleggen van een
klinische opname komen, is het risico op het onttrekken aan voorwaarden hoog. Verdachte
staat al jaren onder begeleiding van de reclassering zonder dat meer zicht op hem is ontstaan, omdat verdachte verdenkingen structureel ontkent en ontstane problemen structureel buiten zichzelf legt. De mogelijkheden voor een ambulante begeleiding en/of behandeling zijn, gezien het geringe effect hiervan, uitgeput. De enige mogelijkheid betreft een klinische plaatsing.
In haar rapport van 29 maart 2023 heeft de reclassering beschreven dat verdachte heeft aangegeven het nut en de meerwaarde van een behandeling niet in te zien, dat hij wel aan een behandeling wil meewerken als het hem wordt opgelegd, maar dat hij niet wil meewerken aan een zedenbehandeling, omdat hij problematiek van die aard stellig ontkent. Ook heeft de reclassering beschreven dat de mogelijkheden voor een klinische behandeling in een FPK zijn onderzocht. Daaruit volgde dat verdachte, gezien zijn stellige delictontkenning en het gebrek aan behandelmotivatie voor zedenproblematiek, zal worden afgewezen voor een behandeling in de FPK.
Bij appelschriftuur heeft de raadsman verzocht om een nieuwe dubbelrapportage. Het hof heeft op de regiezitting van 6 januari 2025 opdracht gegeven dat door de deskundigen [psycholoog 2] en [psychiater 2] een aanvullend psychologisch en psychiatrisch rapport over verdachte wordt opgemaakt. Aangezien deze deskundigen niet beschikbaar waren, zijn uiteindelijk twee anderen deskundigen – psycholoog [psycholoog 1] en psychiater [psychiater 1] – voor het onderzoek benoemd.
In zowel het Pro Justitia-rapport van [psycholoog 1] en [psychiater 1] wordt het volgende beschreven. Door de ontkenning van verdachte is onvoldoende informatie beschikbaar om vanuit gedragskundig oogpunt een onderbouwd en op het individu toegespitst risicoprofiel op te stellen over het gevaar van recidive van soortgelijke feiten al dan niet voortkomend uit de psychopathologie. Wel zijn er in zijn algemeenheid risico-indicatoren voor het plegen van strafbare feiten. In het verleden is getracht om delictgedragingen van uiteenlopende aard onder controle te krijgen middels onder andere (voorwaardelijke) detenties en langdurig reclasseringscontact (al dan niet
gecombineerd met ambulante behandeling of behandelingen in een kliniek), maar dat is niet gelukt. Bemoeienis vanuit diverse instanties en hulpverlening heeft niet kunnen voorkomen dat verdachte steeds weer in contact kwam met politie en justitie. Gelet op het ontbreken van zicht op de eventuele forensisch relevante disfuncties die voortkomen uit de psychopathologie, het ontbreken van zicht op het delictscenario en het ontbreken van een op het individu toegesneden risicoanalyse, komen de deskundigen niet tot een behandeladvies binnen juridisch kader.
Conclusie ten aanzien van de maatregelen van terbeschikkingstelling
Op basis van de geconstateerde problematiek en het geschatte recidiverisico zijn er in beginsel gronden aanwezig om verdachte een (forensisch) behandeltraject op te leggen.
Evenals de deskundigen verwacht het hof echter niet dat behandeling in het kader van aan een voorwaardelijke gevangenisstraf gekoppelde bijzondere voorwaarden meerwaarde zal hebben, nu eerder aan verdachte opgelegde reclasseringstoezichten en behandelingen niet hebben kunnen voorkomen dat verdachte de onderhavige feiten heeft gepleegd.
Het hof deelt voorts het standpunt van de advocaat-generaal dat oplegging van een terbeschikkingstelling met voorwaarden slechts tot de mogelijkheden behoort, indien verdachte zijn medewerking daaraan ongeclausuleerd kenbaar heeft gemaakt. Verdachte heeft aangegeven dat hij in principe niet wil meewerken aan een behandeling voor zedenproblematiek. Reeds daarom is oplegging van de maatregel in die vorm niet geïndiceerd.
Zonder af te doen aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten is het hof echter van oordeel dat oplegging van een terbeschikkingstelling met verpleging, zoals gevorderd door de advocaat-generaal, (nog) een brug te ver is. Naar het oordeel van het hof dient de beperkt beschikbare tbs-capaciteit voor andere personen te worden ingezet.
Gevangenisstraf
Het bovenstaande neemt niet weg dat de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, hetgeen over de persoon van verdachte in tal van rapportages is vastgesteld, zijn strafblad en het daaruit voortvloeiende evidente recidivegevaar tot zorg stemmen. Het hof zal verdachte daarom niet ‘kaal’ afstraffen, maar hem een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen en daaraan een proeftijd van drie jaren verbinden. Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 3 jaren, passend en noodzakelijk. Het hof acht het voorts noodzakelijk om aan het voorwaardelijk strafdeel als bijzondere voorwaarde te verbinden dat verdachte dier- en kinderporno niet zal opzoeken, ook anderszins dient te vermijden en controle en toezicht hierop in de hierna te bespreken vorm zal accepteren.
