[verdachte] ,
Hoger beroep
Onderzoek van de zaak
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Het vonnis
Aanvulling van bewijsmiddelen
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004525-23
Uitspraakdatum: 6 augustus 2026
VERSTEK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 25 september 2023 met parketnummer 18-002292-22 in de strafzaak tegen
geboren op [geboortedag] 1975 in [geboorteplaats] ,
volgens de verkregen informatie van verdachte wonende te [adres] .
Verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter.
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 6 augustus 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de politierechter.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Het hof heeft na het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting meteen mondeling uitspraak gedaan.
Verdachte is door de politierechter vrijgesproken van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten. Verdachte heeft het hoger beroep onbeperkt ingesteld. Het hoger beroep is dus ook gericht tegen die vrijspraken. Verdachte kan tegen een beslissing tot vrijspraak geen hoger beroep instellen. Het hof verklaart verdachte daarom niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover het hoger beroep is gericht tegen de in het vonnis gegeven vrijspraken.
De politierechter heeft bij vonnis van 25 september 2023, voor zover in hoger beroep nog aan de orde,
Het hof is van oordeel dat de politierechter op juiste wijze heeft beslist. Op grond van de bewijsmiddelen zoals die in het vonnis zijn uitgewerkt, kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vernieling van de inboedel en het appartement gelegen aan de [locatie] , toebehorend aan [aangever] in de periode van 1 mei 2021 tot en met 31 mei 2021, en aan smaadschrift ten aanzien van [benadeelde] op 12 december 2021 te [plaats] . Het hof zal het vonnis van de politierechter dan ook bevestigen met aanvulling van de bewijsmiddelen en de gronden.
Het hof vult de bewijsmiddelen die in het vonnis zijn opgenomen ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit als volgt aan:
1. De eigen waarneming van het hof, gedaan ter terechtzitting van 6 augustus 2026, inhoudende:
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit:
Verdachte stond vanaf 15 april 2020 ingeschreven in de woning aan de [locatie] . De heer [aangever] heeft aangifte gedaan van vernieling van de inboedel en het appartement. In het dossier van Politie Team [plaats] met nummer 2021151169 van 26 december 2021 is op pagina 34 en verder een aantal foto’s opgenomen. Die zijn gevoegd bij de aangifte van de heer [aangever] . Daarop is bij foto 1 te zien dat er wat draadjes uit een muur hangen, op foto 3 een badkamermeubel waarvan de bovenkant scheef hangt, op foto 4 een Vaillantketel waar aan de voorkant iets ontbreekt, op foto 5 een kruis op een muur, op foto 6 een gasfornuis zonder pitten, op foto 7 een koelkast zonder plankjes, op foto 8, waaronder het woord ‘thermostaat’ staat, iets wat op een thermostaat zonder ombouw/kastje lijkt, foto 9 kruizen op een witte muur en op foto 10 een brandmelder zonder kapje.
Verdachte heeft het hof (…) een video toegestuurd. Deze is in het dossier gevoegd. Daarop zijn beelden van een woning met laminaat- dan wel parketvloer te zien. Er zijn witte vlekken op gelige muren te zien en een verzakt kastje in de badkamer. Verder is te zien dat de pitten ontbreken op het gasfornuis en dat in het appartement een soort wit schuim op de vloeren ligt. Ook is er in ieder geval 1 kruis op een slaapkamermuur te zien. Er zijn overeenkomsten tussen de gefilmde ruimte en de foto’s die door aangever bij zijn aangifte gevoegd zijn.
Aanvulling van gronden
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit:
Op grond van de aangifte met fotobijlagen, de verklaring van verdachte en de eigen waarneming van het hof ter terechtzitting in hoger beroep, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan vernieling van de inboedel en het appartement gelegen aan de [locatie] .
Verdachte was immers in de ten laste gelegde periode de enige huurster van de desbetreffende woning. Alleen zij was in het bezit van de sleutels die toegang hadden tot de woning. Ook was zij als laatste in de woning aanwezig geweest. Het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat de verhuurder, te weten aangever [aangever] , dan wel een derde de vernielingen zou hebben verricht, zoals verdachte suggereert. Uit de beelden die door haarzelf, kennelijk vlak voor de oplevering, zijn gemaakt en waarop een deel van de vernielingen te zien is, blijkt dat de schade al bestond vóórdat zij de woning verlaten had.
Ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde] :
Immateriële schade
Ter terechtzitting is gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Naar het oordeel van het hof brengen de aard van het onder 4 primair bewezenverklaarde feit en de gevolgen daarvan voor de benadeelde partij [benadeelde] mee dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b Burgerlijk Wetboek bedoelde aantasting in haar eer en goede naam sprake is. Dat betekent dat de gevorderde immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. Gelet op de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegekend, is het door de benadeelde partij [benadeelde] gevorderde schadebedrag naar het oordeel van het hof billijk. Het hof bevestigt daarom de beslissing van de politierechter op deze vordering.
De politierechter heeft de benadeelde partij in de door haar gevorderde reiskosten niet-ontvankelijk verklaard. Ook dit onderdeel van het vonnis wordt door het hof bevestigd. Zij vordert namelijk de reiskosten voor haar bezoek aan Slachtofferhulp Nederland en het bijwonen van de zitting, terwijl zij op de zitting gebruik maakte van een gemachtigde. In het geval van bijstand door een gemachtigde komen de reiskosten die een benadeelde partij zelf heeft gemaakt niet voor vergoeding in aanmerking op grond van het wettelijk stelsel van de artikelen 237 tot en met 240 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M. Kwakman, mr. J. Hielkema en mr. L. Pieters, in aanwezigheid van de griffier mr. A.M.J. Flach en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 6 augustus 2026.