[verdachte] ,
Hoger beroep
Onderzoek van de zaak
Het vonnis
Tenlastelegging
Bewezenverklaring
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Strafbaarheid van de verdachte
Oplegging van straf
Vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde]
Wetsartikelen
BESLISSING
Vordering van de [benadeelde]
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004300-25
Uitspraak van 21 september 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 13 oktober 2025 met parketnummer 05-028450-25 in de strafzaak tegen
geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres 1]
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 september 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat de verdachte en haar raadsvrouw, mr. M.E. Broekert, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. N.J.C. van Dorsselaer-Spapen, hebben aangevoerd.
De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld voor medeplichtigheid aan poging tot moord en aan haar een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren opgelegd. De vordering van de [benadeelde] is geheel toegewezen. Daarnaast is aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, inhoudende een contactverbod met [benadeelde] .
Het hof vernietigt het vonnis omdat het tot een andere bewezenverklaring en straf komt. Het hof doet daarom opnieuw recht.
Op de zitting bij de rechtbank Gelderland is de tenlastelegging gewijzigd. Aan de verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:
primairzij in of omstreeks de periode van 10 januari 2025 tot en met 13 januari 2025 te [plaats] , [gemeente] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of haar mededader(s) voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven meermalen, althans eenmaal, met kracht met een mes heeft gestoken in de rug en/of schouder, althans in het lichaam van die [benadeelde] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair[medeverdachte] in of omstreeks de periode van 10 januari 2025 tot en met 13 januari 2025 te [plaats] , [gemeente] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven meermalen, althans eenmaal, met kracht met een mes heeft gestoken in de rug en/of schouder, althans in het lichaam van die [benadeelde] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
bij en/of tot welk feit verdachte in of omstreeks de periode van 10 januari 2025 tot en met 13 januari 2025 te [plaats] , althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft door:
- ( indirect) aan [medeverdachte] kenbaar te maken dat ze de wens heeft dat [benadeelde] om het leven wordt gebracht en/of
- kort voorafgaand aan het misdrijf informatie te delen en/of contact te onderhouden met [medeverdachte] en/of zijn mededaders over de locatie waar [benadeelde] zich bevond en/of de vertrektijd van [benadeelde] en/of wat op de camera van de woning aan de [adres 2] te zien is en/of
- te seinen met de buitenlamp van de woning aan de [adres 2] kort voordat [benadeelde] de woning verliet en/of
- niet (direct) te reageren op geroep/geschreeuw van [benadeelde] en/of hem niet (direct) te hulp te schieten nadat hij is neergestoken.
Bewijsoverweging
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit bewezen kan worden, waaronder ook het medeplegen van het feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Volgens de raadsvrouw is geen sprake van medeplegen of medeplichtigheid, omdat het dossier geen bewijs bevat waaruit blijkt dat de verdachte wetenschap had van dat wat er stond te gebeuren. De verdachte heeft ontkend iets met het steken te maken te hebben en heeft verklaard dat zij mogelijk per ongeluk de buitenlamp aan heeft gedaan. Van seinen was geen sprake, aldus de verdachte.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan. Het hof kan zich daarbij gedeeltelijk verenigen met de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen en gemaakte bewijsoverwegingen en zal deze hieronder (gedeeltelijk) overnemen. Indien en voor zover sprake is van een aanvulling of een aanvullende bewijsoverweging van de kant van het hof, wordt deze niet-cursief weergegeven. Daar waar ‘de rechtbank’ stond, zal ‘het hof’ worden vermeld.
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 13 januari 2025 werd [benadeelde] voor zijn woning in [plaats] met een mes in zijn schouder gestoken. Op het moment dat de hulpdiensten ter plaatse kwamen, zat het mes nog in de schouder van [benadeelde] . Het lemmet van het mes was 20 centimeter lang en 4 centimeter breed. Een deel van het heft ontbrak. Het mes bleek 17 centimeter diep in het lichaam van [benadeelde] gestoken te zijn. Het letsel bestond uit een steekwond ter hoogte van de linkerschouder tot in de borstholte met letsel aan het longweefsel en bloed in de borstholte. De mespunt projecteerde op de röntgenfoto ter hoogte van het hart.
