Overwegingen
Tussenbeslissing van 12 februari 2026
Bij tussenbeslissing van 12 februari 2026 heeft het hof opdracht gegeven tot het voegen bij de stukken van de ‘pro Justitia dubbelrapportage die is opgesteld in het kader van de verlengingszitting bij de Rechtbank Gelderland van 24 april 2026’. Aan deze opdracht is uitvoering gegeven doordat het rapport van psychiater Morre van 30 december 2025 en het rapport van psycholoog Koudstaal van 16 januari 2026 aan het dossier zijn toegevoegd.
Verder heeft het hof in die tussenbeslissing opdracht gegeven tot een ‘(aanvullende) rapportage door voornoemde pro Justitia-rapporteurs als voormeld’, waarbij in de tussenbeslissing de punten zijn genoemd waarop in die rapporten dient te worden ingegaan: ‘De rapporteurs dienen in te gaan op de vraag of gelet op de problematiek bij de terbeschikkinggestelde. het complexe beloop van de terbeschikkingstelling met voorwaarden tot nu toe, en (de effecten van) de inzet van aripiprazol. voortzetting van de terbeschikkingstelling met voorwaarden haalbaar wordt geacht. Het hof acht het wenselijk dat de rapporteurs ingaan op de vraag of en zo ja hoe, het risicomanagement kan worden vormgegeven in het kader van de terbeschikkingstelling met voorwaarden, met een eventuele aanscherping, aanvulling of wijziging van de voorwaarden, en binnen welk beveiligingsniveau’.
Deze opdracht heeft geleid tot het (aanvullende) rapport van psychiater Morre van 30 december 2025. Aan psycholoog Koudstaal is geen opdracht verstrekt tot het verrichten van nader onderzoek, omdat de psycholoog niet tot (diagnostische) conclusies is gekomen doordat het door haar verrichte onderzoek onvolledig is gebleven.
Ook heeft het hof in de tussenbeslissing opdracht gegeven tot aanvullend onderzoek door de reclassering, welke opdracht heeft geresulteerd in het reclasseringsadvies van 4 mei 2026.
Rapport psychiater Morre van 30 december 2025
Psychiater Morre heeft geconcludeerd dat de terbeschikkinggestelde lijdt aan de volgende psychische stoornissen:
‒ een andere gespecificeerde schizofreniespectrumstoornis of andere psychotische stoornis en
‒ een stoornis in het gebruik van tabak en in het gebruik van een amfetamineachtig middel (meer specifiek speed) en
‒ een andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale, borderline en paranoïde kenmerken.
Volgens de psychiater is er een hoog risico op gewelddadig gedrag als de terbeschikkingstelling wordt beëindigd. Ook de kans op gewelddadigheden in bredere zin is door de psychiater ingeschat als hoog.
Over het toe te passen risicomanagement houdt het rapport het volgende in. De terbeschikkinggestelde verblijft in het PPC van PI [plaats 2] , waar de terbeschikkinggestelde geen enkele vrijheid heeft en 24 uur per dag achter een gesloten deur verblijft. De rapporteur heeft gerapporteerd geen mogelijkheden te zien om dat strikte risicomanagement te versoepelen, omdat zich nog altijd gewelddadige incidenten voordoen rond de terbeschikkinggestelde en de terbeschikkinggestelde niet toegankelijk is voor een behandeling. Verder heeft de psychiater gerapporteerd dat de psychopathologie van de terbeschikkinggestelde zich onveranderlijk toont, onder meer omdat de terbeschikkinggestelde van mening is dat hem in psychiatrische zin niets mankeert en zich niet laat behandelen.
Rapport psycholoog Koudstaal van 16 januari 2026
Psycholoog Koudstaal heeft de terbeschikkinggestelde driemaal bezocht in het PPC van PI [plaats 2] en heeft geconcludeerd dat een ambulant onderzoek niet haalbaar is (door de opstelling van de terbeschikkinggestelde). Doordat het onderzoek onvolledig is gebleven, heeft de psycholoog geen antwoord kunnen geven op de onderzoeksvragen.
