Dank
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005209-24
Uitspraak van 11 september 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Utrecht gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 18 november 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken met parketnummers 05-134003-24 en 96-070416-23, tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2001 in ' [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 28 augustus 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. R. van Leusden, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De rechtbank heeft feit 1 primair in de zaak met parketnummer 05-134003-24) en het feit in de zaak met parketnummer (96-070416-23 - gevoegd) bewezenverklaard en deze feiten respectievelijk gekwalificeerd als ‘overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht’ en ‘overtreding van het bepaalde bij artikel 62, bord A1 van bijlage I, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990’. Aan de verdachte is een taakstraf opgelegd van 120 uren en een geldboete van € 810,00. Ook heeft hij voor beide feiten een (deels voorwaardelijk) ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd gekregen.
Het hof vernietigt het vonnis omdat het een hogere mate van schuld bewezen acht en daarom een andere straf oplegt. Het hof doet opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Zaak met parketnummer 05-134003-24:1 primair.Hij op of omstreeks 3 november 2023 te [plaats 1] , in de gemeente [gemeente 2] , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto, vrachtauto), komende uit de richting van [plaats 1] en/of gaande in de richting van de Rijksweg [wegnummer 2] richting [plaats 2] , daarmede rijdende over de weg, de [wegnummer 1] , zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl hij beginnend bestuurder was en/of
terwijl hij ter plaatse (goed) bekend was en/of
terwijl het zicht van verdachte door de wegsituatie en/of de inrichting van de weg niet belemmerd werd en/of
terwijl meerdere voor hem uit rijdende motorrijtuigen de gevarenlichten (knippersignalen ter afwending van dreigend gevaar) lieten knipperen en/of het remlicht, althans de rem, hadden geactiveerd en/of terwijl sprake was van filevorming waarbij de overige verkeersdeelnemers hun snelheid aanmerkelijk hadden teruggebracht en/of stil stonden,
-aldaar heeft gereden met een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur, althans met een grotere snelheid dan de aldaar voor hem geldende maximumsnelheid van 80 kilometer per uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of
-niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte, gelegen gedeelte(n) van die weg (de [wegnummer 1] ) en/of het zich daarop bevindende verkeer en/of
-in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, niet de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig (vrachtauto)zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg ( [wegnummer 1] ) kon overzien en waarover deze vrij was en/of
-een kettingbotsing heeft veroorzaakt, althans is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een een voor hem, verdachte, uit langzaam rijdend of stilstaand ander motorrijtuig (personenauto) (welke op zijn beurt is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een of meerdere andere voertuigen (personenauto's), en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
1. subsidiair.hij op of omstreeks 3 november 2023 te [plaats 1] als bestuurder van een voertuig (bedrijfsauto, vrachtauto), daarmee rijdende op de weg, de [wegnummer 1] ,
terwijl hij beginnend bestuurder was en/of
terwijl hij ter plaatse (goed) bekend was en/of
terwijl het zicht van verdachte door de wegsituatie en/of de inrichting van de weg niet belemmerd werd en/of
terwijl meerdere voor hem uit rijdende motorrijtuigen de gevarenlichten (knippersignalen ter afwending van dreigend gevaar) lieten knipperen en/of het remlicht, althans de rem, hadden geactiveerd en/of
terwijl sprake was van filevorming waarbij de overige verkeersdeelnemers hun snelheid aanmerkelijk hadden teruggebracht en/of stil stonden,
-aldaar heeft gereden met een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur, althans met een grotere snelheid dan de aldaar voor hem geldende maximumsnelheid van 80 kilometer per uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of
-niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte, gelegen gedeelte(n) van die weg (de [wegnummer 1] ) en/of het zich daarop bevindende verkeer en/of
-in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (vrachtauto) zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg ( [wegnummer 1] ) kon overzien en waarover deze vrij was en/of
-een kettingbotsing heeft veroorzaakt, althans is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een een voor hem, verdachte, uit langzaam rijdend of stilstaand ander motorrijtuig (personenauto) (welke op zijn beurt is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een of meerdere andere voertuigen (personenauto's), en door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
1. meer subsidiair.hij op of omstreeks 3 november 2023 te [plaats 1] als bestuurder van een voertuig (vrachtauto) rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [wegnummer 1] , zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, immers is hij gebotst tegen, althans in aanrijding gekomen met een voor hem, verdachte, uit rijdend ander voertuig (personenauto);
Zaak met parketnummer 96-070416-23 (gevoegd):1.
hij op of omstreeks 11 maart 2023 te [plaats 3] , gemeente [gemeente 1] als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [straat 2] , geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers in strijd met een bord A1 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 - op welk bord een maximumsnelheid van 60 kilometer per uur was aangegeven - heeft gereden met een snelheid van ongeveer 112 kilometer per uur, in elk geval de aldaar toegestane maximumsnelheid met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden.
