ECLI:NL:GHARL:2026:5883

ECLI:NL:GHARL:2026:5883

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 11-09-2026
Datum publicatie 11-09-2026
Zaaknummer 21-003735-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Bewezenverklaring van artikel 6 WVW door op twee tegemoetkomende fietsers te botsen tijdens het inhalen.

Uitspraak

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 28 augustus 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. J.J.J. Zwaan, hebben aangevoerd.

Het vonnis

De rechtbank heeft het primair tenlastegelegde bewezenverklaard en dit gekwalificeerd als ‘overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht’. Aan de verdachte is een taakstraf opgelegd van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk.

Het hof vernietigt het vonnis omdat het tot een enigszins andere bewezenverklaring komt en het daarom een andere straf oplegt. Het hof doet opnieuw recht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primairhij op of omstreeks 6 april 2024 te [plaats 1] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmee komende uit de richting [straat 1] , rijdende over de [straat 2] in de richting van de [straat 3] zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend

- meermalen, althans eenmaal en/of gedurende een langere periode (zeer) kort achter zijn voorganger te rijden en/of

- meermalen, althans eenmaal van rechts naar links te sturen en/of

- ( vervolgens) een inhaalmanoeuvre te maken en daarbij over de weghelft bestemd voor het tegemoetkomend verkeer te rijden op het moment dat twee tegemoetkomende fietsers dicht waren genaderd, waardoor een botsing is ontstaan tussen hem en de voornoemde fietsers, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten niet aangeboren hersenletsel en/of een breuk in een nekwervel en/of ernstig handletsel en/of een afgescheurd oor en/of diverse breuken, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en/of waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten hoofd- en hersenletsel en/of diverse breuken, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiairhij op of omstreeks 6 april 2024 te [plaats 1] als bestuurder van een voertuig (te weten een bedrijfsauto van het merk/type; Renault Trafic), daarmee komende uit de richting [straat 1] , rijdende over de [straat 2] in de richting van de [straat 3] ,

- meermalen, althans eenmaal en/of gedurende een langere periode (zeer) kort achter zijn voorganger heeft gereden en/of

- meermalen, althans eenmaal van rechts naar links heeft gestuurd en/of

- ( vervolgens) een inhaalmanoeuvre heeft gemaakt en daarbij over de weghelft bestemd voor het tegemoetkomend verkeer heeft gereden op het moment dat twee tegemoetkomende fietsers dicht waren genaderd,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Bewijsoverweging

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde feit bewezen moeten worden verklaard, waaronder ook de gedachtestreepjes waarvan de rechtbank de verdachte heeft vrijgesproken. Wel komt de advocaat-generaal tot een vrijspraak voor wat betreft het roekeloos of zeer onvoorzichtig rijden. De verweten onvoorzichtigheid schuilt in het niet of niet goed genoeg kijken naar de aanwezigheid van ander verkeer en het nemen van onvoldoende tijd om de veiligheid van de verkeerssituatie te overzien en dus niet in het niet zien van de wielrenners, aldus de advocaat-generaal.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit, omdat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte verwijtbaar aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden. De verdachte heeft een inhaalmanoeuvre ingezet die achteraf niet binnen de beschikbare verkeersruimte bleek te passen. Deze inschattingsfout haalt niet de drempel van schuld. Ook voor het subsidiaire feit heeft de raadsman vrijspraak gevraagd.

Oordeel van het hof

Het hof kan zich vrijwel geheel verenigen met de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen en zal deze in zoverre hieronder overnemen. Aanvullingen van de bewijsmiddelen dan wel aanvullende bewijsoverwegingen van het hof worden hierna niet-cursief weergegeven. Daar waar ‘de rechtbank’ stond, zal ‘het hof’ worden vermeld.