Rapport psychiater Morre van 3 april 2026
Psychiater Morre heeft aanvullend onderzoek verricht naar de terbeschikkinggestelde, waarbij de psychiater de opdracht had om in te gaan op de volgende punten:
‒ of voortzetting van de terbeschikkingstelling met voorwaarden haalbaar wordt geacht, gelet op de problematiek bij de terbeschikkinggestelde, het complexe beloop van de terbeschikkingstelling met voorwaarden tot nu toe en (de effecten van) de inzet aripiprazol, en
‒ of en, zo ja, hoe het risicomanagement kan worden vormgegeven in het kader van de terbeschikkingstelling met voorwaarden (eventueel met aanscherping, aanvulling van de voorwaarden) en binnen welk beveiligingsniveau dat zou moeten gebeuren.
De psychiater heeft geconcludeerd dat voortzetting van de terbeschikkingstelling met voorwaarden niet alleen haalbaar is, maar ook verkieslijk. Ter onderbouwing van deze conclusie heeft de psychiater het volgende gerapporteerd:
‘Indien de terbeschikkingstelling van [de terbeschikkinggestelde] mocht worden omgezet dan is dit waarschijnlijk een gemaximeerde [terbeschikkingstelling] en in aanmerking nemende de lange wachttijden voor plaatsing in een [forensisch psychiatrisch centrum (FPC)] resteert dan nog maar weinig (behandel)tijd om bij [de terbeschikkinggestelde] enige verandering te bewerkstelligen in de psychopathologie. Vermoedelijk is deze tijd te kort om met [de terbeschikkinggestelde] te kunnen komen tot een therapeutische alliantie, de basis waarop elke therapie is gestoeld.
Enerzijds is er sprake van hardnekkige psychopathologie bij [de terbeschikkinggestelde], pathologie die hij zelf ten stelligste ontkent, en anderzijds is er in het geval van een omzetting maar weinig tijd om tot verandering te gaan komen.
In het geval de terbeschikkingstelling niet mocht worden omgezet dan is er meer behandeltijd beschikbaar omdat deze niet is gemaximeerd en is de wachtlijst voor een plaatsing van [de terbeschikkinggestelde] in een kliniek aanmerkelijk korter. (…)
Het lijkt mij overigens wel raadzaam om [de terbeschikkinggestelde] vooreerst in een kliniek te plaatsen indien de terbeschikkingstelling met voorwaarden wordt gecontinueerd en om hem van daaruit, op geleide van het klinische beeld te gaan resocialiseren.
De aard van de psychopathologie van [de terbeschikkinggestelde] (een persoonlijkheidsstoornis met ook zo nu en dan psychotische overschrijdingen en een stoornis in het gebruik van amfetamine) maakt echter dat ik een voorkeur heb voor een zo ambulant mogelijke behandeling. In concreto: ik ben er een voorstander van om de klinische fase zo kort mogelijk te laten duren, niet langer dan nodig is.
[De terbeschikkinggestelde] kondigt al aan dat hij zijn tijd wel zal “uitzitten” indien hem alsnog een terbeschikkingstelling met dwangverpleging mocht worden opgelegd. Hij zal zich dan vermoedelijk gaan aanpassen zonder daadwerkelijk te veranderen, zonder dat de recidivekans zal afnemen en hij zal dan naar verwachting omstreeks 2030 onbehandeld en onveranderd weer de wijde wereld ingaan.
Dit maakt dat ik er een voorstander van ben om de terbeschikkingstelling met voorwaarden die op [de terbeschikkinggestelde] rust niet om te zetten in een terbeschikkingstelling met een last tot verpleging van overheidswege en ik ben tevens van mening dat dit in de gegeven omstandigheden, vanuit veiligheidsperspectief ook mogelijk en verantwoord is. (…)
Incidenten zijn in het PPC [plaats 2] , zo blijkt na zo’n 5 maanden verblijf binnen deze instelling, uitgebleven en dat is naar ik meen vooral toe te schrijven aan de attitude die hem vanuit het personeel aldaar ten deel valt. Hem wordt wel degelijk structuur en duidelijkheid verschaft maar er wordt niet voortijdig, nog voordat er een therapeutische alliantie is gevestigd, geprobeerd om hem te veranderen.
Verandering dient bij [de terbeschikkinggestelde] uiteraard te worden nagestreefd maar de timing hiervan let erg nauw. Indien [de terbeschikkinggestelde] ontijdig tot verandering wordt verplicht dan kan het zomaar zijn dat hij zich van het hele behandeltraject afkeert en dan wordt er per saldo helemaal niets bereikt. Een voorzichtige “judo-attitude” waarbinnen soepel wordt meebewogen met de weerstanden van [de terbeschikkinggestelde] en escalatie wordt voorkomen teneinde hem op termijn tot verandering te brengen werpt waarschijnlijk meer vruchten af dan een te bruuske confrontatie met het verschil van inzicht tussen [de terbeschikkinggestelde] en het behandelteam.’
Over het vereiste beveiligingsniveau heeft de psychiater gerapporteerd dat beveiligingsniveau 4 niet beslist noodzakelijk is en dat zou kunnen worden afgeschaald naar niveau 3 en op termijn zelfs naar niveau 2, afhankelijk van hoe het klinisch beeld bij de terbeschikkinggestelde zich zal ontwikkelen.
Daarnaast staat in het rapport onder meer dat de terbeschikkinggestelde de diagnoses (genoemd in het rapport van 30 december 2025) niet onderschrijft, en van mening is dat hem in psychiatrisch opzicht niets mankeert en dat hij daarom geen behandeling nodig heeft.
Reclasseringsrapport van 4 mei 2026
Naar aanleiding van het rapport van psychiater Morre van 3 april 2026 heeft de reclassering het Forensisch Plaatsingsloket (FPL) van de Divisie Individuele Zaken (DIZ) van het ministerie van Justitie en Veiligheid verzocht opnieuw de mogelijkheden te onderzoeken voor de opname van de terbeschikkinggestelde in een forensisch psychiatrische kliniek (FPK, beveiligingsniveau 3). Het FPL heeft vervolgens ‘alle mogelijke klinieken’ benaderd, te weten [kliniek 1] , [kliniek 2] , [kliniek 3] , [kliniek 4] , [kliniek 5] , [kliniek 6] en [kliniek 7] . Al die klinieken hebben de terbeschikkinggestelde afgewezen voor een opname. Het FPL heeft op basis daarvan geconcludeerd geen mogelijkheden te zien voor plaatsing in een kliniek binnen het (huidige) kader van een terbeschikkingstelling van voorwaarden.
Ook los van de afwezigheid van plaatsingsmogelijkheden is de reclassering gebleven bij haar advies dat ertoe strekt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden wordt omgezet in een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Ter onderbouwing daarvan heeft de reclassering het volgende gerapporteerd:
‘[D]e stelligheid van [de terbeschikkinggestelde] in het niet willen meewerken aan behandeling, dat er geen enkele overeenstemming is over de diagnostiek, welke complex is, en waar behandeling voor geïndiceerd is, maakt dat de reclassering het afbreukrisico binnen de [terbeschikkingstelling (hierna ook: tbs)] met voorwaarden inschat als hoog en er geen uitvoering gegeven kan worden aan de maatregel. (…)
Concluderend toont [de terbeschikkinggestelde] geen motivatie voor behandeling en is er geen sprake van ziekte-inzicht. Hij bagatelliseert het indexdelict. Hij stelt enkel dat het traject volgens zijn voorwaarden dient te verlopen. Voor een succesvolle behandeling binnen een tbs met voorwaarden dient [de] betrokkene echter te beschikken over enige motivatie voor de (klinische) opname. Ook moet [diegene] in basis kunnen profiteren van een behandeling en langdurig controle kunnen verdragen. Op basis van de pathologie, gebrek aan ziekte-inzicht en gebrek aan intrinsieke motivatie voor een (klinische) behandeling schatten wij het afbreukrisico binnen een voorwaardelijk kader in als hoog. Kijkend naar het eerdere verloop van de maatregel vragen wij ons af hoelang [de terbeschikkinggestelde] het volhoud[t] om controle te verdragen. [De terbeschikkinggestelde] voldoet daarmee in essentie niet aan de genoemde criteria voor uitvoering van [de] tbs met voorwaarden. Dit maakt een tbs met voorwaarden niet of nauwelijks uitvoerbaar en maakt de kans groot dat een omzetting naar [een] tbs met verpleging van overheidswege alsnog zal resteren.
Tevens hebben zowel [kliniek 5] als [kliniek 4] getracht om binnen het huidige kader tot gedragsverandering en risicobeperking te komen. [Psychiater Morre] adviseert om binnen het behandeltraject een voorzichtige “judo-attitude” te hanteren door mee te bewegen met de weerstand vanuit [de terbeschikkinggestelde] en eerst een therapeutische werkalliantie op te bouwen. Maar wel daarnaast structuur en duidelijkheid te bieden. Echter terugblikkend op de vorige twee behandelpogingen werd er juist ingestoken op het vinden van overeenstemming met [de terbeschikkinggestelde] over behandeling, het opbouwen van een behandel-/werkrelatie en werd daarbij weinig druk opgevoerd. [De terbeschikkinggestelde] wenste zo snel mogelijk door te stromen, internetvrijheden en verlof op te bouwen en niets ging hem snel genoeg. Er vonden herhaaldelijk incidenten en overtredingen van de voorwaarden plaats, en juist daardoor [konden] niet de stappen gezet worden die [de terbeschikkinggestelde]wenste en nam verdere frustratie toe. Beide behandelpogingen hebben niet geleid tot structurele gedragsverandering en vermindering van het risico op recidive.
[Psychiater Morre] haalt mede aan dat bij een omzetting de tbs gemaximeerd is voor de duur van vier jaren en er een aannemelijke kans is dat betrokkene “onbehandeld en onveranderd weer de wijde wereld in gaat”. Echter is er, naast oplegging van de tbs maatregel, sprake van een Gedragsbeïnvloedende en Vrijheidsbeperkende Maatregel (GVM) welke als vangnet kan dienen indien er, na afloop van de tbs maatregel, nog sprake is van een hoog recidiverisico.’
Advies psychiater Morre ter zitting van 4 juni 2026
Op basis van het aanvullende onderzoek is de psychiater tot de conclusie gekomen dat voortzetting van de terbeschikkingstelling met voorwaarden verantwoord is. Na het eerste onderzoek dacht de psychiater nog van niet. Toen was de terbeschikkinggestelde onmiskenbaar psychotisch. Daarna is de terbeschikkinggestelde een antipsychoticum gaan gebruiken en dat werkte goed. Tijdens het aanvullend onderzoek gebruikte de terbeschikkinggestelde niet langer dat antipsychoticum, terwijl hij niet opnieuw psychotisch was geworden. Mede op basis van die ontwikkeling concludeerde de psychiater dat voortzetting van de terbeschikkingstelling met voorwaarden verantwoord is.
Het advies om de terbeschikkingstelling met voorwaarden voort te zetten, wordt niet bepaald door de aannames dat bij een omzetting in een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege de duur daarvan zal zijn gemaximeerd tot vier jaar en dat voor plaatsing in een FPC een wachttijd geldt van misschien wel twee jaar. De aard van de psychopathologie die bij de terbeschikkinggestelde aanwezig is, brengt mee dat de psychiater een voorstander is van zo ambulant mogelijk behandelen. Wel is het noodzakelijk om de volgende behandelpoging te starten met een klinische behandeling, om van daaruit het resocialisatietraject vorm te geven. De duur van die klinische beginfase van het behandeltraject valt niet te voorspellen, maar daarbij valt eerder te denken aan een aantal maanden of jaren dan aan een aantal weken.
Een succesvolle behandeling vereist dat een therapeutische alliantie tot stand komt. Te verwachten valt dat behandeldruk bij de terbeschikkinggestelde weerstand en verzet zal oproepen. Minder druk zal waarschijnlijk zorgen voor een betere medewerking door de terbeschikkinggestelde. Die medewerking is essentieel om een resultaat te bereiken waardoor het recidiverisico afneemt. Of het opnieuw misgaat, is naar de inschatting van de psychiater niet zozeer afhankelijk van de setting waarin de behandeling plaatsvindt (klinisch of ambulant), maar van de wijze waarop de terbeschikkinggestelde wordt bejegend. Omdat de terbeschikkinggestelde meent dat hij in psychiatrisch opzicht niets mankeert, wordt hij boos wanneer hij wordt aangespoord tot deelname aan een behandeling. Zijn weerstand tegen behandeling is een momentopname; het is niet gezegd dat die weerstand aanwezig blijft. Volgens de psychiater is het belangrijk om enigszins mee te bewegen met de weerstand van de terbeschikkinggestelde, omdat daartegen ingaan die weerstand alleen maar erger kan maken.
Advies reclassering (deskundige [naam] ) ter zitting van 4 juni 2026
In aanvulling op het adviesrapport van 4 mei 2026 heeft deskundige [naam] opgemerkt dat in het geval voortzetting van de terbeschikkingstelling met voorwaarden vanuit de gedachte dat extra aandacht moet worden besteed aan de wijze waarop de terbeschikkinggestelde wordt bejegend, het gevaar bestaat dat het in de behandeling vervolgens veel zal gaan over randzaken, ten koste van het aanpakken van de psychische problematiek die het recidivegevaar veroorzaakt. Die vrees is mede gebaseerd op het verloop van de behandeling in [kliniek 4] .
Standpunt terbeschikkinggestelde
Psychiater Morre heeft geadviseerd tot voortzetting van de terbeschikkingstelling met voorwaarden. Het doel van de terbeschikkingstelling is namelijk dat de betrokkene wordt behandeld en resocialiseert. De kans op een geslaagde behandeling en resocialisatie is volgens de psychiater het grootst in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden. De psychiater concludeert daarom dat voorzetting van de terbeschikkingstelling met voorwaarden niet alleen mogelijk en verantwoord is, maar ook verkieslijk. Het praktische probleem dat er op dit moment geen kliniek is die bereid is de terbeschikkinggestelde op te nemen binnen het huidige juridisch kader, zou een oneigenlijke reden zijn om de terbeschikkingstelling met voorwaarden om te zetten in een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Een dergelijke omzetting zal leiden tot weerstand bij de terbeschikkinggestelde, waardoor zijn gedrag niet zal veranderen. Weliswaar kan na het einde van de terbeschikkingstelling worden teruggevallen op de maatregel die strekt tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (hierna ook: GVM), maar dat is geen volwaardig alternatief voor een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Als bij voortzetting van de terbeschikkingstelling met voorwaarden wordt gestart met een klinische behandeling die duidelijk wordt ingezet als opstapje naar een ambulante behandeling, is er voldoende reden om aan te nemen dat de terbeschikkinggestelde aan die behandeling zal meewerken.
Concluderend heeft de raadsman bepleit dat het hof zal beslissen tot afwijzing van de vordering van het openbaar ministerie die ertoe strekt dat de terbeschikkinggestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd. Verder heeft de raadsman bepleit dat het hof over de wijze van tenuitvoerlegging van de terbeschikkingstelling een advies zal geven met de strekking dat de klinische behandeling van korte duur zal zijn, met een snelle doorstroming naar een kliniek met beveiligingsniveau 2 en naar een ambulante behandeling.
Standpunt openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank. De behandelpogingen die zijn gedaan, hebben tot niets geleid. De voorliggende vraag is in de kern of de behandeling moet plaatsvinden in een ambulant kader of in een gedwongen kader. Aan een ambulant kader kleven te veel nadelen, zoals het gegeven dat de bejegening van de terbeschikkinggestelde in dat geval een grote mate van maatwerk vereist. Daar staat tegenover dat als de terbeschikkingstelling met voorwaarden wordt omgezet in een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, behandeldruk zal ontstaan, met als mogelijk gevolg dat de terbeschikkinggestelde niet aan die behandeling zal meewerken en dat de terbeschikkingstelling vervolgens door tijdverloop zal eindigen zonder dat het recidiverisico is afgenomen. In dat geval kan dan wel nog gebruik worden gemaakt van de GVM, die ook is opgelegd in de onderliggende strafzaak. Een terbeschikkingstelling is inderdaad bedoeld voor de behandeling van de betrokkene, maar is in de eerste plaats een maatregel ter beveiliging van de samenleving. Van de terbeschikkinggestelde gaat een groot veiligheidsrisico uit, terwijl hij niet bereid is tot het ondergaan van een behandeling en er ook geen behandelperspectief is, aangezien alle benaderde forensisch psychiatrische klinieken de terbeschikkinggestelde hebben afgewezen voor een opname. Voortzetting van de terbeschikkingstelling met voorwaarden is dus geen reële optie.
Als het hof beslist tot toewijzing van de vordering van het openbaar ministerie, is het wenselijk om in een overweging aandacht te besteden aan de maximale duur van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. In de verlengingsbeslissing van de rechtbank Gelderland van 8 mei 2026 staat ten onrechte dat de terbeschikkingstelling is opgelegd in verband met een misdrijf dat gericht was tegen of gevaar veroorzaakte voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Om te voorkomen dat bij de betrokken instanties onduidelijkheid ontstaat over de maximale duur van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, is het wenselijk dat het hof in zijn beslissing duidelijk maakt dat de duur van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege gemaximeerd is tot vier jaar.
Oordeel hof
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld en op de juiste wijze heeft beslist. Daarom zal het hof de beslissing van de rechtbank met overneming van die gronden bevestigen. In aanvulling op de gronden van de rechtbank overweegt het hof het volgende.
In de tussenbeslissing van 12 februari 2026 heeft het hof al vastgesteld dat de terbeschikkinggestelde verschillende voorwaarden heeft overtreden. Daarmee is voldaan aan de wettelijke voorwaarde om te beslissen dat de terbeschikkinggestelde alsnog van overheidswege zal worden verpleegd.
Daarnaast is het hof van oordeel dat er geen reële mogelijkheid is om de behandeling en resocialisatie van de terbeschikkinggestelde op een verantwoorde wijze voort te zetten in het huidige juridisch kader. In het kader van de terbeschikkingstelling met voorwaarden zijn twee behandelpogingen gedaan, namelijk in de FPK van de [kliniek 5] en in [kliniek 4] . Beide behandelpogingen zijn voortijdig negatief beëindigd. Naar het oordeel van het hof zijn er onvoldoende aanknopingspunten om te verwachten dat een derde behandelpoging in datzelfde juridisch kader wel succesvol zal verlopen. Dat baseert het hof onder meer op het verloop van de eerste twee behandelpogingen en op de huidige opstelling van de terbeschikkinggestelde, die de bij hem vastgestelde psychische stoornissen grotendeels ontkent en die meent dat hij geen behandeling nodig heeft.
Het hof volgt dus niet het advies van psychiater Morre, die heeft geadviseerd tot voortzetting van de terbeschikkingstelling met voorwaarden. Volgens de psychiater is de kans dat de terbeschikkinggestelde bereid zal zijn tot samenwerking met een behandelteam (in de woorden van de psychiater: een therapeutische alliantie) groter bij voortzetting van de terbeschikkingstelling met voorwaarden dan in het geval van een omzetting in een terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Of die samenwerking tot stand komt, is volgens de psychiater afhankelijk van de wijze waarop de terbeschikkinggestelde wordt bejegend, waarbij het nauw luistert op welk moment het behandelteam druk op de terbeschikkinggestelde zal gaan uitoefenen om mee te werken aan een behandeling. Mede gelet op de huidige weerstand van de terbeschikkinggestelde tegen een behandeling en op de hoge eisen die volgens de psychiater gesteld worden aan zowel de wijze van bejegening van de terbeschikkinggestelde als de timing van het uitoefenen van behandeldruk, is het hof van oordeel dat (ook) het advies van de psychiater onvoldoende aanknopingspunten biedt om te verwachten dat een derde behandelpoging in het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden wel za leiden tot een samenwerking met het behandelteam. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de terbeschikkinggestelde zich in de kern afwijzend opstelt tegenover het door psychiater Morre geadviseerde behandeltraject, dat begint met een klinische behandeling die mogelijk meer dan een jaar zal duren. De terbeschikkinggestelde heeft daarover namelijk verklaard (ter zitting van het hof van 4 juni 2026) een klinische behandeling van een jaar al te lang te vinden.
Duur terbeschikkingstelling met verpleging gemaximeerd
Voor de goede orde overweegt het hof dat de duur van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege is gemaximeerd tot vier jaar. De terbeschikkingstelling is opgelegd bij arrest van 19 maart 2024 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. In dat arrest heeft de opleggingsrechter duidelijk gemaakt dat de terbeschikkingstelling niet is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
BESLISSING
Het hof bevestigt met aanvulling van gronden de beslissing van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 29 september 2025 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde, [terbeschikkinggestelde] .
Aldus gedaan door
mr. M. Keppels, voorzitter,
mr. A.B.A.P.M. Ficq en mr. K. Gilhuis, raadsheren,
drs. P.K.J. Ronhaar en drs. K.M. ten Brinck, raden,
in tegenwoordigheid van mr. D. van der Geld, griffier,
en op 18 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.