Het hof dient te beoordelen of en hoe verdachten [medeverdachte] en [verdachte] bij de steekpartij zijn betrokken.
Bewijsmiddelen
[medeverdachte] heeft verklaard dat hij op 13 januari 2025 in de vroege ochtend in de [Straat] – de straat waar [verdachte] en [benadeelde] woonden – aanwezig was. Hij hoorde dat er geschreeuwd werd “ [verdachte] , [verdachte] ”.
Op de beelden gemaakt met de camera van de woning van [benadeelde] , is het volgende te zien. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat uit een tijdscontrole blijkt dat de datum en tijd op de camerabeelden (de systeemtijd) 54 minuten en 36 seconden voorloopt op de daadwerkelijke tijd. Op 13 januari 2025 omstreeks 05:40:52 uur (systeemtijd) gaat de buitenlamp van de [adres 2] aan, gaat dan één seconde uit, gaat daarna weer aan en blijft aan. Ongeveer 10 minuten later, omstreeks 05:50:28 uur (systeemtijd), gaat de voordeur open en omstreeks 05:50:38 uur (systeemtijd) loopt [benadeelde] naar buiten in de richting van zijn werkbus. Twee seconden daarna gaat de buitenlamp weer uit en wordt de voordeur vrijwel direct daarna door een ander dan [benadeelde] dicht gedaan. [benadeelde] is nog niet bij zijn werkbus gearriveerd als de lamp uit gaat en de voordeur dicht gaat. Op 6 tot en met 12 januari 2025 blijft de buitenlamp in de vroege ochtend uit. Volgens [benadeelde] zette hij die lamp ook nooit aan. Het is niet nodig om de lamp aan te zetten omdat er genoeg licht buiten van de verlichting is. Bovendien stoort de lamp de camera van de woning omdat je dan een rare waas op de beelden ziet.
[verdachte] heeft verklaard dat zij in de ochtend van 13 januari 2025 naar beneden is gelopen en dat zij de lichtschakelaars bij de voordeur heeft aangedrukt.
Op de camerabeelden is verder te zien dat [benadeelde] naar de bestuurderszijde van de bus loopt en het portier opent. Gelijk nadat [benadeelde] het portier opent, is een schim van een andere persoon achter hem te zien. Er vindt een worsteling tussen de beide personen plaats. Om 04.56.22 (systeemtijd 05:50:58) uur is te zien dat de onbekende persoon wegrent. De persoon raakt tijdens zijn vlucht met zijn linkerhand/arm de buitenzijde van de A-stijl van de bijrijderszijde van een geparkeerde auto aan. De persoon draagt een gewatteerde jas, een capuchon met een andere kleur dan de jas en een donkerkleurige broek met een lichtere of reflecterende streep aan de zijkant van het linker bovenbeen. [benadeelde] komt achter de bus vandaan en loopt naar de voordeur van de [adres 2] . Er steekt een voorwerp uit de achterkant van zijn linkerschouder. [benadeelde] heeft verklaard dat hij toen heeft geroepen “ [verdachte] , [verdachte] ”.
Op beelden van dezelfde camera is op 30 december 2024 te zien dat [medeverdachte] richting de woning aan de [adres 2] loopt. Hij draagt een donkerkleurige broek met lichtkleurige biezen op beide bovenbenen en een jas met capuchon. De kleding vertoont grote overeenkomsten met de kleding van de dader op 13 januari 2025. Er zijn overeenkomsten te zien in de specifieke kenmerken en kleurstelling van de kleding, op nagenoeg exact dezelfde locatie op de kleding.
De buitenzijde van de A-stijl van de geparkeerde auto is bemonsterd op DNA. Er is sprake van een afgeleid DNA-hoofdprofiel gekoppeld aan onbekende man B. Uit DNA-verwantschapsonderzoek blijkt dat de onbekende man B een zoon van [medeverdachte] en [getuige] kan zijn. De kans op het verkregen afgeleide autosomale DNA-profiel is meer dan 1 miljard keer groter wanneer een relatief grote hoeveelheid DNA in deze bemonstering afkomstig is van een zoon van [medeverdachte] en [getuige] (hypothese 1), dan wanneer deze relatief grote hoeveelheid DNA afkomstig is van een man die niet verwant is aan [medeverdachte] en [getuige] (hypothese 2). Het hof neemt deze conclusies van het NFI over en maakt deze tot de zijne.