De gebruikte bewijsmiddelen

De politie Midden-Nederland heeft onder meer het volgende geschreven in een proces-verbaal: Op zaterdag 6 april 2024 kreeg ik het verzoek met spoed te gaan naar de [straat 2] te [plaats 1] voor een aanrijding waarbij een auto en twee fietsers zijn betrokken. Eenmaal ter plaatse gekomen zag ik dat er een manspersoon op de weg lag en dat er verderop nog een persoon lag wat later een vrouwelijk slachtoffer bleek te zijn. Hierop ben ik naar de bestuurder van de auto gelopen die volgens omstanders de fietsers had aangereden. Ik hoorde dat de man zich voorstelde als [verdachte] . Ik hoorde [verdachte] zeggen dat hij in de zwarte bestelbus reed en zag dat hij in de richting van een bestelbus wees welke is voorzien van het kenteken [kenteken] , merk Renault, type Trafic en van de kleur zwart. Naam: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] .

Middels een zoek slag in onze politiesystemen konden wij het adres en familiegegevens achterhalen van het mannelijk slachtoffer en dat het hier ging om: [slachtoffer 1] .

Slachtoffer [slachtoffer 2] heeft onder meer het volgende verklaard:

Ik was samen met [slachtoffer 1] aan het wielrennen. Ik kan me nog goed herinneren dat we de bocht namen.

Het eerstvolgende wat ik me weer echt herinner is dat ik in het ziekenhuis lag.

Getuige [getuige 1] heeft onder meer het volgende verklaard: Ik was samen met mijn man aan het fietsen, we kwamen van de [straat 1] . We zijn vervolgens rechtsaf gegaan de [straat 2] op. Daar reden we naast elkaar.

Ik zag dat er twee fietsers ons tegemoet kwamen rijden. Dit waren wielrenners, ze hadden een helm en op reden naast elkaar.

Ik weet dat we werden ingehaald door een zwart bestelbusje. We werden aan de linkerzijde ingehaald. Toen het busje naast mij reed dacht ik nog: “kan dit wel”. Ik zag namelijk de fietsers aankomen. Ik hoorde bijna tegelijk een klap. De klap hoorde ik links voor mij, voor de bus. De bus had ons net ingehaald, hij was ons voorbij. De bus reed niet rechts, hij reed op de linkerhelft van de weg.

V: Hoe waren de weersomstandigheden?

A: Het was mooi weer, er waren veel fietsers.

Getuige [getuige 2] heeft onder meer het volgende verklaard:

We reden over de [straat 4] en we wilden vervolgens rechtsaf de [straat 1] oprijden. Ik zag dat er van links een klein wit voertuig aan kwam rijden. Achter deze witte auto reed een bestelbus, een Renault Trafic. Ik zag dat de witte auto hard moest remmen om ons voorrang te geven. Ik zag dat de Renault nog harder moest remmen. Ik zag de Renault erg dicht op zijn voorganger reed voordat er geremd werd. Ik kon vervolgens rechtsaf slaan en ik kwam voor de witte auto en de Renault te rijden.

De Renault Trafic kwam achter mij te rijden, te dicht achter mij. Als ik mijn rem

maar ook licht zou aanraken zou de Renault bij me binnen zitten. Ik ben niet zo snel onder de indruk van gedrag in het verkeer maar deze meneer had overduidelijk haast.

Aan het einde ben ik rechtsaf de [straat 2] opgereden in de richting [plaats 2] . Daar zijn twee fietspaden aan beide kanten. Het was aan beide kanten heel druk. Het was heel mooi weer die dag, overal fietsers en een scootmobiel.

Tegemoetkomend had ik eerst een scootmobiel en dan een tijd niets. Ik weet dat de fietsers welke aan mijn kant fietsten allemaal met twee naast elkaar reden. Toen de scootmobiel mij gepasseerd was heb ik een eerste groep fietsers ingehaald. Ik ben na deze fietsers weer naar rechts gegaan, voor mij reed geen andere auto. Ik wilde vervolgens nog een groepje fietsers inhalen, ik keek of het kon en paste, ik zag in de verte een groepje fietsers aankomen. Ik zag dat ik veilig de fietsers voor mij kon inhalen en heb dit ook gedaan. Ik heb niet gezien wat de Renault deed terwijl ik inhaalde, ik was met de fietsers bezig. Toen ik inhaalde heb ik niet hard gereden, dat kon niet, het was te druk.