Het toekomstig verplichten van verdachte tot meewerken aan controles van zijn computers, smartphones en andere digitale gegevensdragers waarover hij dan in zijn woning beschikt en waarop afbeeldingen kunnen worden opgeslagen of waarmee het internet kan worden benaderd zou in potentie een grote inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte als gebruiker van geautomatiseerde werken en digitale gegevensdragers meebrengen. Daarom moet bij dergelijke controles van gegevensdragers worden gewaarborgd dat de persoonlijke levenssfeer van een gebruiker niet verdergaand wordt beperkt dan nodig is voor het beoogde toezicht. Bij arrest van 31 mei 2022 (ECLI:NL:HR:2022:807) heeft de Hoge Raad herhaald dat de rechter zich daarvan rekenschap moet geven.
Om de persoonlijke levenssfeer niet verdergaand te beperken dan nodig is voor het toezicht op zijn - kort gezegd - toekomstig computergebruik zal het hof een maximale hoeveelheid van controles van geautomatiseerde werken en digitale gegevensdragers bepalen, evenals de duur van het aantal dagen dat verdachte zijn gegevensdragers voor de controle ter beschikking moet stellen. Met de hierna in het dictum vermelde modaliteit wordt getracht te bereiken dat maximale vrijheid wordt gegeven aan de reclassering om onaangekondigde controles van geautomatiseerde werken en digitale gegevensdragers uit te voeren en daarmee te voorkomen dat verdachte zijn gedrag kan aanpassen aan het aantal en de frequentie van deze controles. Verdachte dient mee te werken aan deze controles van zijn digitale gegevensdragers tijdens huisbezoeken van de reclassering. Hij verschaft bij die controles de toegang tot computers, smartphones en andere digitale gegevensdragers waarover hij in zijn woning beschikt en waarop afbeeldingen kunnen worden opgeslagen of waarmee het internet kan worden benaderd. Ook verstrekt hij bij de controles wachtwoorden die voor die controles nodig zijn. Daarbij is verder van belang dat de controles louter kunnen en zullen zijn gericht op de vraag of de verdachte dier- of kinderpornografisch materiaal vermijdt. De controles zullen er in het bijzonder niet toe mogen strekken een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van verdachte. Ten slotte zal het hof bepalen dat de reclassering zich ten behoeve van deze controles kan voorzien van technische ondersteuning door een deskundige op digitaal gebied mee te nemen, ook als dit een politieambtenaar is die deskundig is op digitaal gebied. Daarbij moet door die deskundige worden voldaan aan de in het dictum vermelde voorwaarden.
Redelijke termijn
Het hof overweegt dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. Het hoger beroep is immers ingesteld op 18 april 2023 en het arrest dateert van 3 februari 2026, waardoor de redelijke termijn is overschreden met ruim 9 maanden. Gelet op het feit dat de schending van de termijn het gevolg is van aanhouding van de zaak vanwege toegewezen onderzoekswensen van de verdediging, waaraan door toedoen van verdachte pas na langere tijd uitvoering kon worden gegeven, zal het hof echter volstaan met de enkele constatering daarvan.
Tenuitvoerlegging
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
De voorlopige hechtenis
Nu verdachte reeds 16 maanden en 27 dagen in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal het hof de (reeds eerder geschorste) voorlopige hechtenis van verdachte opheffen.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 57, 63, 240b en 254a van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en maatregelen en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 8 (acht) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde zich onthoudt, op welke wijze dan ook, van:
- het (op digitale wijze) met een seksuele intentie communiceren met minderjarigen;
- gedrag dat is gericht op het zich begeven in een digitale omgeving waarin dier- of kinderpornografisch materiaal kan worden verkregen;
- gedrag dat is gericht op het zich begeven in een digitale omgeving waarin over seksuele handelingen met dieren of minderjarigen wordt gecommuniceerd.
Om het toezicht op deze gedragsvoorwaarden mogelijk te maken, werkt verdachte mee aan -onaangekondigde- controles van geautomatiseerde werken en/of gegevensdragers. Verdachte werkt mee aan deze controle tijdens huisbezoeken. Deze medewerking bestaat mede uit het op verzoek van de reclasseringsmedewerker ter beschikking stellen of overhandigen van al zijn gegevensdragers en/of geautomatiseerde werken (computers, smartphones en andere digitale gegevensdragers waarover verdachte in zijn woning beschikt en waarop afbeeldingen kunnen worden opgeslagen of waarmee het internet kan worden benaderd) voor een periode van maximaal 3 achtereenvolgende werkdagen en het toegang verlenen tot die gegevensdragers en/of geautomatiseerde werken (bijvoorbeeld door het geven van de benodigde wachtwoorden) aan de reclassering of aan de hierna te noemen, door de reclassering uit te nodigen, deskundige op digitaal gebied. Deze controles mogen gedurende de proeftijd van 3 jaren maximaal 2 keer per jaar worden uitgevoerd, waarbij de persoonlijke levenssfeer van de veroordeelde zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. De controle is gericht op de vraag of de veroordeelde dier- of kinderpornografisch materiaal vermijdt en strekt niet verder dan dat. De controle strekt er in het bijzonder niet toe een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven van de veroordeelde. De reclassering kan voor de technische ondersteuning van de controle een deskundige op digitaal gebied meenemen, ook als dit een politieambtenaar is die deskundig is op digitaal gebied. Indien de door de reclassering meegenomen deskundige geen politieambtenaar betreft, maar een externe partij, is deze persoon tot geheimhouding verplicht. Bij de controle kan gebruik worden gemaakt van een hulpmiddel dat een indicatie geeft of dier- of kinderpornografisch materiaal aanwezig is.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Beveelt de opheffing van het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.
Dit arrest is gewezen door mr. O.O. van der Lee, mr. A. van Maanen en C.T. Tjauw Foe, in aanwezigheid van de griffier mr. P.T. Vissers en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 3 februari 2026.