ECLI:NL:GHARL:2026:6033

ECLI:NL:GHARL:2026:6033

Instantie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak 22-09-2026
Datum publicatie 19-09-2026
Zaaknummer 200.359.042
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Overname camping. Nieuwe eigenaar zegt huurovereenkomst van onbebouwde grond op wegens herstructurering. Het hof bevestigt uitspraak kantonrechter. Opzegging is rechtsgeldig. Er was een zwaarwegende grond: concreet en uitvoerbaar plan. (Schade)vergoeding op te maken bij staat. Ontruiming. Hof stelt een lagere dwangsom vast.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof: 200.359.042

zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen: 11446778

arrest van 22 september 2026

in de zaak van

1. [appellant1]

2. [appellant2]

3. [appellant3]

4. [appellant4]

5. [appellant5]

die woont in [woonplaats1]

die woont in [woonplaats1]

die woont in [woonplaats1]

die woont in [woonplaats2] ( [land] )

die woont in [woonplaats2] ( [land] )

hierna samen: de huurders

advocaat: mr. D.F. Briedé

en

1. De Fontein B.V.

die is gevestigd in Lelystad

2. HUB de Fontein Exploitatie B.V., voorheen handelend onder de naam De Fontein II B.V.

die is gevestigd in Veenendaal

hierna samen: De Fontein

advocaat: mr. S.J. van Susante

1. Het verloop van de procedure in hoger beroep

Het hof heeft op 28 oktober 2025 een arrest gewezen in het incident dat door de huurders was ingesteld op grond van artikel 351 Rv. Het hof heeft bij dat arrest de incidentele vordering van de huurders tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis afgewezen.

Het verloop van de procedure in hoger beroep na het arrest blijkt uit:

de memorie van grieven

de memorie van antwoord

een akte van de huurders met producties

een akte van De Fontein met producties

het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 26 augustus 2026 is gehouden.

2. De kern van de zaak

De huurders hebben een standplaats gehuurd op een camping in [woonplaats1] . De Fontein heeft de camping gekocht en de huurovereenkomst opgezegd. De huurders zijn het daarmee niet eens. Zij vinden dat de opzegging niet rechtsgeldig is.

De huurders hebben bij de kantonrechter (in conventie) gevorderd voor recht te verklaren dat de huurovereenkomsten in strijd zijn met de consumentenrichtlijnen, dat door De Fontein c.s. onrechtmatig althans in strijd met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid is gehandeld en dat de huurovereenkomsten doorlopen en alleen onder voorwaarden kunnen worden opgezegd. Subsidiair hebben de huurders gevorderd De Fontein c.s. te veroordelen tot betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat in geval de huuropzegging rechtmatig is geweest. De Fontein c.s. hebben (in reconventie) onder andere een verklaring voor recht gevorderd dat de huurovereenkomsten met de huurders rechtsgeldig zijn opgezegd per 31 december 2024 en dat de huurders zonder recht of titel op de betreffende jaarplaatsen verblijven, met veroordeling van de huurders om de jaarplaatsen te ontruimen, op straffe van verbeurte van een dwangsom bij overtreding.

De kantonrechter heeft voor recht verklaard dat De Fontein c.s. de huurovereenkomsten met de huurders rechtsgeldig per 31 december 2024 hebben opgezegd en de huurders veroordeeld om alle jaarplaatsen (met uitzondering van jaarplaats [nummer] die [appellant3] heeft gehuurd) vóór 1 november 2025 te ontruimen en ter beschikking te stellen aan De Fontein c.s., op straffe van een dwangsom. Ten aanzien van jaarplaats [nummer] heeft de kantonrechter geoordeeld dat [appellant3] deze, op straffe van een dwangsom, vóór 1 januari 2026 moet ontruimen en ter beschikking moet stellen aan De Fontein c.s. De kantonrechter heeft verder De Fontein c.s. veroordeeld tot het betalen van een (schade)vergoeding aan de huurders, nader op de te maken bij staat. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De huurders zijn het met dit vonnis niet eens. Zij hebben in hoger beroep, verkort weergegeven, gevorderd:-primair: verklaring voor recht dat de opzegging van de jaarplaatsovereenkomsten nietig, althans niet rechtsgeldig is omdat deze rust op een oneerlijk beding dan wel in strijd is met de Richtlijn 93/13/EEG en de artikelen 6:233, 6:236 en 6:237 BW