Ik was naar mijn rechterzijde aan het manoeuvreren toen ik ineens een klap hoorde. Ik keek in mijn spiegel, ik zag dat de Renault op mij af kwam rollen.

Getuige [getuige 3] heeft onder meer het volgende verklaard:

V: Heeft u het ongeval zien gebeuren?

A: Nee, gelukkig niet. De bus die er bij betrokken was heeft wel een hele tijd achter ons gereden.

V: Vanaf waar heeft deze bus achter je gereden?

A: Vanaf de Karwei in [plaats 1] . Ik zag dat er een witte auto van links kwam. Ik zag aan de manier van remmen dat hij ons pas op het laatste moment zag, de witte auto remde hard. Ik zag dat er achter deze witte auto een bestelbus reed. Ik zag dat deze bestelbus net op tijd stilstond om een aanrijding met de witte auto te voorkomen.

Als ik als bijrijder in de auto zit rij ik altijd "mee". Hiermee bedoel ik dat ik

meekijk. Ik zag in de buitenspiegel dat de zwarte bestelbus heel de tijd dicht op ons

zat. Hiermee bedoel ik dat het geen veilige volg afstand was.

Getuige [getuige 4] heeft onder meer het volgende verklaard:

V: Heeft u het ongeval zien gebeuren? A: Ja, ik reed achter het betreffende busje. Ik was die dag bij de Karwei in [plaats 1] geweest. Toen ik daar weg reed kwam ik op de [straat 1] achter een schildersbusje te rijden. Het was een donkerkleurige Opel of Renault.

Wat mij opviel aan de bestuurder van het busje was dat hij zenuwachtig reed. Ik vond

dat hij kort op de bumper reed, een meter. In ieder geval te dichtbij om veilig aan

het verkeer deel te nemen. De bestuurder van het busje ging ook weleens naar links,

het leek wel of hij in de spiegel van de auto voor hem wilde komen. Het was duidelijk

zichtbaar dat hij er graag voorbij wilde.

De bestuurder bleef op dezelfde wijze rijden, gehaast. Uiteindelijk gingen we rechtsaf de [straat 2] op. Op de [straat 2] was het vrij druk met fietsers en auto’s. Ik zag dat de voorste auto, we reden met drie, voor mij reed de bestelbus en daarvoor een luxe auto, twee fietsers ging inhalen. Ik zag dat de bestelbus vóór mij ook deze fietsers inhaalde. Ik zag dat de bestelbus voor mij verder dan nodig naar links ging, het leek wel of hij de auto voor hem ook wilde inhalen. Ineens zag ik twee fietsen vliegen en twee mensen in de naastgelegen sloot belanden.

In een proces-verbaal Forensisch onderzoek verkeer schrijft de politie onder meer:

Op zaterdag 6 april 2024 omstreeks 14:33 uur, had op de [straat 2] , gelegen buiten de als zodanig aangegeven bebouwde kom van [plaats 1] in de gemeente [gemeente 1] een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een bedrijfsauto en twee wielrenners.

Betrokken voertuigen:

Voertuig 1: bedrijfsvoertuig, Renault, kenteken [kenteken]

Voertuig 2: fiets 1, Apex, blauw

Voertuig 3: fiets 2, Apex, paars.

Wij zagen dat de [straat 2] bestond uit één rijbaan. Op de rijbaan waren aan weerszijden suggestiestroken aangebracht door middel van onderbroken witte lijnen. Wij zagen dat de [straat 2] een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom betrof. De suggestiestrook was op de plaats van het verkeersongeval gemiddeld tussen de 1.20 en 1.25 meter breed.

Een fietser gebruikt gemiddeld een breedte van 1,2 meter.