[medeverdachte] heeft verklaard dat hij en zijn zoon [naam] jassen delen. De jas die [medeverdachte] op 30 december 2024 droeg is van [naam] .
De telefoon van de verdachte is onderzocht door de politie. Daaruit blijkt dat zij op 12 januari 2025 omstreeks 19:19 uur de website [website] bezocht om 19:20 uur
en om 21:12 uur de website [website] .
Op 6 februari 2025 werden beide verdachten gezamenlijk vervoerd in een bus van de Dienst Vervoer & Ondersteuning (hierna: DV&O). De gesprekken tussen de verdachten zijn heimelijk opgenomen. In de opname is te horen dat verdachte [medeverdachte] tegen [verdachte] zegt: ‘ik was aan het wachten toen jij aan het seinen was met die lamp’.
In een eerder stadium (op 15 januari 2025) zijn de telefoons van de verdachten getapt. Geverbaliseerd is dat zij in dat gesprek onder meer het volgende zeggen:
[medeverdachte] : ja, maar weet je wat het is Ik weet niet zeker dat ie me of iets gezien het.
[verdachte] : Hij heeft niets gezien.
[medeverdachte] : ja maa zou .. (opmerking verbalisant: [verdachte] en [medeverdachte] praten heel kort door elkaar)
[verdachte] : Nee.
NTV [het hof begrijpt: niet te verstaan] beetje door de schrik ,.NTV..komen (klinkt als, slecht te verstaan) Ik zal hem even een appje sturen,
[verdachte] : na ja hij heeft e nee, want, dat zegt ie ook ..NTV.. zit ik ut filmpje te kijken Ik,
[medeverdachte] : Ja
[verdachte] ; ik. Ut uh. Hij zeg ook 'het ging zo vlug dak ut nie heb kunnen zien'
[medeverdachte] : ja.
Betrokkenheid van [medeverdachte]
Op grond van voornoemde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat [medeverdachte] degene is geweest die [benadeelde] op 13 januari 2025 in zijn rug/schouder heeft gestoken. Op basis van de camerabeelden kan worden vastgesteld dat het aangetroffen DNA-spoor is achtergelaten door de persoon die [benadeelde] heeft gestoken. Gelet op de matchkans van 1 op 1 miljard staat voor het hof vast dat dit achtergelaten DNA-spoor het DNA betreft van een zoon van [medeverdachte] . Dat past ook bij de verklaring van verdachte [medeverdachte] dat hij en zijn zoon jassen delen en bij de beelden van 30 december 2024 waarop te zien is dat hij een jas van [naam] draagt.
[medeverdachte] is op de vroege ochtend van 13 januari 2025 aanwezig geweest op de [Straat] en heeft direct na het steekincident [benadeelde] horen roepen om zijn vrouw. Verder zegt [medeverdachte] achteraf in de bus van DV&O tegen [verdachte] dat hij aan het wachten was toen zij aan het seinen was met de lamp en blijkt uit camerabeelden dat de buitenlamp kort voordat [benadeelde] naar buiten kwam aan, uit en vervolgens weer aan ging en direct nadat [benadeelde] naar buiten is gelopen weer uit ging. Daaruit leidt het hof af dat [medeverdachte] het in dat gesprek heeft over het moment kort voor het steekincident en hij toen dus aan het wachten was. Het dossier bevat verder geen enkele aanwijzing voor de mogelijkheid dat één van de minderjarige zonen van [medeverdachte] rond 5 uur ’s ochtends op de [Straat] is geweest. Uit de verklaring van [medeverdachte] (p. 233-234) volgt namelijk dat de kinderen thuis waren op het moment dat [benadeelde] werd gestoken. Het hof is dan ook van oordeel dat het verdachte [medeverdachte] is geweest die [benadeelde] heeft gestoken, terwijl hij de jas van zijn zoon droeg.