-subsidiair: verklaring voor recht dat de opzegging ongeldig is omwille van een achterhaald plan en/of niet toepasselijke Recron-voorwaarden althans dat deze in verband met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is

-en in beide gevallen voor recht te verklaren dat de jaarplaatsovereenkomsten onverminderd voortduren onder dezelfde voorwaarden en de ontruimingsvordering alsnog af te wijzen met bepaling dat de verbeurde dwangsommen niet verschuldigd zijn althans deze te verminderen tot nihil

-meer subsidiair: voor zover de opzegging rechtsgeldig is De Fontein te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en aan de uitvoering van eventuele ontruimingsveroordelingen geen dwangsom(men) te verbinden althans deze te matigen tot maximaal € 5.000,- en te bepalen dat deze niet eerder verschuldigd worden dan zes maanden nadat de schadevergoeding onherroepelijk is begroot en volledig is betaald en te verklaren voor recht dat eventueel sinds 1 november 2025 ten laste van de huurders verbeurde dwangsommen niet verschuldigd zijn althans deze te verminderen tot nihil,-alles met veroordeling van De Fontein in de proceskosten.

Het hof zal beslissen dat De Fontein de huurovereenkomsten mocht opzeggen en de vorderingen van de huurders afwijzen. Het hof zal wel de dwangsom op een lager bedrag stellen. Het hof laat dus het vonnis van de kantonrechter grotendeels in stand en licht dit oordeel hierna toe.

3. De toelichting op de beslissing van het hof

De achtergrond van de zaak

De kantonrechter heeft in het vonnis in het vonnis van 2 juli 2025 onder 3 de feiten vastgesteld. Daartegen hebben de huurders geen bezwaren aangevoerd. Het hof gaat dus ook van die feiten uit. In het kort (en met een enkele aanvulling) komen deze neer op het volgende.

De huurders huren al geruime tijd een of meer standplaatsen op camping ‘ De Fontein ’ in [woonplaats1] . Zij hebben daarop stacaravans of chalets geplaatst, waarvan zij eigenaar zijn. De huurovereenkomsten gelden steeds voor de duur van één jaar.

De Fontein heeft de camping in april 2021 gekocht van de broers [naam van broers] ( [broer A en B] ). [broer A en B] heeft de huurders van de verkoop op de hoogte gesteld, waarbij zij hebben bericht dat aan de verkoop de voorwaarde was verbonden dat bestaande contracten worden gerespecteerd.

De Fontein wil de camping vernieuwen en heeft huurders op de hoogte gebracht van hun plannen voor de herontwikkeling van de camping. In verband met deze herontwikkeling heeft De Fontein op 22 november 2023 de huurovereenkomsten met de huurders opgezegd tegen 31 december 2024. Bij de opzeggingsbrief zit een ‘masterplan’ over de herontwikkeling. Aan de huurders is een vergoeding conform de RECRON-voorwaarden toegezegd.

De te beoordelen geschilpunten

Het hof zal hierna de kwesties die partijen verdeeld houden bespreken. Dat zijn:(i) wat is de kwalificatie van de huurovereenkomst en het toetsingskader?(ii) is de opzegging van de huurovereenkomst rechtsgeldig?(iii) moeten de dwangsommen worden gematigd of moet worden bepaald dat deze niet verschuldigd zijn?

Het hof tekent aan dat de huurders meer subsidiair, voor het geval de huurovereenkomsten rechtsgeldig worden geoordeeld, een schadevergoeding op te maken bij staat vorderen. De kantonrechter heeft die vordering echter al toegewezen (en De Fontein heeft zich daarbij neergelegd), zodat dit geen onderwerp meer is in deze procedure in hoger beroep en de huurders bij deze vordering geen belang hebben. Dat de huurders aanspraak hebben op een nader op te maken (schade)vergoeding staat dus vast tussen partijen.