De rijbaanbreedte op de plaats van het verkeersongeval betrof 5,7 meter en de voertuigbreedte van de bedrijfsauto 2,3 meter.

Op basis van het onderzoek op de plaats van het verkeersongeval en het voertuigonderzoek, kon door ons het volgende gerelateerd worden: De bedrijfsauto reed op de [straat 2] in de richting van de [straat 3] . Uit tactisch onderzoek bleek dat de bedrijfsauto twee fietsers inhaalde en daardoor aan de linkerzijde van de rijbaan kwam. Op basis van de rijbaanbreedte en de aanwezige ruimte om fietsers in te halen als deze naast elkaar fietsen kunnen wij stellen dat, wanneer er één fietser tegemoet komt, er niet genoeg vrije ruimte over was op de rijbaan. Er kon worden aangeduid dat de paarse fiets in contact is gekomen met de linker voorzijde van de autobumper en de kentekenplaat. Zeer waarschijnlijk heeft de bestuurder van de blauwe fiets de bedrijfsauto geschampt en daarbij de linkerbuitenspiegel en A-stijl geraakt. Beide wielrenners raken als gevolg van de botsing zwaargewond. Uit het voertuigonderzoek is gebleken dat de bestuurder van de bedrijfsauto heeft kunnen remmen en sturen voorafgaand en ten tijde van de botsing. Daarnaast hebben wij geen indicatie voor dat het zicht op enige wijze was belemmerd voor de bestuurder van de bedrijfsauto waardoor hij de wielrenners niet heeft kunnen zien.

Verdachte heeft op 18 augustus 2025 ter zitting onder meer het volgende verklaard:

Het was mooi weer die dag. Ik ben redelijk veel fietsers tegengekomen, het is daar druk gebied, er komen altijd veel fietsers. Ik rijd elke dag op die weg.

M.b.t. het letsel van slachtoffer [slachtoffer 1]

De politie Midden-Nederland heeft onder meer het volgende geschreven in een proces-verbaal:

Ik heb de broer van betrokkene [slachtoffer 1] benaderd met de vraag voor een nadere letselomschrijving. Deze verwees mij door naar de letselschadespecialist, te weten

[naam] van [bedrijf] .

De letselschadespecialist vertelde dat betrokkene [slachtoffer 1] het volgende letsel heeft opgelopen: - niet aangeboren hersenletsel - breuk nekwervel - ernstig handletsel (amputatie vinger en peesletsel) - oor afgescheurd, operatief weer aangezet - breuk linker arm - klaplong - diverse ribbreuken - sleutelbeenbreuk. Er zal in principe sprake zijn van blijvend letsel n.a.v. niet-aangeboren hersenletsel.

M.b.t. het letsel van slachtoffer [slachtoffer 2]

Slachtoffer [slachtoffer 2] heeft op 20 april 2024 onder meer het volgende verklaard:

V: U bent op zaterdag 6 april 2024 betrokken geweest bij een verkeersongeval op de [straat 2] te [plaats 1] , hoe gaat het met u? A: Goed, ik had de eerste week veel last van de hersenschudding en andere lichamelijke klachten. Als er veel gezegd wordt heb ik momenteel moeite om mijn concentratie te behouden. V: Wat is de aard van uw letsel? A: Ik heb een hersenschudding, ik heb in mijn linker hand twee vingerkootjes gebroken. Ik heb één operatie aan mijn hand gehad, daar zitten nu pinnen in. Ik heb een scheurtje in mijn ruggenwervel (L5). Ik had ook nog slootwater binnengekregen. Er is een kies afgebroken. V: Wat is het uitzicht op- en de duur van uw herstel? A: Ik ga volledig herstellen.

Slachtoffer [slachtoffer 2] heeft op 26 mei 2025 onder meer het volgende verklaard:

V: Hoe gaat het met u? A: Goed, ik ben volledig hersteld en genezen van de hersenschudding die ik had.

De bewijsoverwegingen

Schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet

Aan de verdachte is primair overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet ten laste gelegd. Voor een bewezenverklaring hiervan moet in dit geval worden bewezen dat de verdachte schuld heeft gehad aan een verkeersongeval, waardoor een ander (ernstig) lichamelijk letsel heeft opgelopen. Daarvoor is nodig dat kan worden vastgesteld dat dit verkeersongeval heeft plaatsgevonden doordat de verdachte zich als verkeersdeelnemer op zijn minst aanmerkelijk onvoorzichtig of aanmerkelijk onoplettend heeft gedragen. Hiervan is sprake, wanneer de handelingen van de verdachte die tot het ongeval hebben geleid, tekortschoten ten opzichte van de handelingen die van een gemiddelde verkeersdeelnemer in een vergelijkbare verkeerssituatie mogen worden verwacht.

Inleiding

Op basis van bovengenoemde bewijsmiddelen stelt het hof het volgende vast.

Op zaterdag 4 april 2024 rond 14.30 uur reed de verdachte met zijn bedrijfswagen op de [straat 2] , buiten de bebouwde kom van [plaats 1] . De [straat 2] is een zogenaamde erftoegangsweg zonder rijbaanscheiding, met een breedte van 5,7 meter, waarop langs de randen (fiets)suggestiestroken van ongeveer 1,25 meter breed zijn aangebracht. Het was die zaterdag mooi, helder voorjaarsweer en op de [straat 2] was het in beide richtingen druk met auto’s en fietsers, die geregeld naast elkaar fietsten.

De verdachte reed in zijn bedrijfswagen vóór de personenauto van getuige [getuige 4] en achter de personenauto van getuige [getuige 2] waarin ook getuige [getuige 3] zat. Volgens deze getuigen vertoonde de verdachte op het traject direct voorafgaand aan de [straat 2] – op de [straat 1] – al ongeduldig en hinderlijk rijgedrag. Zo reed de verdachte dicht op zijn voorganger – volgens een getuige op een meter van zijn voorganger –, gaf hij door gas te geven duidelijk aan dat hij op wilde schieten en deed hij vergeefse pogingen om zijn voorganger in te halen.

Op enig moment haalde getuige [getuige 2] , die vóór de bedrijfswagen van de verdachte reed, op de [straat 2] twee fietsers in, die naast elkaar op de fietsstrook fietsten. Toen de verdachte, in zijn bedrijfswagen, kort daarna deze fietsers eveneens inhaalde, kwam hij in botsing met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , twee wielrenners die met aanzienlijke snelheid uit tegengestelde richting aan kwamen rijden. Als gevolg van deze botsing hebben [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] letsel opgelopen.

De verdachte heeft verklaard dat hij zich niets van de aanloop naar het ongeval kan herinneren. Zijn herinnering aan die dag eindigt vóór het oprijden van de [straat 2] en begint weer bij de klap die hij hoorde toen hij in botsing kwam met de fietsers.

De gedragingen van de verdachte en de kwalificatie daarvan

Op basis van getuigenverklaringen staat vast dat de verdachte op de [straat 2] een inhaalmanoeuvre heeft gemaakt, waarbij zijn bedrijfswagen op de weghelft voor tegemoetkomend verkeer is terechtgekomen. Dit is een bijzondere manoeuvre waarbij de verdachte, op grond van artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, voorrang aan alle andere weggebruikers had moeten geven. Dat heeft de verdachte niet gedaan, waardoor het ongeval heeft plaatsgevonden.