Bewijsoverweging
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat feit 1 primair in de zaak met parketnummer 05-134003-24 en het feit in de zaak met parketnummer 96-070416-23 - gevoegd bewezen moeten worden verklaard. Anders dan de rechtbank, komt de advocaat-generaal tot de conclusie dat het rijgedrag van de verdachte als zeer onvoorzichtig kan worden gekwalificeerd (in plaats van als aanmerkelijk onvoorzichtig).
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht het vonnis voor wat betreft de bewijsoverwegingen te bevestigen.
Oordeel van het hof
Het hof kan zich vrijwel geheel verenigen met de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen en -overwegingen voor wat betreft feit 1 primair (05-134003-24) zal deze hieronder (grotendeels) overnemen. Indien sprake is van een aanvulling of een aanvullende bewijsoverweging van de kant van het hof, wordt deze niet-cursief weergegeven. Daar waar ‘de rechtbank’ stond, zal ‘het hof’ worden vermeld.
Parketnummer 05/134003-24
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 3 november 2023 omstreeks 16:29 uur heeft op de [wegnummer 1] , buiten de bebouwde kom van [plaats 1] in de gemeente [gemeente 2] , een kettingbotsing plaatsgevonden tussen een vrachtauto (bedrijfsauto), bestuurd door verdachte, een personenauto van het merk Toyota, een personenauto van het merk Citroën met kenteken [kenteken] , waarin [slachtoffer 1] de passagier was, en een personenauto van het merk Audi.
Verdachte kwam uit de richting van [plaats 1] en ging in de richting van de [wegnummer 2] richting ’ [plaats 2] . Verdachte is met de rechtervoorzijde van zijn voertuig tegen de achterzijde van de Citroën gebotst. Hierdoor kreeg deze een snelheidsvermeerdering en botste met de voorzijde tegen de achterzijde van de Toyota. Door de klap van de aanrijding kreeg deze eveneens een snelheidsvermeerdering en botste met de rechtervoorzijde tegen de achterzijde van de Audi.
De mate van schuld
Het hof dient eerst de vraag te beantwoorden of de verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994). Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld in de zin van dit artikel komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval (zie het arrest van de Hoge Raad van 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:470). Het gedrag van de verdachte wordt in die beoordeling afgemeten aan dat wat van een verkeersdeelnemer in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Dit toetsingskader brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994.
Bovendien kan uit de rechtspraak van de Hoge Raad niet als algemene regel worden afgeleid dat schuld in de zin van artikel 6 WVW 1994 in geen geval kan worden bewezenverklaard als de gedraging van de verdachte die heeft geleid tot het ongeval, haar aanleiding vindt in uitsluitend een enkel moment van onoplettendheid. De omstandigheden van het geval – waartoe ook de aard van de verkeerssituatie kan worden gerekend – kunnen immers zodanige aandacht vergen dat ook een kort moment van onoplettendheid als zeer onvoorzichtig kan worden aangemerkt (zie het arrest van de Hoge Raad van 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1398, r.o. 2.6.3).
Van iedere bestuurder mag worden verwacht dat deze anticipeert op komende verkeerssituaties en voortdurend (geestelijk en lichamelijk) in staat is zijn voertuig onder controle te houden om veilig aan het verkeer deel te nemen en om de benodigde verkeershandelingen te verrichten. Deze zorgplicht geldt dus ook voor verdachte.
Uit de data van de tachograaf blijkt dat de vrachtauto van verdachte met een constante snelheid van 90 kilometer per uur heeft gereden. Vervolgens heeft verdachte een noodremming ingezet.
Op de zitting in hoger beroep is via Google Maps het laatste gedeelte van de rit van de verdachte op 3 november 2023 bekeken. Dit naar aanleiding van een afbeelding in het dossier (p. 24) waarop in de verte borden langs de [wegnummer 1] te zien zijn. Op de op zitting bekeken beelden van Google Maps (gemaakt kort voor het ongeval) is te zien wat op deze borden staat weergegeven. Ter hoogte van hectometerpaal 1,8 staat een geel omrand bord met een waarschuwingsbord voor filevorming en een bord met een bepaling van de maximumsnelheid van 90 kilometer per uur. Iets verderop bij hectometerpaal 1,3 staat eenzelfde geel omrand bord, maar dan met een bepaling van de maximumsnelheid van 70 kilometer per uur in plaats van 90 kilometer per uur. Het hof bezigt deze op zitting getoonde beelden, die op zitting zijn besproken en hierboven opnieuw zijn beschreven, als bewijsmiddel (op grond van artikel 567 van het Wetboek van Strafvordering). Dat het bord met een maximumsnelheid van 70 kilometer per uur ten tijde van het ten laste gelegde feit langs de weg stond volgt ook uit de verklaring van getuige [getuige 1] . Het ongeval heeft plaatsgevonden bij hectometerpaal 1,1.
Het hof stelt op grond van de tachograafgegevens in samenhang met het bord met een maximumsnelheid van 70 kilometer per uur bij hectometerpaal 1,3 vast dat de verdachte op het moment van het ongeval twintig kilometer te hard reed en aldus met een grotere snelheid heeft gereden dan de aldaar voor hem geldende maximumsnelheid.
Verder blijkt uit onderzoek aan de Event Data Recorder-gegevens van de bij het ongeval betrokken voertuigen het volgende. De Citroën reed vijf seconden vóór het triggermoment – naar het hof aanneemt het moment van botsing – met een snelheid van 27 kilometer per uur. In de vijf seconden vóór het triggermoment remde de Toyota af van 18 kilometer per uur naar 6 kilometer per uur. Op het moment van het ongeval reden beide voertuigen met een snelheid van minder dan 6 kilometer per uur.
Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij reed op rijstrook 1, de meest linkerrijstrook. Op de rijstrook rechts van haar reed een vrachtwagen. Ze zag dat het langzaam rijdend verkeer begon bij de splitsing en daarom begon ze af te remmen. De vrachtwagen minderde geen snelheid en klapte met een behoorlijke snelheid achter op een personenauto.
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij eveneens op rijstrook 1 reed. Ongeveer 50 tot 100 meter vóór hem reed een vrachtwagen. [getuige 1] zag dat er een file aankwam. De filevorming begon op het knooppunt ter hoogte van de splitsing. Hij liet zijn auto uitrollen en deed zijn
gevarenlichten aan om de verkeersdeelnemers achter hem te alarmeren. Hij zag dat de
auto achter hem dit ook deed. De vrachtwagen minderde geen snelheid. Het leek alsof de vrachtwagen niet afremde.
Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat zij op rijstrook 1 reed. [getuige 3] heeft verder verklaard dat het op knooppunt [naam 1] een file stond, dat zij daar vaker reed en dat het haar bekend was dat het rond dat tijdstip erg druk is. Iets na de afslag met [naam 2] , in de bocht zag zij dat het drukker werd. Auto’s voor haar begonnen te remmen en alarmlichten gingen aan. Vlak voordat ze het knooppunt opreed, zag ze een ongeval voor haar ontstaan.
Het is een feit van algemene bekendheid dat kort na de afslag [naam 2] een bocht gelegen is, ter hoogte van hectometerpaal 2,0. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het hier gaat om een algemeen bekend gegeven met betrekking tot de plaatselijke gesteldheid op of aan de openbare weg dat (ook) uit de algemeen toegankelijke bron (www.google.nl/maps) zonder noemenswaardige moeite of specialistische kennis te achterhalen valt (vgl. HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1125 r.o. 2.5).
Verdachte heeft verklaard dat hij bekend is met het knooppunt waarop het ongeval heeft plaatsgevonden. Verdachte is beginnend bestuurder.
De politie heeft onderzoek uitgevoerd op de plaats van het ongeval. Daarbij stelden zij vast dat het zicht voor bestuurders – en dat geldt dus ook voor verdachte – niet belemmerd werd door de wegsituatie en/of de inrichting van de weg.
Op basis van voornoemde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat er sprake was van filevorming, waarbij overige verkeersdeelnemers hun snelheid aanmerkelijk hadden teruggebracht en/of stil stonden. Al in de bocht na de afslag [naam 2] ter hoogte van hectometerpaal 2,0 werd het drukker. Getuige [getuige 3] heeft op dat moment al gezien dat auto’s begonnen te remmen en hun alarmlichten aan deden. Dat is dus ruim voor de plek van het ongeval. Tussen deze plek en de plek van het ongeval is de verdachte twee keer een geel omrand bord waarschuwingsbord voor filevorming gepasseerd. Desondanks is hij met eenzelfde snelheid doorgereden. De verdachte reed twintig kilometer te hard. Zijn snelheid was bovendien zodanig dat hij zijn vrachtauto niet tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover verdachte de weg kon overzien en de weg vrij was. Hij heeft niet of onvoldoende opgelet en is niet of onvoldoende blijven letten op het weggedeelte en op het verkeer direct vóór hem, want hij heeft de file niet gezien, terwijl dit werd gesignaleerd werd door voornoemde rem- en gevarenlichten en de waarschuwingsborden. Hij is ingereden op de file en heeft een kettingbotsing veroorzaakt. Verdachte was ter plaatse bekend en zijn zicht werd niet beperkt. Er is geen andere oorzaak voor het ongeval gevonden. Bovendien was verdachte beginnend bestuurder, wat betekent dat van hem meer dan gemiddelde voorzichtigheid mag worden verwacht om zijn gebrek aan ervaring op te vangen.
Het letsel van [slachtoffer 1]
heeft door het ongeval een gescheurde milt, een scheur in zijn lever, twee gebroken ribben, een bloeduitstorting op zijn bekken en zijn linkerlies en een traumatische hersenbloeding opgelopen. Op 5 november 2023 is hij van de IC overgeplaatst naar de trauma-afdeling van het ziekenhuis. Op de terechtzitting van 4 november 2024 heeft hij een schriftelijke slachtofferverklaring voorgedragen en overhandigd, waaruit blijkt dat hij ernstig hersenletsel aan het ongeval heeft overgehouden. Dit beïnvloedt zijn cognitief vermogen en zijn belastbaarheid, waardoor hij heel beperkt is in wat hij op een dag kan doen. Hoewel hij tot aan de dag van vandaag aan zijn herstel werkt met een ergotherapeut en een aantal intensieve trajecten heeft gevolgd, zal hij nooit meer de oude worden.
Het hof is van oordeel dat voornoemd letsel dat door de gedragingen van de verdachte bij het slachtoffer is veroorzaakt, gelet op de aard en de ernst daarvan, de noodzaak van medisch ingrijpen, het feit dat het slachtoffer tot op de dag van vandaag nog niet is genezen en er geen uitzicht op volledig herstel lijkt te zijn, als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. Dit betekent dat zwaar lichamelijk letsel bewezen kan worden verklaard.
Conclusie
Gelet op voorgaande, en op grond van alle feiten en omstandigheden, in samenhang bezien, is het hof van oordeel dat verdachte zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden. Het hof komt daarmee tot een hogere mate van schuld dan de rechtbank. Daarbij is van belang dat de verdachte over een langere afstand geheel niet alert is geweest op vele signalen die wezen op filevorming (langzamer rijdend verkeer, rem- en alarmlichten en waarschuwingsborden), terwijl hij een knooppunt naderde waar de kans op filevorming op dat tijdsstip file reëel is. Ook is daarbij van belang dat deze onoplettendheid ertoe hebben geleid dat verdachte de snelheidsborden heeft genegeerd en met een continue snelheid van negentig kilometer per uur – twintig kilometer te hard – op het knooppunt en de file is afgereden. Tot slot is van belang dat de verdachte in een vrachtwagen reed en beroepschauffeur is. Van een professionele bestuurder zoals een vrachtwagen- of buschauffeur wordt een hogere mate van alertheid en anticipatie verwacht dan van een gemiddelde automobilist.
Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.
Parketnummer 96/070416-23
Het hof komt tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit. Uit het proces-verbaal verkeersovertredingen blijkt namelijk dat de verdachte op 11 maart 2023 met een Volkswagen [type] op de [straat 2] heeft gereden met een (gecorrigeerde) snelheid van 112 kilometer per uur waar een maximumsnelheid van 60 kilometer per uur gold.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 05-134003-24 primair en in de zaak met parketnummer 96-070416-23 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Zaak met parketnummer 05-134003-24:1 primair.Hij op of omstreeks 3 november 2023 te [plaats 1] , in de gemeente [gemeente 2] , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto, vrachtauto), komende uit de richting van [plaats 1] en/of gaande in de richting van de Rijksweg [wegnummer 2] richting [plaats 2] , daarmede rijdende over de weg, de [wegnummer 1] , zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,
terwijl hij beginnend bestuurder was en/of
terwijl hij ter plaatse (goed) bekend was en/of
terwijl het zicht van verdachte door de wegsituatie en/of de inrichting van de weg niet belemmerd werd en/of
terwijl meerdere voor hem uit rijdende motorrijtuigen de gevarenlichten (knippersignalen ter afwending van dreigend gevaar) lieten knipperen en/of het remlicht, althans de rem, hadden geactiveerd en/of
terwijl sprake was van filevorming waarbij de overige verkeersdeelnemers hun snelheid aanmerkelijk hadden teruggebracht en/of stil stonden,
-aldaar heeft gereden met een snelheid van ongeveer 90 kilometer per uur, althans met een grotere snelheid dan de aldaar voor hem geldende maximumsnelheid van 80 kilometer per uur, in elk geval met een (aanzienlijk) hogere snelheid dan die voor een veilig verkeer ter plaatse geboden was en/of
-niet of in onvoldoende mate heeft gelet en/of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte, gelegen gedeelte(n) van die weg (de [wegnummer 1] ) en/of het zich daarop bevindende verkeer en/of
-in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, niet de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig (vrachtauto) zodanig heeft geregeld dat hij in staat was dat motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte, die weg ( [wegnummer 1] ) kon overzien en waarover deze vrij was en/of
-een kettingbotsing heeft veroorzaakt, althans is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een voor hem, verdachte, uit langzaam rijdend of stilstaand ander motorrijtuig (personenauto) (welke op zijn beurt is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een of meerdere andere voertuigen (personenauto's), en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (te weten [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
Zaak met parketnummer 96-070416-23 (gevoegd):1.
hij op of omstreeks 11 maart 2023 te [plaats 3] , gemeente [gemeente 1] als bestuurder van een motorvoertuig (personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de [straat 2] , geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers in strijd met een bord A1 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 - op welk bord een maximumsnelheid van 60 kilometer per uur was aangegeven - heeft gereden met een snelheid van ongeveer 112 kilometer per uur, in elk geval de aldaar toegestane maximumsnelheid met meer dan 30 kilometer per uur heeft overschreden.
Het hof spreekt de verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het in de zaak met parketnummer 05-134003-24 primair bewezenverklaarde levert op:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.
Het in de zaak met parketnummer 96-070416-23 bewezenverklaarde levert op:
overtreding van het bepaalde bij artikel 62, bord A1 van bijlage I, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat de verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
De rechtbank Gelderland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid van zes maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk (feit 1 in de zaak met parketnummer 05-134003-24) en een geldboete ter hoogte van € 810,00 en een ontzegging van de rijbevoegdheid van twee maanden (het feit in de zaak met parketnummer 96-070416-23).
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd aan de verdachte dezelfde straf op te leggen als door de rechtbank is opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht het vonnis voor wat betreft de opgelegde taakstraf en geldboete te bevestigen. Ten aanzien van de ontzegging van de rijbevoegdheid zijn wel verweren gevoerd. Vanwege het tijdsverloop sinds de feiten en omdat de verdachte intussen vele veilige kilometers heeft gemaakt en hij zijn rijbewijs nodig heeft voor zijn werk, vraagt de raadsman om aan de verdachte geheel voorwaardelijke ontzeggingen van de rijbevoegdheid op te leggen met een proeftijd van één jaar.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft op 3 november 2023 met zijn vrachtwagen een kettingbotsing veroorzaakt op de snelweg. Hij heeft ter plekke twintig kilometer per uur te hard gereden. Daarnaast heeft hij alle signalen die duiden op filevorming gemist. Hierdoor heeft hij zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam gereden, met een zeer ernstig ongeval tot gevolg.
In het bijzonder [slachtoffer 1] is als gevolg van het ongeval ernstig gewond geraakt. Uit zijn indrukwekkende slachtofferverklaring tijdens de zitting in het hoger beroep maakt het hof op dat hij tot op de dag van vandaag last heeft van het opgelopen hersenletsel. Of [slachtoffer 1] ooit helemaal zal herstellen is nog maar zeer de vraag.
De verdachte is hiervoor verantwoordelijk. Het hof neemt het hem kwalijk dat hij zo heeft gehandeld, terwijl van hem als beginnend bestuurder en beroepschauffeur juist meer voorzichtigheid mocht worden verwacht dan gemiddeld.
Daarnaast heeft de verdachte op 11 maart 2023 over de [straat 2] gereden met een snelheid van 112 kilometer per uur. Op deze weg geldt een maximumsnelheid 60 kilometer per uur. Door met een twee keer zo hoge snelheid te rijden als ter plekke is toegestaan heeft de verdachte de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht.
Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof gekeken naar het strafblad van de verdachte van 28 juli 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder in aanraking is gekomen met politie of justitie.
Verder heeft het hof voor het bepalen van de straf gekeken naar de LOVS-oriëntatiepunten bij ‘Art. 6 WVW1994 veroorzaken verkeersongeval’. Het oriëntatiepunt in de categorie ernstige schuld bij zwaar lichamelijk letsel is een onvoorwaardelijke taakstraf van 160 uren en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van één jaar.
Het hof heeft de strafoplegging van de rechtbank deels als uitgangspunt genomen, omdat het op basis van nagenoeg dezelfde vaststellingen tot een (grotendeels gelijke) bewezenverklaring is gekomen. Maar omdat het hof een hogere mate van schuld heeft bewezenverklaard, zal aan de verdachte een hogere taakstraf worden opgelegd. Deze strafoplegging sluit bovendien aan bij de oriëntatiepunten.
Hetzelfde geldt voor de ontzeggingen van de rijbevoegdheid. Het hof neemt het belang van de verdachte bij zijn rijbewijs serieus en begrijpt dat de verdachte voor zijn functie als beroepschauffeur afhankelijk is van zijn rijbewijs. Daar staat tegenover dat het hof het feit te ernstig acht om uitsluitend een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen. Anders dan de raadsman heeft betoogd, dient een ontzegging van de rijbevoegdheid niet alleen ter bescherming van de verkeersveiligheid, maar ook om de ernst van het feit tot uitdrukking te brengen. In dat wat door de verdediging is aangevoerd ziet het hof wel aanleiding om een lagere ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen dan de oriëntatiepunten voorschrijven.
Het hof zal, alles afwegende, aan de verdachte een taakstraf op leggen voor de duur van 160 uren en ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden in de zaak met parketnummer 05-134003-24.
Daarnaast zal aan de verdachte een geldboete worden opgelegd van € 810,00 en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee maanden (met aftrek van de tijd die verdachte zijn rijbewijs al heeft ingeleverd) in de gevoegde zaak met parketnummer 96-070416-23. Dit houdt in dat de verdachte zijn rijbewijs voor deze zaak niet opnieuw kwijtraakt.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 62 en 92 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, de artikelen 9, 22c, 22d, 23, 24, 24c en 62 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 05-134003-24 primair en het in de zaak met parketnummer 96-070416-23 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 05-134003-24 primair en het in de zaak met parketnummer 96-070416-23 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 05-134003-24 onder 1 primair bewezenverklaarde:
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 (honderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis.
Ontzegt de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 05-134003-24 primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 (zes) maanden.
Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 96-070416-23 onder 1 (gevoegd) bewezenverklaarde:
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 810,00 (achthonderdtien euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis.
Ontzegt de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 96-070416-23 bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.
Aldus gewezen door
mr. D.R. Sonneveldt, voorzitter,
mr. J. Corthals en mr. L.J.G. de Jongh, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T. Lammerdink, griffier,
en op 11 september 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.