(i) de huurovereenkomst: doorlopende huurovereenkomst onbebouwde grond

Er is geen schriftelijke huurovereenkomst. Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een huurovereenkomst met een looptijd van een jaar, die na afloop daarvan in principe steeds wordt verlengd met een jaar en dat daarom sprake is van een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd.

De kantonrechter heeft geoordeeld dat het gaat om huur van grond en niet (ook) om de huur van woonruimte of een kampeermiddel. Volgens de huurders is deze kwalificatie onjuist en gaat het om een ‘duurzame recreatiehuurovereenkomst met substantiële investeringscomponent’. Dat is echter niet kwalificatie die tot andere rechtsgevolgen leidt dan de kwalificatie ‘huur onbebouwde grond’. De huurders voeren aan dat ‘de verzwaarde opzeggingsvereisten’ van redelijkheid en billijkheid gelden, maar volgens vaste jurisprudentie kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid bij de opzegging van een duurovereenkomst een rol spelen, zodat deze bij de toetsing van een opzegging van zo’n overeenkomst altijd aan de orde komen. Het feit dat de huurders een kampeermiddel op de gehuurde grond hebben geplaatst en daarmee een investering hebben gedaan, is een omstandigheid die meespeelt bij die toetsing, maar dat leidt verder niet tot ‘verzwaarde opzeggingsvereisten’, zoals de huurders aanvoeren.

Dat betekent dat het hof hetzelfde toetsingskader hanteert als de kantonrechter:

Op grond van artikel 7:228 lid 2 BW kan de huurovereenkomst worden opgezegd tegen een voor huurbetaling overeengekomen dag op een termijn van tenminste een maand. Uit vaste rechtspraak volgt dat indien de wet en hetgeen tussen partijen is overeengekomen daarvoor ruimte laten, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van artikel 6:248 lid 1 BW kúnnen meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen gesteld worden. Zo kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat, dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen, of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. Verder kan een beroep op een uit de wet of een overeenkomst voortvloeiende bevoegdheid de duurovereenkomst op te zeggen, op grond van artikel 6:248 lid 2 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Het hof gaat er tot slot, net als de kantonrechter, vanuit dat de RECRON-voorwaarden strikt genomen niet van toepassing zijn op de huurovereenkomsten, maar dat daaruit wel een zekere normerende werking uitgaat.

(ii) de opzegging van de huurovereenkomst door de gemeente is rechtsgeldig

Uitgangspunt is dus dat De Fontein de huurovereenkomst op grond van de wet mocht opzeggen zelfs zonder dat daaraan redenen ten grondslag liggen. De huurders beroepen zich ter ondersteuning van hun stelling dat de opzegging niet rechtsgeldig is, allereerst op consumentenbescherming zoals voortvloeiend uit diverse Europese richtlijnen. Het hof zal dat beroep hierna (onder a) behandelen en concluderen dat dat beroep niet opgaat. Vervolgens ligt dan de vraag voor of er nadere eisen gesteld moeten worden aan de opzegging. De kantonrechter heeft die vraag positief beantwoord. Tussen partijen is niet in geschil dat die nadere eisen in dit geval maken dat opzegging slechts mogelijk is met een zwaarwegende grond, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Partijen twisten echter over of: (b) de opzegging voldoet aan de eisen van redelijkheid en billijkheid, te weten of de zwaarwegende grond in dit geval aanwezig is, en in het bijzonder of er sprake is van een concreet en uitvoerbaar plan ten tijde van de opzegging en, in verband daarmee, of De Fontein nu al mocht opzeggen,

( c) sprake is van een derdenbeding of opgewekt vertrouwen, en(d) de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Over die geschilpunten zal het hof hierna oordelen.

(a) Europees consumentenrecht maakt de opzegging niet ongeldig

De huurders vinden dat de impliciete opzeggingsregeling oneerlijk is en dat sprake is van oneerlijke handelspraktijken. Zij verwijzen naar de bepalingen van Richtlijn 93/13/EEG (Richtlijn oneerlijke bedingen), Richtlijn 2011/83/EU (Richtlijn consumentenrechten) en Richtlijn 2005/29/EG (Richtlijn oneerlijke handelspraktijken). De huurders stellen dat De Fontein in strijd heeft gehandeld met de verplichtingen uit die Richtlijnen. De Fontein betwist dat.

Het hof heeft in vergelijkbare gevallen bij eerdere arresten geoordeeld over het beroep op consumentenbescherming bij de opzegging van soortgelijke huurovereenkomsten van een standplaats. Het hof blijft bij de oordelen die het in die zaken heeft gegeven. De huurders hebben geen (andere) argumenten aangedragen die aanleiding geven in deze zaak anders te oordelen. Het hof verwijst dus naar die uitspraken en de in de eindnoot genoemde overwegingen. Verkort weergegeven: er is geen verplichting tot het sluiten van schriftelijke overeenkomsten en/of tot het sluiten van opzegbedingen die afwijken van artikel 7:228 lid 2 BW. Omdat geen opzegbeding is overeengekomen, kan niet worden getoetst aan artikel 6:233 BW (uitgelegd conform de Richtlijn oneerlijke bedingen) en artikel 6:193b tot en met d BW (uitgelegd conform de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken).

Het hof verwerpt dus de stelling de huurders dat de opzegging ongeldig is omdat deze in strijd is met de Europese regelgeving waarop zij zich beroepen. Dat neemt niet weg dat, los van de toepasselijkheid daarvan, de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn, zoals de huurders ook betogen. Dit zal hierna behandeld worden.

(b) toetsing aan de eisen van redelijkheid en billijkheid

Tussen partijen staat vast dat voor de opzegging in dit geval een zwaarwegende grond is vereist. De huurovereenkomst is door De Fontein opgezegd wegens herstructurering. De Fontein is lid van de branchevereniging HISWA-RECRON en heeft zich bij de opzegging laten leiden door de regeling artikel 11 van de RECRON-voorwaarden. Daarin staat dat de ondernemer de overeenkomst kan beëindigen als deze een herstructureringsplan gaat uitvoeren waarvoor de standplaats nodig is. Om tot een opzegging te kunnen overgaan moet sprake zijn van een concreet en haalbaar plan.

Het hof stelt voorop dat sprake is van opzegbare huurovereenkomsten en dat De Fontein als eigenaar in beginsel de vrijheid heeft om de camping te herstructureren. De Fontein heeft in de opzeggingsbrief aangegeven dat zij de camping door de herstructurering robuust en toekomstbestendig wil maken en dat de exploitatie zich zal richten op het in eigen beheer verhuren van verblijfsaccommodaties aan wisselende gasten. Zij verwijst naar een (aangepast) masterplan dat ook bij de opzeggingsbrief is gevoegd. De huurders stellen dat er geen concreet en haalbaar plan was ten tijde van de opzegging. Zij wijzen erop dat het plan dateert van een dag vóór de opzegging, dat de uitvoerbaarheid en de economische haalbaarheid niet vaststond ten tijde van de opzegging en dat er inmiddels ook een ander plan wordt gerealiseerd dan ten tijde van de opzegging voorzien. Bovendien wijzen de huurders erop dat er nog niks is uitgevoerd, zodat de opzegging ook prematuur was.