Naar het oordeel van het hof is het verkeersgedrag van de verdachte hierbij tekort geschoten ten opzichte van het verkeersgedrag dat van een gemiddelde verkeersdeelnemer in deze situatie mag worden verwacht. Het hof overweegt daarbij het volgende. De [straat 2] is een smalle weg, waarop alleen veilig kan worden ingehaald wanneer eventuele tegenliggers zich nog op zodanige afstand bevinden, dat de inhalende auto op tijd weer kan invoegen op de eigen weghelft. Van een gemiddelde verkeersdeelnemer mag in deze situatie worden verwacht dat hij, voordat hij de inhaalmanoeuvre uitvoert en tijdens het uitvoeren van die inhaalmanoeuvre, zich ervan vergewist dat eventuele tegenliggers zich op veilige afstand bevinden en dat er te allen tijde voldoende ruimte is. Dit geldt nog meer wanneer hij weet dat het op de betreffende smalle weg druk is in beide richtingen met auto’s en kwetsbare verkeersdeelnemers als fietsers, die ook nog eens geregeld naast elkaar rijden, zoals in dit geval.

De verdachte heeft dit nagelaten. Het hof is van oordeel dat de verdachte daardoor ongewild, maar verwijtbaar, een vermijdbare ernstige fout heeft gemaakt en zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen. Daarbij geldt dat een verkeersdeelnemer extra oplettend behoort te zijn als deze, op een drukke en relatief smalle weg met veel fietsers in beide rijrichtingen, gaat inhalen en daarbij zijn voorganger volgt. Zo’n voorganger kan immers het zicht belemmeren. Indien de verdachte voldoende tijd had genomen om zich ervan te vergewissen of de weg voor hem en voor zijn voorganger [getuige 2] vrij was, had de verdachte de fietsers kunnen en moeten zien. [getuige 2] had de fietsers immers ook opgemerkt. Zowel op het moment van het inzetten van de inhaalmanoeuvre als tijdens het inhalen zelf heeft de verdachte zich er niet (voldoende) van vergewist of er tegenliggers aankwamen. Doordat hij dit heeft nagelaten heeft het ongeval plaatsgevonden. Ook als het zo is dat dat de wielrenners hebben geaccelereerd, neemt dat de verwijtbare onoplettendheid van de verdachte niet weg.

Het hof betrekt het rijgedrag van de verdachte voorafgaand aan het ongeluk, over de [straat 1] , wel in zijn oordeel. De verdachte gedroeg zich al op de [straat 1] ongeduldig en bleef op die weg voortdurend kort achter zijn voorganger rijden, waarbij hij van links naar rechts heeft gestuurd. Dit volgt uit de verklaringen van [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] . Uit de verklaring van [getuige 4] volgt ook dat de bestuurder van het busje op dezelfde wijze bleef rijden, gehaast. Over het moment van het ongeval verklaart [getuige 4] : “Ik zag dat de bestelbus vóór mij ook deze fietsers inhaalde. (…) het leek wel of hij de auto voor hem ook wilde inhalen”. Anders dan de rechtbank, acht het hof het eerste en het tweede gedachtestreepje wel bewezen. Het rijgedrag op eerst de [straat 1] en het daaropvolgende rijgedrag op de [straat 2] , waar het ongeval heeft plaatsgevonden, dienen tezamen in ogenschouw genomen en duiden op een voortdurende haastige en onveilige manier van rijden. Deze manier van rijden vormt naar het oordeel van het hof nadrukkelijk een onderdeel van het aanmerkelijke onvoorzichtige en onoplettende verkeersgedrag van de verdachte dat heeft geleid tot het ontstaan van het ongeluk. Er was dan ook geen sprake van een momentane onoplettendheid of van één inschattingsfout, zoals door de raadsman betoogd.

Het hof is van oordeel dat het verkeersgedrag van de verdachte niet is te kwalificeren als roekeloos of zeer onvoorzichtig rijgedrag, en zal de verdachte daarvan vrijspreken.

Het letsel van de slachtoffers

[slachtoffer 1] heeft als gevolg van het door de verdachte veroorzaakte ongeval ernstig letsel opgelopen (hersenletsel, breuk van een nekwervel, ernstig handletsel, afgescheurd oor, breuk linker arm, klaplong, diverse ribbreuken en een sleutelbeenbreuk). Gelet op de noodzaak tot medisch ingrijpen en de lange duur voor het herstel (mogelijk vindt zelfs geen volledig herstel plaats) is hier sprake van zwaar lichamelijk letsel. Ook [slachtoffer 2] heeft door het ongeval letsel opgelopen (hersenschudding, twee gebroken vingerkootjes, scheurtje in een ruggenwervel en een afgebroken kies). Ook dit letsel was ernstig en medisch ingrijpen was noodzakelijk. Maar in verband met het volledige herstel wat relatief snel heeft plaatsgevonden oordeelt het hof dat dit letsel juridisch niet is aan te merken als zwaar lichamelijk letsel. Wel is [slachtoffer 2] door het letsel enige tijd gehinderd in de uitoefening van de normale bezigheden.

Conclusie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet, omdat hij zich als verkeersdeelnemer aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen en daardoor een verkeersongeval heeft veroorzaakt, waardoor twee personen (zwaar) lichamelijk letsel is toegebracht.

Bewezenverklaring

Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

primairhij op of omstreeks 6 april 2024 te [plaats 1] als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmee komende uit de richting [straat 1] , rijdende over de [straat 2] in de richting van de [straat 3] zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend

- meermalen, althans eenmaal en/of gedurende een langere periode (zeer) kort achter zijn voorganger te rijden en/of

- meermalen, althans eenmaal van rechts naar links te sturen en/of

- ( vervolgens) een inhaalmanoeuvre te maken en daarbij over de weghelft bestemd voor het tegemoetkomend verkeer te rijden op het moment dat twee tegemoetkomende fietsers dicht waren genaderd, waardoor een botsing is ontstaan tussen hem en de voornoemde fietsers, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten niet aangeboren hersenletsel en/of een breuk in een nekwervel en/of ernstig handletsel en/of een afgescheurd oor en/of diverse breuken, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en/of waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten hoofd- en hersenletsel en/of diverse breuken, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Het hof spreekt de verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar.

Het primair bewezenverklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat de verdachte niet strafbaar is.

Oplegging van straf

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd aan de verdachte een taakstraf op te leggen van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twaalf maanden waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de verdachte schuldig te verklaren zonder aan hem een straf op te leggen. Er zou namelijk geen strafdoel zijn gediend met het opleggen van een straf. Voor het geval het hof toch een straf oplegt, heeft de raadsman verzocht om een geheel voorwaardelijke straf aan de verdachte op te leggen met een proeftijd van één jaar en om geen ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen.

Oordeel van het hof

Net als bij de bewijsoverwegingen, kan het hof zich vrijwel geheel verenigen met de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van de strafoplegging, welke overwegingen hieronder (grotendeels) worden overgenomen. Indien sprake is van een aanvulling of een aanvullende overweging van de kant van het hof, wordt deze niet-cursief weergegeven. Daar waar ‘de rechtbank’ stond, zal ‘het hof’ worden vermeld.

Inleidende opmerkingen

Bij de oplegging van een straf of maatregel houdt het hof rekening met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals daarvan op de zitting en uit de stukken is gebleken.

Aard en ernst van het bewezenverklaarde

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend verkeersgedrag. Als direct gevolg hiervan is hij in botsing gekomen met twee wielrenners, die daardoor (ernstig) letsel hebben opgelopen. Bij één slachtoffer is sprake van blijvend ernstig letsel, te weten niet-aangeboren hersenletsel en een geamputeerde wijsvinger. De verdachte zal verder moeten leven met de gedachte dat hij, onbedoeld en ongewild, schuld heeft aan het toebrengen van dit letsel aan de slachtoffers.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Uit de justitiële documentatie van de verdachte van 28 juli 2026 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

Door de reclassering is op 17 december 2024 een rapport over de verdachte opgemaakt. Hieruit blijkt dat de verdachte zijn leven op orde heeft. Hij werkt al achttien jaar als schilder bij zijn huidige werkgever, beschikt over een koopwoning, is niet bekend binnen de hulpverlening en maakt deel uit van een positief sociaal netwerk. De reclassering schat het risico op recidive als laag in en adviseert daarom om bij een veroordeling van de verdachte geen bijzondere voorwaarden op te leggen. Het hof volgt dit advies op en zal geen straf met bijzondere voorwaarden opleggen.

