Parketnummer: 21-001388-25
Zaaknummer: 200.373.779
Uitspraakdatum: 8 september 2026
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken (hierna: verschoningskamer)
op het verzoek zich te mogen verschonen, gedaan door
mr. D.R. Sonneveldt (hierna: verzoeker),
raadsheer in dit gerechtshof.
1. De procedure
Bij de strafkamer van dit hof is aanhangig de strafzaak tegen verdachte [verdachte] (parketnummer 21-001388-25).
1.2
Bij e-mailbericht van 31 augustus 2026 heeft verzoeker verzocht zich in deze procedure te mogen verschonen.
De verschoningskamer is van oordeel dat een mondelinge behandeling van het verschoningsverzoek niet noodzakelijk is.
2. Ontvankelijkheid
In het verschoningsprotocol van dit hof van 9 juni 2021 is vastgelegd in welke gevallen een verschoningsverzoek kan worden ingediend. In dat protocol is de volgende bepaling opgenomen:
Het gaat in dit protocol om die gevallen waarin de raadsheer (rechter), nadat zijn naam aan partijen bekend is gemaakt, ontdekt dat hij vanwege het bestaan van (de objectief gerechtvaardigde vrees voor) vooringenomenheid niet vrij is de zaak te behandelen en een verschoningsverzoek indient. Een raadsheer (rechter) kan verschoning van de (verdere) behandeling en beslissing van een concrete zaak verzoeken als er hem betreffende feiten of omstandigheden zijn waardoor zijn rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dit protocol ziet niet op het geval dat de raadsheer (rechter) de zaak vanwege dergelijke feiten en omstandigheden niet kan behandelen, maar waarin nog geen verplichting bestaat tot het indienen van een verschoningsverzoek, omdat de naam van de rechter nog niet aan partijen bekend is gemaakt.
2.2
Op 17 december 2025 heeft een regiezitting plaatsgevonden in de strafzaak van verdachte [verdachte] (parketnummer 21-001388-25), waarbij verzoeker deel uitmaakte van de zittingscombinatie van het hof. De inhoudelijke behandeling van de zaak staat gepland op 30 september 2026 bij dezelfde zittingscombinatie.
2.3
De verschoningskamer is van oordeel dat, nu verzoeker onderdeel heeft uitgemaakt van de zittingscombinatie van de regiebehandeling en dezelfde zittingscombinatie de strafzaak van verdachte [verdachte] inhoudelijk behandelt, verzoeker in het verzoek tot verschoning kan worden ontvangen.
3. Beoordeling van het verschoningsverzoek
Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd.
Namens verdachte heeft zich onlangs een nieuwe advocaat gesteld, mr. S. Brinkhoff. Mr. Brinkhoff is net zoals verzoeker in deeltijd werkzaam voor het Studiecentrum Rechtspleging, het opleidingsinstituut van de Rechtspraak en het Openbaar Ministerie. Op dit moment werken zij nauw samen aan de ontwikkeling van een nieuwe actualiteitencursus straf(proces)recht, waarbij vanaf januari 2027 maandelijks via een livestream een interview wordt verzorgd. Het idee is dat verzoeker als presentator/aangever zal optreden en dat hij mr. Brinkhoff zal interviewen. Daarnaast werken mr. Brinkhoff en verzoeker samen aan de herontwikkeling van een (meerdaagse) cursus over georganiseerde misdaad en ondermijning.
3.2
Op grond van artikel 517, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan elk van de rechters die een zaak behandelen, verzoeken zich te mogen verschonen op grond van feiten en omstandigheden waardoor zijn of haar onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.3
Vooropgesteld wordt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 14, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechter (IVBPR), tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
3.4
Aanbeveling 2 van de Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraak houdt in dat de rechter ervoor zorgt geen zaak te behandelen waarbij als procespartij iemand uit zijn persoonlijke of zakelijke kennissenkring betrokken is en dat wanneer een overige procesdeelnemer – zoals degene die beroepsmatig rechtsbijstand verleent – tot de persoonlijke of zakelijke kennissenkring van de rechter behoort, dit de rechter kan noodzaken die zaak niet te behandelen.
Wat verzoeker ter onderbouwing van het verzoek heeft aangevoerd maakt dat zijn bekendheid met mr. Brinkhoff zodanig is, dat naar het oordeel van de verschoningskamer de objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid bij verzoeker zou kunnen ontstaan. Dat betekent dat er een gerechtvaardigde grond is voor het verschoningsverzoek, zodat het verzoek zal worden toegewezen.
BESLISSING
De verschoningskamer:
- wijst het door verzoeker gedane verzoek tot verschoning toe.
Aldus gewezen door
mr. N.C. van Lookeren Campagne, voorzitter,
mr. R.F.C. Spek en mr. R.A.V. Boxem, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. N.D. Mavus-ten Elshof griffier,
en op 8 september 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.