Het hof gaat daarin niet mee en is het eens met de beoordeling door de kantonrechter (ro. 5.11-5.17), waarnaar het hof ook verwijst. Uit de gang van zaken, zoals onder ro. 3.3 tot en met 3.10 in het vonnis van de kantonrechter weergegeven, blijkt dat De Fontein al vóór de overname in contact stond met de gemeente over haar herstructureringsplannen en dat zij ruggenspraak heeft gehouden, ook met de huurders van de camping (onder meer door informatievoorziening en voorlichtingsbijeenkomsten). Vervolgens heeft zij haar oorspronkelijke plan bijgesteld en een minder ambitieus plan gemaakt, dat beter paste binnen het geldende bestemmingsplan. Dat aangepaste plan heeft zij aan haar opzegging ten grondslag gelegd. Dat er nadien nog wijzigingen en bijstellingen zijn of worden aangebracht op het plan doet er niet aan af dat het plan concreet en uitvoerbaar is. Het feit bijvoorbeeld dat de wijze van exploitatie van de nieuw te bouwen accommodaties is gewijzigd, maakt niet dat sprake is van een heel ander plan, zoals de huurders lijken te betogen. Datzelfde geldt voor de vergunningverlening. De Fontein heeft voldoende onderbouwd dat het plan past binnen het bestemmingsplan en dat voor zover gaandeweg in de uitvoering vergunningen nodig zijn (zoals bijvoorbeeld kapvergunning) die ook (kunnen) worden verkregen. De huurders hebben onvoldoende argumenten aangedragen ter onderbouwing van hun stellingen dat het plan economisch niet houdbaar en uitvoerbaar zou zijn. De planvorming en uitvoering zijn ook daadwerkelijk doorgegaan en het is aannemelijk dat de ontwikkeling van een dergelijk project de nodige tijd in beslag neemt en dat daar bijstellingen in plaatsvinden, zoals De Fontein ook aanvoert. Het hof oordeelt dus dat een zwaarwegende grond voor opzegging aanwezig was.

Voor zover de huurders stellen dat de huurovereenkomsten te vroeg of tegen een te korte termijn zijn opgezegd stuit ook die stelling af op het voorgaande. Daar voegt het hof aan toe dat De Fontein ook pas circa anderhalf jaar na de aankoop van de opzegging is overgegaan en dat de huurovereenkomsten bovendien in november 2023 zijn opgezegd tegen eind 2024. De gehanteerde opzegtermijn is dus ruim een jaar. Het hof oordeelt deze termijn, gelet op de wederzijdse belangen en de aangeboden (schade)vergoeding, redelijk. Daarbij geldt dat de omstandigheid dat bij de opzegging een lagere vergoeding is aangeboden de opzegging niet ongeldig maakt. De kantonrechter heeft daar bovenop een (schade)vergoeding, nader op te maken bij staat, toegewezen. De huurders stellen nog dat geen sprake is geweest van huurdersparticipatie in de besluitvorming en dat hen geen alternatieve standplaats is aangeboden. Tegenover de gemotiveerde betwisting door De Fontein , die heeft gewezen op (nieuws)brieven en informatieavonden (zie ook het vonnis onder 3), hebben zij deze stelling onvoldoende onderbouwd. Tot slot verwerpt het hof ook de stelling van de huurders dat De Fontein zou hebben erkend dat de opzegging niet rechtsgeldig was omdat zij nogmaals heeft opgezegd. In de betreffende brief staat heel duidelijk dat die opzegging alleen is gedaan voor zover vereist en de eerste huuropzegging niet rechtsgeldig zou worden geoordeeld.

De huurders voeren nog aan dat de Fontein c.s. de opzegging heeft gebaseerd op de Recron-voorwaarden, terwijl die voorwaarden niet toepasselijk zijn. In het vonnis van de kantonrechter is gewicht toegekend aan artikel 11 lid 1 sub h van de Recron-voorwaarden. Het vonnis houdt in wezen in dat daarin voor het geval van opzegging van huur van standplaatsen aan de campingeigenaar gedrag wordt voorgeschreven dat volgens maatschappelijk relevante organisaties redelijk en billijk is. Dat de toepasselijkheid va de Recron-voorwaarden niet is overeengekomen, doet hier niets aan af.

Het hof concludeert dat de opzegging voldoet aan de aanvullende eisen van de redelijkheid en billijkheid.

(c) derdenbeding/opgewekt vertrouwen

Volgens de huurders heeft de verkoop plaatsgevonden onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat bestaande huurrelaties zouden worden gerespecteerd èn dat geen opzegging zou plaatsvinden. Zij beroepen zich ter onderbouwing van die stelling op uitlatingen van de verkopers [broer A en B] en menen dat sprake is van een derdenbeding, zodat De Fontein daaraan gebonden is.

Het hof oordeelt dat de huurders deze stelling, tegenover de gemotiveerde betwisting door De Fontein , onvoldoende hebben onderbouwd. De huurders stellen wel dat er een derdenbeding zou zijn en dat dit zou inhouden dat geen opzegging zou plaatsvinden, maar zij verwijzen ter onderbouwing van die stelling in de memorie van grieven naar citaten die niet uit de overgelegde producties blijken. Zo staat in productie 6, waarop de huurders zich beroepen, niet: “wij verkopen uitsluitend onder de voorwaarde dat alle bestaande huurders en hun chalets kunnen blijven”, zoals de huurders stellen, maar: “wij hebben de camping verkocht met de voorwaarde dat bestaande contracten worden gerespecteerd”. Daar staat dus niet dat die contracten niet zouden worden opgezegd. En in productie 9, en ook in de andere brieven van de verkopers, staat niet: “de nieuwe eigenaar heeft toegezegd dat niemand hoeft te vertrekken”, zoals de huurders stellen. Het hof acht het kwalijk dat op deze wijze onjuiste citaten in de memorie van grieven worden opgenomen. Uit de overgelegde brieven en uitingen van de verkoper blijkt op geen enkele wijze dat De Fontein zich heeft verbonden om de huurovereenkomsten niet op te zeggen. Het hof passeert dus het bewijsaanbod van de huurders ten aanzien van het derdenbeding. Voor zover de huurders zich erop beroepen dat sprake is van opgewekt vertrouwen geldt dat dat vertrouwen (mogelijk) is opgewekt door de verkopers, die geen partij zijn in deze procedure.

(d) opzegging niet onaanvaardbaar

De huurders vorderen een verklaring voor recht dat de opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Zij voeren daarvoor geen andere gronden aan dan die hiervoor al zijn behandeld, zodat het hof daarnaar verwijst.

Het hof begrijpt goed dat de huurders groot belang hebben bij voortzetting van de huurovereenkomsten. Zij recreëren daar al lange tijd, hadden er veel sociale contacten en hebben ook investeringen gedaan. Maar daar staat tegenover dat het gaat om accommodaties op een gehuurd stuk grond en opzegbare huurovereenkomsten. Het hof oordeelt dat De Fontein bij de opzegging van de huurovereenkomsten de juiste stappen heeft gezet en voldoende oog heeft gehad voor de belangen van de huurders, zoals hiervoor ook is overwogen. De omstandigheden waaronder De Fontein met gebruikmaking van haar wettelijke opzegbevoegdheid en de daarvoor aanwezige zwaarwegende grond de overeenkomst heeft opgezegd maken die opzegging daarom niet onaanvaardbaar.

(iii) dwangsommen

De kantonrechter heeft aan de veroordeling tot ontruiming van de jaarplaatsen vóór 1 november 2025 een dwangsom verbonden van € 500,- voor iedere dag dat de huurders in gebreke blijven om na betekening van het vonnis aan de veroordeling te voldoen, met een maximum van € 50.000,-. De huurders vorderen (1) te bepalen dat de dwangsommen niet eerder verschuldigd worden dan zes maanden nadat de schadevergoeding onherroepelijk is begroot en betaald, althans (2) te bepalen dat de eventueel verbeurde dwangsommen niet verschuldigd zijn of vermindering daarvan.

Het hof zal de onder (1) weergegeven vordering niet toewijzen. Het vonnis van de kantonrechter is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat de veroordeling tot ontruiming van de jaarplaatsen moest worden nagekomen, ook al hebben de huurders hoger beroep tegen het vonnis ingesteld. Zij moesten dus op basis van het vonnis vóór 1 november 2025/1 januari 2026 de jaarplaatsen ontruimen. De huurders hebben geprobeerd uitstel van die verplichting te krijgen door een incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring in te stellen bij het hof. Zij hebben in dat incident ongelijk gekregen (zie het onder 1.1 genoemde arrest). Dat betekent dat hun juridische middelen om ontruiming tegen te houden waren uitgeput en zij dus moesten ontruimen. Zij hebben dat toch niet gedaan. Volgens de huurders waren zij daartoe gerechtigd omdat ontruiming van de jaarplaatsen pas mag plaatsvinden na onherroepelijke begroting en betaling van de schade. Zij verwijzen naar een uitspraak van dit hof in de Urssemerhof-zaak waaruit dit zou blijken. In die uitspraak is dat echter niet beslist. Er is in dat arrest een veroordeling tot schadevergoeding toegewezen ten aanzien van enkele huurders, waarvan het hof had vastgesteld dat de verhuurders onrechtmatig ten opzichte van hen had gehandeld. Daarvan is hier geen sprake. De huurders hebben geen andere grondslag aangevoerd voor hun stelling dat er eerst een (schade)vergoeding betaald moest worden voordat De Fontein kon executeren en het hof ziet die ook niet.

Het hof wijst het deel van de vordering onder (2) om te bepalen dat de dwangsommen niet verschuldigd zijn af. De huurders hebben deze vordering in het petitum opgenomen, maar die in de memorie van grieven verder niet onderbouwd en daarvoor ook geen juridische grondslag aangevoerd. Ten overvloede overweegt het hof dat de tenuitvoerlegging van het vonnis geen onderwerp is van deze procedure, zodat het hof daarover ook niet kan oordelen. Uitgangspunt was, zoals hiervoor is overwogen, dat de huurders moesten ontruimen omdat zij gevolg moesten geven aan de veroordeling. Door dat niet te doen hebben zij een risico gelopen. De Fontein heeft aangevoerd dat zij de plekken van de standplaatsen nodig hadden voor het laten aanbrengen van elektriciteitsvoorzieningen, zodat ze (na aanzegging) uiteindelijk in april 2026 de standplaatsen zelf heeft ontruimd.

Het hof oordeelt wel dat de door de kantonrechter opgelegde dwangsommen te hoog zijn en ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding om de dwangsommen te matigen tot € 100,- per dag met een maximum van € 10.000-.

Het hof overweegt ten overvloede dat het moeilijk is te begrijpen dat partijen na het vonnis van de kantonrechter, waarin een (schade)vergoeding op te maken bij staat is toegewezen, tot op heden niet tot een inhoudelijke uitwisseling van uitgangspunten van begroting zijn gekomen. Partijen geven elkaar daarvan de schuld. Het hof benadrukt in dit verband nog dat het hier niet gaat om een schadevergoeding uit hoofde van een tekortkoming, maar om een uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeiende verplichting tot het betalen van een (schade)vergoeding naast de opzegging van een in beginsel vrij opzegbare huurovereenkomst.

Conclusie

De conclusie luidt dat opzegging van de huurovereenkomst rechtsgeldig is. Het hoger beroep van de huurders slaagt niet, met uitzondering van de hoogte van de dwangsom. Het hof zal het vonnis van de kantonrechter bekrachtigen en slechts de hoogte en het maximum van de dwangsom aanpassen. Het hof laat de beslissing van de kantonrechter tot compensatie van de proceskosten in stand. Hoewel de subsidiaire vordering tot (schade)vergoeding is toegewezen, zijn de huurders ook in eerste aanleg in het ongelijk gesteld als het gaat om de opzegging van de huurovereenkomst en zijn alle primair ingestelde vorderingen afgewezen. Partijen zijn dus over en weer in het (on)gelijk gesteld en daarbij past compensatie van de kosten. Omdat de huurders in hoger beroep grotendeels in het ongelijk worden gesteld, zal het hof hen veroordelen tot betaling van de proceskosten in hoger beroep. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.

De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland van 2 juli 2025, behoudens de onder 6.4, 6.6 en 6.8 genoemde bedragen van de dwangsommen die hierbij worden vernietigd en wijzigt de hoogte van die dwangsommen telkens in € 100,- voor iedere dag of dagdeel dat de huurders in gebreke zijn om na betekening aan het bepaalde in het vonnis te voldoen met een maximum van € 10.000,-

veroordeelt de huurders tot betaling van de proceskosten van De Fontein in hoger beroep, tot op heden begroot op:

€ 827,- aan griffierecht

€ 2.580 ,- aan salaris van de advocaat (2 procespunten x tarief II)

bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.E.F. Hillen, P.E. Lucassen en H.E. de Boer en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand