[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1983 in [geboorteplaats] ,
op dit moment vanwege een andere strafzaak verblijvende in P.I. [instelling] .
Hoger beroep
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 28 augustus 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de politierechter.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte, zijn raadsman, mr. G.A. Pots en de benadeelde partij [benadeelde] , hebben aangevoerd.
Het hof heeft na sluiting van het onderzoek mondeling uitspraak gedaan in aanwezigheid van verdachte en zijn raadsman.
Het vonnis
Bij het hierboven genoemde vonnis, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter:
Het hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Zaak met parketnummer 18-235308-25:
hij op of omstreeks 8 september 2025 te [plaats] een blikje RedBull, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan supermarkt [naam 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Zaak met parketnummer 18-262016-25:
hij op of omstreeks 6 oktober 2025 te [plaats] , een (fiets)accu, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Opsomming van bewijsmiddelen
Het hof volstaat ten aanzien van het hierna bewezenverklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte deze feiten op de zitting van het hof duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend en door de raadsman ten aanzien van deze feiten geen vrijspraak is bepleit. Ieder bewijsmiddel is – ook in onderdelen – slechts gebruikt voor het feit waarop het gelet op zijn inhoud betrekking heeft.
Parketnummer 18-235308-25
Parketnummer 18-262016-25
2025, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met
nummer PLO 100-2025270979 d.d. 11 oktober 2025, inhoudende de verklaring van [benadeelde] .
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-235308-25 en in de zaak met parketnummer 18-262016-25 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
Zaak met parketnummer 18-235308-25:
hij op 8 september 2025 te [plaats] een blikje Red Bull, dat geheel aan supermarkt [naam 1] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Zaak met parketnummer 18-262016-25:
hij op 6 oktober 2025 te [plaats] , een fietsaccu, die geheel aan [benadeelde] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Het hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het in de zaak met parketnummer 18-235308-25 en in de zaak met parketnummer 18-262016-25 bewezenverklaarde levert op:
telkens: diefstal.
Strafbaarheid van verdachte
Verdachte heeft op de zitting van het hof verklaard dat hij de diefstal van de fietsaccu (parketnummer 18-262016-25) onder bedreiging van geweld door een derde heeft gepleegd. Hij zou onder druk zijn gezet en in elkaar worden geslagen wanneer hij de diefstal niet zou plegen. Ten tijde van de diefstal zou verdachte wel zelf drugs hebben ingenomen.
Het hof begrijpt het verweer van verdachte als een beroep op psychische overmacht. Dat kan alleen slagen wanneer er sprake is geweest van een zodanige van buiten komende drang waaraan verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet hoefde te bieden.
Het hof acht aannemelijk dat sprake is geweest van enige vorm van dwang, maar niet in die mate dat verdachte daaraan in redelijkheid geen weerstand kon en ook niet hoefde te bieden: er is niets aangevoerd waaruit geconcludeerd kan worden dat verdachte in redelijkheid geen andere keus had dan de fietsaccu te stelen. Daarbij geldt dat verdachte zichzelf mede in die situatie heeft gebracht door het innemen van drugs.
Verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 2 maanden.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht ter overweging van het hof om af te wijken van de door de politierechter opgelegde gevangenisstraf van 2 maanden, in de vorm van een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf en of een taakstraf.
Oordeel van het hof
De strafoplegging is door het hof ter zitting mondeling gemotiveerd. In de aldus gemotiveerde strafoplegging is rekening gehouden met de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte.
Het hof heeft gelet op het strafblad van verdachte van 28 juli 2026, waaruit volgt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor winkeldiefstal. Deze veroordelingen hebben hem er niet van weerhouden opnieuw zulk soort strafbare feiten te plegen. Het hof neemt dit in strafverzwarende zin mee in de strafoplegging.
Verder heeft het hof gelet op het reclasseringsrapport van 19 november 2025. Daaruit is naar voren gekomen dat verdachte op de veelplegerslijst staat en dat de reclassering geen mogelijkheden ziet om binnen een reclasseringstoezicht te werken aan gedragsverandering. De opties van de reclassering binnen een ambulant kader zijn daardoor uitgeput. Verdachte heeft in de afgelopen jaren veelvuldige kansen gekregen via bijzondere voorwaarden, maar dat heeft niet tot een structureel resultaat geleid. De kans op herhaling wordt ingeschat als hoog.
Het hof stelt vast dat de ernst van de bewezenverklaarde feiten in samenhang bezien met verdachtes strafblad een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. Op basis van het voorgaande, in combinatie met het reclasseringsrapport, ziet het hof geen reden om verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf of taakstraf op te leggen. Verdachte heeft veel kansen gehad om zijn leven een andere wending te geven, maar dat heeft niet geleid tot positieve gedragsverandering in delict gedrag. Alles afwegende, acht het hof – zoals gevorderd door de advocaat-generaal – een gevangenisstraf van 2 maanden, passend en geboden.
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 150,80 ingediend, bestaande uit materiële schade. De politierechter heeft dit bedrag integraal toegewezen.
Verdachte heeft ter zitting aangegeven de schade te willen vergoeden. De verdediging heeft de vordering niet betwist.
Op de zitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks materiële schade heeft geleden door het in de zaak met parketnummer 18-262016-25 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Verdachte moet die schade vergoeden. De vordering wordt daarom integraal toegewezen voor het bedrag van € 150,80, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 oktober 2025.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op. Het hof zal daarbij geen vervangende gijzeling opleggen, omdat verdachte in de schuldhulpverlening zit.
Wetsartikelen
De straf en/of maatregel is gebaseerd op de artikelen 36f, 57, 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-235308-25 en in de zaak met parketnummer 18-262016-25 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het in de zaak met parketnummer 18-235308-25 en in de zaak met parketnummer 18-262016-25 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-262016-25 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 150,80 (honderdvijftig euro en tachtig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-262016-25 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 150,80 (honderdvijftig euro en tachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 0 (nul)dagen.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 6 oktober 2025.
Dit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. J. Hielkema en mr. E. Pennink, in aanwezigheid van de griffier mr. G.A.G. van Essen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 28 augustus 2026.