Steun voor het oordeel dat de verdachte [medeverdachte] heeft gestoken, ziet het hof in de inhoud van het tapgesprek tussen de verdachten met sessienummer 254. Uit de eerdere inhoud van dat gesprek blijkt dat in dat gesprek gesproken wordt over [benadeelde] , omdat de verdachten ervan balen dat hij zijn telefoon weer terug heeft. [medeverdachte] zegt in het bewuste tapgesprek ‘Ik weet niet zeker dat ie me of iets gezien het [het hof begrijpt: heeft]’. De verdachte antwoordt daarop dat hij niets heeft gezien. Het hof begrijpt dit gesprek aldus dat [medeverdachte] zich zorgen maakt dat hij door [benadeelde] is gezien en dat het mogelijk is dat hij alsnog wordt herkend en dat [medeverdachte] daarover door verdachte wordt gerustgesteld met de mededeling dat [benadeelde] niets heeft gezien. De verklaringen van de verdachten dat dit tapgesprek zou gaan over beeldbellen in het ziekenhuis en dat [medeverdachte] wilde weten of [benadeelde] had gezien dat [verdachte] en hij aan het beeldbellen waren en zo achter hun geheime relatie zou komen, schuift het hof ter zijde. De in het gesprek aangehaalde opmerking van [benadeelde] dat het zo vlug ging dat hij niets heeft kunnen zien, past daarbij niet. Daarbij wordt in het tapgesprek ook gesproken over ‘ut [het hof begrijpt: het] filmpje’. Dat van het gestelde beeldbellen een filmpje bestaat blijkt niet.
Betrokkenheid van [verdachte]
Het hof dient te beoordelen welke rol [verdachte] bij het incident heeft gehad.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat [verdachte] ongeveer 10 minuten voordat [benadeelde] de woning verliet en enkele ogenblikken later met een mes werd gestoken, heeft geseind met de buitenlamp door deze op verschillende momenten aan en uit te doen.
Het bij herhaling aan en uit doen van de buitenlamp is naar het oordeel van het hof een bewuste actie geweest. De verdachte heeft verklaard dat zij de schakelaar per ongeluk heeft aangeraakt. Echter, dit verhoudt zich niet met het tot twee keer aan en uit doen van de buitenlamp. Daarvoor moet de schakelaar vier keer bediend worden. Het past bovendien niet bij de inhoud van het DV&O-gesprek waarin het wachten op een sein expliciet wordt benoemd.
Medeplegen
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.
Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Zoals hiervoor bij ‘betrokkenheid van [verdachte] ’ is beschreven, ziet de rol van de verdachte zowel op de voorbereiding van het plan om [benadeelde] te doden en op de uitvoering van dat plan. Het hof dicht daarmee de verdachte een grotere rol toe dan de rechtbank heeft gedaan. Op het cruciale moment heeft [verdachte] naar [medeverdachte] , die [benadeelde] op het juiste tijdstip stond op te wachten bij diens werkbus, geseind. Het hof spreekt van een cruciaal moment omdat de tijdsspanne waarop [benadeelde] zich buiten bevindt zeer kort is. Tussen het verlaten van de woning door [benadeelde] omstreeks 05:50:38 uur (systeemtijd) terwijl de buitenlamp voor de tweede keer uitgaat en het wegrennen van [medeverdachte] na het steken om 04.56.22 (in beeld 05:50:58) uur zit slechts twintig seconden. Gelet op het vroege tijdsstip van vertrek door [benadeelde] en het korte moment tussen het verlaten van het huis en instappen in de werkbus, is de rol van [verdachte] rondom het steken van groot belang geweest. Dit heeft [medeverdachte] in staat gesteld op het ‘juiste’ moment te handelen.
Seinen impliceert dat een gezamenlijk plan is gemaakt. De ontvanger weet immers dat na het sein een actie moet plaatsvinden en de zender weet dat de ander op het signaal wacht. Het voor de laatste keer uitdoen van de buitenlamp, kan – nu [medeverdachte] dit zelf als “seinen” heeft aangeduid – niet anders worden gezien dan dat [verdachte] [medeverdachte] daarmee op de hoogte bracht van het feit dat [benadeelde] op weg was naar zijn werkbus. De rol van [verdachte] strekt zich dus uit van zowel het smeden van het plan tot bij de uitvoering daarvan. Deze rol is naar het oordeel van het hof van voldoende gewicht om te spreken van een bewuste en nauwe samenwerking. Dit maakt dat het hof medeplegen van het feit bewezen acht.
Opzet Voor een bewezenverklaring van het medeplegen van een poging tot moord moet verder sprake zijn van opzet op het overlijden van het slachtoffer. Het mes zat zeventien centimeter in het lichaam van [benadeelde] . Het lemmet is twintig centimeter lang. Daaruit leidt het hof af dat er met kracht is gestoken. Het hof is van oordeel dat [medeverdachte] door met kracht een groot mes in de schouder/rug te steken, dichtbij belangrijke organen zoals de longen en het hart, vol opzet heeft gehad op het doden van [benadeelde] . Uit het ‘startsein’ van [verdachte] volgt haar opzet op het delict, nu zij samen volgens plan hebben gehandeld. Naar de uiterlijke verschijningsvorm kan het handelen van [medeverdachte] niet anders worden gezien dan een poging om [benadeelde] te doden. Dat [medeverdachte] [benadeelde] van achteren heeft benaderd draagt hieraan bij. Hierdoor kon [benadeelde] zich namelijk moeilijk verweren. Hieruit volgt zowel het opzet op de samenwerking als het opzet op de gedraging van het gronddelict.
Het hof verwerpt met het voorgaande de verweren dat uit het dossier niet valt op te maken dat de verdachte wetenschap had van dat wat er stond te gebeuren. Zij heeft doelbewust geseind. Dat wel degelijk sprake is van een afgesproken sein volgt ook uit inhoud van het gesprek dat verdachte en [medeverdachte] hebben gevoerd in de bus van DV&O, in combinatie met het korte tijdsverloop van de gebeurtenissen op de camerabeelden na het voor de tweede keer uitdoen van de buitenlamp. Het inloggen op de site van [bedrijf] op de avond voor het steekincident draagt naar het oordeel van het hof bij aan de overtuiging dat [medeverdachte] wetenschap had van dat wat er stond te gebeuren – een aanslag op het leven van [benadeelde] – en dus bezig was met de dood van [benadeelde] . De verklaring van de verdachte ter terechtzitting bij het hof dat zij niet kon slapen, zij toen haar e-mail ging opschonen en daarom de e-mail van [bedrijf] van 12 november 2024 tegenkwam, acht het hof ongeloofwaardig. Als zij enkel haar e-mail had opgeschoond had zij niet op die link hoeven klikken en was zij ook niet op drie tijdsstippen op de website van [bedrijf] uitgekomen.
Voorbedachte raad
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat zij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat zij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen
[medeverdachte] is in de vroege ochtend van 13 januari 2025 naar [plaats] gereden en heeft in de straat gewacht en zich ergens verstopt tot [benadeelde] naar buiten kwam. Zodra [benadeelde] – na het sein van [verdachte] – bij zijn bus was en het portier opende, heeft [medeverdachte] hem direct achter in zijn rug/schouder gestoken. Na het steken is [medeverdachte] weggerend. Hieruit blijkt dat het handelen van [medeverdachte] en van [verdachte] doelgericht en doordacht is geweest. Zij hebben beiden voldoende tijd en gelegenheid gehad om zich op hun handelen te beraden. Dat daarvan sprake is geweest volgt ook uit de DV&O-verklaring. [medeverdachte] stond immers te wachten toen [verdachte] aan het seinen was. Dit duidt op planmatig en afgestemd handelen, waarin verdachte als medepleger een groot aandeel heeft gehad. Van contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachten rade is niet gebleken. Het hof komt daarom tot de conclusie dat [verdachte] met voorbedachten rade heeft gehandeld.
Conclusie
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde, te weten het medeplegen van een poging tot moord.
Voorwaardelijk verzoek
Door de verdediging is het voorwaardelijke verzoek gedaan om [getuige] (de toenmalige partner van [medeverdachte] ) als getuige te horen. Als voorwaarde voor dit verzoek is gesteld dat het hof de verklaring van [getuige] gebruikt voor het bewijs, dan wel dat het hof verdachte niet vrijspreekt. Het hof heeft de verklaring van [getuige] niet gebruikt voor het bewijs, zodat aan de eerste voorwaarde niet is voldaan. Aan de tweede voorwaarde is voldaan. Niettemin begrijpt het hof het verzoek aldus dat dit erop is gebaseerd “dat de kern van de beschuldiging mede uit verklaringen van [getuige] voortvloeit”.
Het hof heeft het verzoek beoordeeld op basis van de maatstaf van het noodzakelijkheidscriterium vanwege het moment waarop het getuigenverzoek is gedaan.
Het hof kan uit de verklaring van [getuige] niet de opdracht destilleren om [benadeelde] van het leven te beroven. De opmerking van de verdachte op oudjaarsavond is niet heimelijk maar in alle openheid gedaan in het bijzijn van [getuige] . Om die opmerking vervolgens als een opdracht aan te merken, gaat het hof te ver. De verklaring [getuige] wordt dus ook niet in belastende zin uitgelegd. De noodzaak tot het horen van [getuige] is daarom niet gebleken, wegens een gebrek aan belang.
Het hof wijst het voorwaardelijk verzoek af.
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
primairzij in of omstreeks de periode van 10 januari 2025 tot en met op 13 januari 2025 te [plaats] , [gemeente] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of haar mededader(s) voorgenomen misdrijf om [benadeelde] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven meermalen, althans eenmaal, met kracht met een mes heeft gestoken in de rug en/of schouder, althans in het lichaam van die [benadeelde] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het hof spreekt de verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van poging tot moord.
De verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat de verdachte niet strafbaar is.
De rechtbank Gelderland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar (met aftrek van het voorarrest).
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaren (met aftrek van het voorarrest). Verder is gevorderd een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen en de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht, mocht het hof tot een bewezenverklaring komen, rekening te houden met het feit dat het onduidelijk is of de baby mee kan naar de gevangenis. Daarnaast is primair verzocht het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen. Subsidiair is verzocht om de voorlopige hechtenis opnieuw te schorsen.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft zich samen met [medeverdachte] schuldig gemaakt aan een poging tot moord op [benadeelde] , de toenmalige partner van de verdachte. [benadeelde] vertrok op de vroege ochtend van 13 januari 2025 – nietsvermoedend en met de waan van een normale dag voor zich – naar zijn werk. Direct nadat hij zijn woning had verlaten werd [benadeelde] van achteren aangevallen door [medeverdachte] met een groot mes. De verdachte had [medeverdachte] kort daarvoor met lichtsignalen ingeseind dat [benadeelde] eraan kwam. [benadeelde] is in zijn schouder gestoken. [medeverdachte] heeft met zo veel kracht gestoken dat het mes maar liefst zeventien centimeter het lichaam van [benadeelde] is binnengedrongen, tot op slechts enkele millimeters van zijn hart. [benadeelde] heeft enorm geluk gehad dat hij deze moordaanslag heeft overleefd. Deze aanslag heeft bij [benadeelde] niet alleen fysieke sporen nagelaten maar zal ook ernstige psychische gevolgen voor hem hebben. De wetenschap dat zijn eigen partner en iemand die hij als een vriend zag, hebben samengespannen om hem van het leven te beroven en om bovendien zijn kinderen hun eigen vader te ontnemen, zal onbegrijpelijk en onverteerbaar voor [benadeelde] zijn. De gebeurtenissen zullen ook op de kinderen van [benadeelde] een grote impact hebben, ook al omdat een van de daders van de aanslag op hun vader nota bene hun eigen moeder is.
Waarom [benadeelde] nou zo nodig dood moest – iets wat ook [benadeelde] zich nadrukkelijk afvraagt – is voor het hof onduidelijk gebleven. Maar dat deze aanslag samenhangt met of is ingegeven door de heimelijke liefdesrelatie die de verdachte en [medeverdachte] er op dat moment op na hielden, lijkt voor de hand te liggen. Maar duidelijkheid hierover hebben de verdachte en [medeverdachte] niet willen geven. Ze hebben geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor hun daden. Ze bleven volharden in hun ontkenning ook maar iets te maken hebben met de aanslag. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte samen met [medeverdachte] hoe dan ook blijk gegeven van een berekenende en kille onverschilligheid voor het leven en het lot van [benadeelde] , nota bene haar eigen partner op dat moment. Dat uitte zich onder meer ook door al de eerste nacht na de aanslag samen een kamer te boeken in een hotel en daar de nacht door te brengen. Dit alles rekent het hof de verdachten zwaar aan.
Bij dit feit past, gelet op de ernst ervan, geen andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur.
Wat betreft de persoon van de verdachte heeft het hof kennis genomen van:
De inhoud van deze stukken zijn niet van invloed op de op te leggen straf.
Van strafverminderende omstandigheden is in deze zaak geen sprake. Deze zijn niet aangevoerd en door het hof in het dossier niet aangetroffen. Hoewel de verdachte niet heeft gestoken, is haar rol wel te kwalificeren als medepleger. Het hof ziet daarin geen aanleiding aan haar een lagere straf op te leggen dan aan [medeverdachte] .
Gelet op de ernst van het feit en het uitgangspunt dat bij dit feit geen andere straf past dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur, is het hof van oordeel dat de strafeis van de advocaat-generaal passend is. Het hof zal deze daarom volgen. Het hof zal daarom aan de verdachte een gevangenisstraf opleggen van de duur van tien jaren (met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis). Deze straf is gelijk aan de straf die aan de [medeverdachte] (21-004274-25) is opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vrijheidsbeperkende maatregel
Het hof zal geen locatie- of contactverbod opleggen aan de verdachte, zoals is verzocht door [benadeelde] . Een vrijheidsbeperkende maatregel kan worden opgelegd ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten. Het hof ziet op dit moment onvoldoende concrete aanwijzingen dat aan die vereisten is voldaan.
Voorlopige hechtenis
Bij dit arrest heeft het hof opnieuw een afweging te maken over de voorlopige hechtenis, vanwege het verzoek tot het opheffen van de voorlopige hechtenis dan wel het verzoek tot het opheffen van de schorsing.
De verdachte loopt vanaf 16 juni 2026 tot aan de einduitspraak in hoger beroep in een schorsing van de voorlopige hechtenis. De grondslag van de voorlopige hechtenis betreft de ernstige bezwaren met de 12-jaarsgrond en de grond van het veroordelend vonnis. Hoewel deze grondslag, en dan met name de 12-jaarsgrond, zich niet goed met een schorsing verhoudt, zag het hof destijds aanleiding om de verdachte te schorsen, omdat zij toen hoogzwanger was en binnen enkele weken ging bevallen van haar kind. Door de schorsing kon zij buiten detentie bevallen en haar kraamtijd in huiselijke omgeving doorbrengen. Deze schorsing heeft drie maanden geduurd. Nu er geen zitting heeft plaatsgevonden over het overtreden van schorsingsvoorwaarden, gaat het hof ervanuit dat de schorsingsvoorwaarden zijn nageleefd. Nu de kraamtijd ten einde komt, raakt het toen aangenomen persoonlijke belang meer naar de achtergrond en weegt het strafvorderlijk belang, en dan met name ook dat van [benadeelde] als slachtoffer in deze zaak, inmiddels zwaarder dan het belang van de verdachte. Omdat de schorsing duurt tot aan de einduitspraak, zal het hof enkel het verzoek tot het opheffen van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis afwijzen. Daarmee zal de voorlopige hechtenis voortduren. Een hernieuwde schorsing, zoals subsidiair door de raadsvrouw is verzocht, is naar het oordeel van het hof niet aan de orde, omdat van zwaarder wegende persoonlijke omstandigheden zoals hiervoor is overwogen niet is gebleken.
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 10.575,00 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de
benadeelde partij (hoofdelijk) kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, vanwege de bepleite integrale vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouw te kennen gegeven geen opmerkingen te hebben ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.
Oordeel van het hof
Materiële schade
Op de zitting en uit het dossier is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het primair bewezenverklaarde strafbare handelen van de verdachte, namelijk het steken met een mes in zijn rug/schouder door medepleger [medeverdachte] .
De vergoeding van het ziekenhuisdaggeld komt het hof redelijk voor, omdat uit de stukken blijkt van een ziekenhuisopname van een aantal dagen. Ook het gevorderde eigen risico komt het hof redelijk voor, omdat [benadeelde] door de ziekenhuisopname is het eigen risico heeft verbruikt. Verder zijn deze schadeposten inhoudelijk niet betwist. De verdachte moet die materiële schade vergoeden. De vordering wordt daarom toegewezen.
Immateriële schade
Het hof stelt vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit, te weten het medeplegen van poging tot moord. Het lichamelijk letsel heeft bestaan uit een steekwond tot in de borstholte met letsel
aan het longweefsel en bloed in de borstholte.
Immateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Naast de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, heeft het hof bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere aantastingen in de persoon.
Het hof zoekt aansluiting bij de categorie minder ernstig borstletsel met een bandbreedte
€ 8.500,00 tot € 12.000,00 en houdt rekening met de volgende omstandigheden. [benadeelde] heeft het hiervoor genoemde letsel opgelopen. Het mes bevond zich ongeveer zeventien centimeter in de borstkas.
Het hof zoekt daarnaast aansluiting bij categorie minder ernstige littekenvorming (op andere delen van het lichaam dan het gezicht) met een bandbreedte € 1.500,00 tot € 5.500,00 en houdt rekening met de volgende omstandigheden. Aan zowel het steekincident als het plaatsen van de drain heeft [benadeelde] een zichtbaar litteken overgehouden.
Gelet op de bandbreedtes van beide categorieën en de benodigde medische behandeling zal het hof de gevorderde immateriële schade geheel toewijzen.
Wettelijke rente
Het hof bepaalt de datum van de wettelijke rente van de materiële schade op twee data, te weten 18 januari 2025 en de datum van dit arrest. De laatste dag van de ziekenhuisopname was namelijk op 18 januari 2025. Van het eigen risico ontbreekt een factuur, zodat de wettelijke rente voor dat bedrag wordt bepaald op de datum van dit arrest.
De datum van de wettelijke rente ten aanzien van de immateriële schade wordt bepaald op de datum van het delict.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Gijzeling
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 77 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
Proceskosten
Gelet op het vorenstaande dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Hoofdelijk
De verdachte heeft het bewezenverklaarde feit samen met [medeverdachte] gepleegd en zij zijn samen naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Het hof bepaalt daarom dat wanneer de schadevergoeding door de mededader is betaald, de verdachte dit bedrag niet meer aan [benadeelde] hoeft te betalen, en andersom.
De straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 45, 47 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.575,00 (tienduizend vijfhonderdvijfenzeventig euro) bestaande uit € 575,00 (vijfhonderdvijfenzeventig euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.575,00 (tienduizend vijfhonderdvijfenzeventig euro) bestaande uit € 575,00 (vijfhonderdvijfenzeventig euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 77 (zevenenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
- 18 januari 2025 over een bedrag van € 190,00 ter zake van ziekenhuisdaggeldvergoeding; - 21 september 2026 over een bedrag van € 385,00 ter zake van eigen risico; en
- 13 januari 2025 ten aanzien van de immateriële schade.
Wijst af het verzoek tot het opheffen van het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.
Wijst af het verzoek tot het schorsen van de voorlopige hechtenis.
Wijst af het voorwaardelijke verzoek tot het horen van [getuige] als getuige.
Aldus gewezen door
mr. M. Keppels, voorzitter,
mr. D.R. Sonneveldt en mr. T. Bertens, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T. Lammerdink, griffier,
en op 21 september 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.