Op de zittingen bij de rechtbank en bij het hof heeft de verdachte verklaard dat het ongeval veel impact op hem heeft gehad en dat hij nog iedere dag met het ongeval bezig is. Hoewel hij zich niets kan herinneren van de aanloop naar het ongeval, denkt hij nu twee keer na, op het overdrevene af, als hij fietsers gaat inhalen. De verdachte werkt nog steeds als schilder. Wanneer hem een taakstraf zou worden opgelegd, kan hij deze uitvoeren, daar kan hij met zijn werkgever afspraken over maken. De verdachte zou een rijontzegging een zware straf vinden, want dat zou hem in zijn werk ernstig belemmeren. Hij zal dan moeten fietsen of een collega moeten vragen hem te brengen naar zijn werklocatie.

De op te leggen straf

Om te bevorderen dat landelijk door rechtbanken en gerechtshoven voor vergelijkbare feiten ongeveer dezelfde straf wordt opgelegd, zijn landelijke oriëntatiepunten voor strafoplegging ontwikkeld (de LOVS-oriëntatiepunten). Het LOVS-oriëntatiepunt voor aanmerkelijke schuld aan een verkeersongeval, waardoor bij een ander zwaar lichamelijk letsel is veroorzaakt, indiceert een taakstraf van 120 uren en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden. Het hof neemt dit oriëntatiepunt als uitgangspunt.

Het hof is van oordeel dat het handelen van de verdachte op de schaal van onvoorzichtigheid binnen de categorie ‘aanmerkelijk onvoorzichtig’ aan de onderkant zit. Duidelijk is ook dat de verdachte gebukt gaat onder de gevolgen van het ongeval voor de slachtoffers. Het hof ziet hierin reden om in strafmatigende zin af te wijken van de LOVS-oriëntatiepunten.

Het hof ziet als strafverzwarend dat door het ongeval dat door de verdachte is veroorzaakt niet slechts aan één, maar aan twee medeweggebruikers (ernstig) lichamelijk letsel is toegebracht.

Net als de rechtbank, zal het hof aan de verdachte een taakstraf opleggen voor de duur van 120 uren. Dit is in overeenstemming met de straffen die in vergelijkbare zaken doorgaans worden opgelegd. Het afzien van strafoplegging met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht is niet aan de orde. Met de op te leggen taakstraf komt de ernst van het feit tot uitdrukking en wordt richting de maatschappij ook duidelijk gemaakt dat een dergelijk feit niet onbestraft blijft. Dit dient de algemene preventie.

Ook zal het hof aan de verdachte een rijontzegging opleggen. Het hof heeft meer handelingen bewezenverklaard dan de rechtbank, welke handelingen specifiek zien op het verkeersgedrag van de verdachte in de aanloop naar én tijdens het inhalen. Daarom wordt een hogere ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd dan de rechtbank heeft gedaan. De helft van deze ontzegging zal voorwaardelijk worden opgelegd. Deze voorwaardelijke ontzegging dient als stok achter de deur om de verdachte ervan te weerhouden opnieuw de fout in gaat in het verkeer. Uit de verklaring van de verdachte dat hij ook op de fiets kan of collega’s kan vragen om mee te rijden naar het werk, maakt het hof op dat de verdachte niet volledig afhankelijk is van zijn rijbewijs.

Het hof zal, alles afwegende, aan de verdachte een taakstraf voor de duur van 120 uren opleggen en daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van acht maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Wetsartikelen

De straf is gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis.

Ontzegt de verdachte ter zake van het primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de bijkomende straf van ontzegging, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. D.R. Sonneveldt, voorzitter,

mr. J. Corthals en mr. L.J.G. de Jongh, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. T. Lammerdink, griffier,

en op 11 september 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand