[verdachte ] ,
geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 september 2026 en het onderzoek op de terechtzitting bij de rechtbank.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. B.M.C.F. de Groen, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. N.J.C. van Dorsselaer-Spapen, hebben aangevoerd.
Het vonnis
De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld voor poging tot moord en aan hem een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren opgelegd. De vordering van de [benadeelde partij] is geheel toegewezen. Daarnaast is aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, inhoudende een contactverbod met [benadeelde partij] .
Het hof vernietigt het vonnis omdat het tot een andere bewezenverklaring komt. Het hof doet daarom opnieuw recht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 10 januari 2025 tot en met 13 januari 2025 te [plaats 1] , [gemeente] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven meermalen, althans eenmaal, met kracht met een mes heeft gestoken in de rug en/of schouder, althans in het lichaam van die [benadeelde partij] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Bewijsoverweging
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit bewezen kan worden, waaronder ook het medeplegen van het feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Volgens de raadsman kan niet met zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte de persoon is geweest die heeft gestoken. De verdachte heeft ontkend dat hij iets met het steekincident te maken heeft.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Het hof kan zich daarbij grotendeels verenigen met de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen en gemaakte bewijsoverwegingen en zal deze hieronder (grotendeels) overnemen. Indien en voor zover sprake is van een aanvulling of een aanvullende bewijsoverweging van de kant van het hof, wordt deze niet-cursief weergegeven. Daar waar ‘de rechtbank’ stond, zal ‘het hof’ worden vermeld.
De feiten
Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.
Op 13 januari 2025 werd [benadeelde partij] voor zijn woning in [plaats 1] met een mes in zijn schouder gestoken. Op het moment dat de hulpdiensten ter plaatse kwamen, zat het mes nog in de schouder van [benadeelde partij] . Het lemmet van het mes was 20 centimeter lang en 4 centimeter breed. Een deel van het heft ontbrak. Het mes bleek 17 centimeter diep in het lichaam van [benadeelde partij] gestoken te zijn. Het letsel bestond uit een steekwond ter hoogte van de linkerschouder tot in de borstholte met letsel aan het longweefsel en bloed in de borstholte. De mespunt projecteerde op de röntgenfoto ter hoogte van het hart.
Het hof dient te beoordelen of en hoe [verdachte ] en [medeverdachte] bij de steekpartij zijn betrokken.
Bewijsmiddelen
[verdachte ] heeft verklaard dat hij op 13 januari 2025 in de vroege ochtend in de [straat] – de straat waar [medeverdachte] en [benadeelde partij] woonden – aanwezig was. Hij hoorde dat er geschreeuwd werd “ [medeverdachte] , [medeverdachte] ”.
Op de beelden gemaakt met de camera van de woning van [benadeelde partij] , is het volgende te zien. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat uit een tijdscontrole blijkt dat de datum en tijd op de camerabeelden (de systeemtijd) 54 minuten en 36 seconden voorloopt op de daadwerkelijke tijd. Op 13 januari 2025 omstreeks 05:40:52 uur (systeemtijd) gaat de buitenlamp van de [adres 2] aan, gaat dan één seconde uit, gaat daarna weer aan en blijft aan. Ongeveer 10 minuten later, omstreeks 05:50:28 uur (systeemtijd), gaat de voordeur open en omstreeks 05:50:38 uur (systeemtijd) loopt [benadeelde partij] naar buiten in de richting van zijn werkbus. Twee seconden daarna gaat de buitenlamp weer uit en wordt de voordeur vrijwel direct daarna door een ander dan [benadeelde partij] dicht gedaan. [benadeelde partij] is nog niet bij zijn werkbus gearriveerd als de lamp uit gaat en de voordeur dicht gaat. Dat die lamp aangaat, wijkt af van het normale patroon. Van 6 tot en met 12 januari 2025 blijft de buitenlamp in de vroege ochtend uit. Volgens [benadeelde partij] zette hij die lamp ook nooit aan. Het is niet nodig om de lamp aan te zetten omdat er genoeg licht buiten van de verlichting is. Bovendien stoort de lamp de camera van de woning omdat je dan een rare waas op de beelden ziet. [medeverdachte] heeft verklaard dat zij in de ochtend van 13 januari 2025 naar beneden is gelopen en dat zij de lichtschakelaars bij de voordeur heeft aangedrukt.
Op de camerabeelden is verder te zien dat [benadeelde partij] naar de bestuurderszijde van de bus loopt en het portier opent. Gelijk nadat [benadeelde partij] het portier opent, is een schim van een andere persoon achter hem te zien. Er vindt een worsteling tussen de beide personen plaats. Om 04.56.22 (systeemtijd 05:50:58) uur is te zien dat de onbekende persoon wegrent. De persoon raakt tijdens zijn vlucht met zijn linkerhand/arm de buitenzijde van de A-stijl van de bijrijderszijde van een geparkeerde auto aan. De persoon draagt een gewatteerde jas, een capuchon met een andere kleur dan de jas en een donkerkleurige broek met een lichtere of reflecterende streep aan de zijkant van het linker bovenbeen. [benadeelde partij] komt achter de bus vandaan en loopt naar de voordeur van de [adres 2] . Er steekt een voorwerp uit de achterkant van zijn linkerschouder. [benadeelde partij] heeft verklaard dat hij toen heeft geroepen “ [medeverdachte] , [medeverdachte] ”.
Op beelden van dezelfde camera is op 30 december 2024 te zien dat [verdachte ] richting de woning aan de [adres 2] loopt. Hij draagt een donkerkleurige broek met lichtkleurige biezen op beide bovenbenen en een jas met capuchon. De kleding vertoont grote overeenkomsten met de kleding van de dader op 13 januari 2025. Er zijn overeenkomsten te zien in de specifieke kenmerken en kleurstelling van de kleding, op nagenoeg exact dezelfde locatie op de kleding.
De buitenzijde van de A-stijl van de geparkeerde auto is bemonsterd op DNA. Er is sprake van een afgeleid DNA-hoofdprofiel gekoppeld aan onbekende man B. Uit DNA-verwantschapsonderzoek blijkt dat de onbekende man B een zoon van [verdachte ] en [Getuige] kan zijn. De kans op het verkregen afgeleide autosomale DNA-profiel is meer dan 1 miljard keer groter wanneer een relatief grote hoeveelheid DNA in deze bemonstering afkomstig is van een zoon van [verdachte ] en [Getuige] (hypothese 1), dan wanneer deze relatief grote hoeveelheid DNA afkomstig is van een man die niet verwant is aan [verdachte ] en [Getuige] (hypothese 2). Het hof neemt deze conclusies van het NFI over en maakt deze tot de zijne.
[verdachte ] heeft verklaard dat hij en zijn zoon [zoon verdachte] jassen delen. De jas die [verdachte ] op 30 december 2024 droeg is van [zoon verdachte] .
Op 6 februari 2025 werden beide verdachten gezamenlijk vervoerd in een bus van de Dienst Vervoer & Ondersteuning (hierna: DV&O). De gesprekken tussen de verdachten zijn heimelijk opgenomen. In de opname is te horen dat [verdachte ] tegen [medeverdachte] zegt: ‘ik was aan het wachten toen jij aan het seinen was met die lamp’.
In een eerder stadium zijn de telefoons van de verdachten getapt. Geverbaliseerd is dat zij in een gesprek van 15 januari 2025 het volgende zeggen:
[verdachte ] : ja, maar weet je wat het is Ik weet niet zeker dat ie me of iets gezien het.
[medeverdachte] : Hij heeft niets gezien.
[verdachte ] : ja maa zou .. (opmerking verbalisant: [medeverdachte] en [verdachte ] praten heel kort door elkaar)
[medeverdachte] : Nee.
NTV [het hof begrijpt: niet te verstaan] beetje door de schrik ,.NTV..komen (klinkt als, slecht te verstaan) Ik zal hem even een appje sturen,
[medeverdachte] : na ja hij heeft e nee, want, dat zegt ie ook ..NTV.. zit ik ut filmpje te kijken Ik,
[verdachte ] : Ja
[medeverdachte] ; ik. Ut uh. Hij zeg ook 'het ging zo vlug dak ut nie heb kunnen zien'
[verdachte ] : ja.
Betrokkenheid van [verdachte ]
Op grond van voornoemde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat verdachte degene is geweest die [benadeelde partij] op 13 januari 2025 in zijn rug/schouder heeft gestoken. Op basis van de camerabeelden kan worden vastgesteld dat het aangetroffen DNA-spoor is achtergelaten door de persoon die [benadeelde partij] heeft gestoken. Gelet op de matchkans van 1 op 1 miljard staat voor het hof vast dat dit achtergelaten DNA-spoor het DNA betreft van een zoon van [verdachte ] . Dat past ook bij de verklaring van verdachte dat hij en zijn zoon jassen delen en bij de beelden van 30 december 2024 waarop te zien is dat hij een jas van [zoon verdachte] draagt.
[verdachte ] is op de vroege ochtend van 13 januari 2025 aanwezig geweest op de [straat] en heeft direct na het steekincident [benadeelde partij] horen roepen om zijn vrouw. Verder zegt [verdachte ] achteraf in de bus van DV&O tegen [medeverdachte] dat hij aan het wachten was toen zij aan het seinen was met de lamp en blijkt uit camerabeelden dat de buitenlamp kort voordat [benadeelde partij] naar buiten kwam aan, uit en vervolgens weer aan ging en direct nadat [benadeelde partij] naar buiten is gelopen weer uit ging. Daaruit leidt het hof af dat [verdachte ] het in dat gesprek heeft over het moment kort voor het steekincident en hij toen dus aan het wachten was. Het dossier bevat verder geen enkele aanwijzing voor de mogelijkheid dat één van de minderjarige zonen van [verdachte ] rond 5 uur ’s ochtends op de [straat] is geweest. Uit de verklaring van [verdachte ] (p. 233-234) volgt namelijk dat de kinderen thuis waren op het moment dat [benadeelde partij] werd gestoken. Het hof is dan ook van oordeel dat het [verdachte ] is geweest die [benadeelde partij] heeft gestoken, terwijl hij de jas van zijn zoon droeg.
Dat niet ook DNA van verdachte op de auto is aangetroffen, staat aan dat oordeel niet in de weg. Anders dan de raadsman leidt het hof uit de beschrijving van de beelden dat de dader met zijn “linkerhand/arm” de auto raakt niet af dat die auto dus ook met een (blote) hand is aangeraakt. De beschrijving van de in de nacht en op aanzienlijke afstand gemaakte beelden laat de mogelijkheid open dat de auto slechts met de mouw van de jas is geraakt en op die mouw DNA van de zoon van verdachte aanwezig was. Dat geen DNA van verdachte is aangetroffen duidt er, anders dan de verdediging stelt, in dit geval niet op dat verdachte (dus) niet de steker is geweest. Uit het dossier volgt immers dat naast het DNA van de zoon van verdachte geen (bruikbaar) DNA van een ander is aangetroffen. Echter, dat er een steker was en dat deze de auto heeft aangeraakt, kan op grond van het dossier worden vastgesteld.
Steun voor het oordeel dat de [verdachte ] heeft gestoken, ziet het hof in de inhoud van het tapgesprek tussen de verdachten met sessienummer 254. Uit de eerdere inhoud van dat gesprek blijkt dat in dat gesprek gesproken wordt over [benadeelde partij] , omdat de verdachten ervan balen dat hij zijn telefoon weer terug heeft. [verdachte ] zegt in het bewuste tapgesprek ‘Ik weet niet zeker dat ie me of iets gezien het [het hof begrijpt: heeft]’. [medeverdachte] antwoordt daarop dat hij niets heeft gezien. Het hof begrijpt dit gesprek aldus dat verdachte zich zorgen maakt dat hij door [benadeelde partij] is gezien en dat het mogelijk is dat hij alsnog wordt herkend en dat verdachte daarover door [medeverdachte] wordt gerustgesteld met de mededeling dat [benadeelde partij] niets heeft gezien. De verklaringen van de verdachten dat dit tapgesprek zou gaan over beeldbellen in het ziekenhuis en dat verdachte wilde weten of [benadeelde partij] had gezien dat [medeverdachte] en hij aan het beeldbellen waren en zo achter hun geheime relatie zou komen, schuift het hof ter zijde. De in het gesprek aangehaalde opmerking van [benadeelde partij] dat het zo vlug ging dat hij niets heeft kunnen zien, past daarbij niet. Daarbij wordt in het tapgesprek ook gesproken over ‘ut [het hof begrijpt: het] filmpje’. Dat van het gestelde beeldbellen een filmpje bestaat blijkt niet.
Dat op het mes geen DNA van de verdachte is aangetroffen, maakt niet dat het hof tot een ander oordeel komt. De door de verdediging ingenomen stelling dat zijn DNA op het mes had moeten zitten, als ervan uit wordt gegaan dat [verdachte ] de steker is, volgt het hof niet. De verdediging doet daarbij de aanname dat de steker geen handschoenen heeft gedragen, terwijl dat niet volgt uit het dossier. Daarnaast bleek het heft van het mes te ontbreken, terwijl juist dat als grootste potentiële sporendrager kan worden gezien.
Door de verdediging is verder aangevoerd dat de verdachte aan zijn pink was geopereerd en een spalk moest dragen. Naar het oordeel van het hof volgt uit die omstandigheden niet zonder meer dat de verdachte niet in staat was een mes vast te houden en met kracht te steken en staan deze dus niet aan een bewezenverklaring in de weg.
Ook verwerpt het hof het standpunt van de verdediging dat op basis van de verklaring van [benadeelde partij] en de camerabeelden kan worden vastgesteld dat de steker geen bril droeg, terwijl [verdachte ] wel brildragend is. Uit de verklaring van [benadeelde partij] (p. 686) volgt juist het tegendeel: ‘Hij had alles bedekt. Zijn hoofd kon ik niet zien, alles bedekt. Ik zag geen mond, geen neus, geen ogen, het ging zo snel’. Ook zijn de afbeeldingen van de camerabeelden in het dossier van zodanige kwaliteit dat daarop niet is te zien of de afgebeelde persoon wel of niet een bril draagt.
Tot slot staat aan het oordeel van het hof dat verdachte de steker was, niet in de weg dat de steker op 13 januari 2025 (mogelijk) niet de Malelions-broek droeg die onder verdachte in beslag is genomen en die op p. 759 van het dossier is afgebeeld en die, zo zou uit foto’s van camerabeelden in het dossier kunnen worden afgeleid, door verdachte op 12 januari 2025 werd gedragen. Het hof acht voor de bewezenverklaring doorslaggevend dat de politie camerabeelden van 30 december 2024, waarop verdachte een zwarte sportbroek met witte streep draagt, heeft vergeleken met de beelden van 13 januari 2025. De beelden zijn naast elkaar geplaatst en vijf specifieke kenmerken van de kledingcombinaties zijn weergegeven. Daarnaast is er een overeenkomst in de kleurstelling van kledingcombinatie waarneembaar, in het donker, op nagenoeg exact dezelfde locatie. Hieruit trekt het hof de conclusie dat het om dezelfde gewatteerde jas en ook dezelfde broek gaat.
Opzet
Voor een bewezenverklaring van een poging tot moord moet sprake zijn van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het overlijden van het slachtoffer. Het mes zat zeventien centimeter in het lichaam van het slachtoffer. Het lemmet was twintig centimeter lang. Daaruit leidt het hof af dat er met kracht is gestoken. Het hof is van oordeel dat [verdachte ] door met kracht een groot mes in de schouder/rug te steken, dichtbij belangrijke organen zoals de longen en het hart, vol opzet heeft gehad op het doden van [benadeelde partij] . Naar uiterlijke verschijningsvorm kan het handelen van verdachte niet anders worden gezien dan als een poging om [benadeelde partij] te doden. Dat [verdachte ] [benadeelde partij] van achteren heeft benaderd draagt hieraan bij. Hierdoor kon [benadeelde partij] zich namelijk moeilijk verweren.
Voorbedachte raad
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden om aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen
[verdachte ] is in de vroege ochtend van 13 januari 2025 naar [plaats 1] gereden en heeft in de straat gewacht en zich verstopt tot [benadeelde partij] naar buiten kwam. Zodra [benadeelde partij] bij zijn bus was en het portier opende, heeft [verdachte ] hem direct achter in zijn rug/schouder gestoken. Na het steken is [verdachte ] weggerend en naar zijn werk in [plaats 2] gereden om daar zijn gebruikelijke werkzaamheden uit te voeren. Hieruit blijkt dat het handelen van [verdachte ] doelgericht en doordacht is geweest. Hij heeft voldoende tijd en gelegenheid gehad om zich op zijn handelen te beraden. Dat daarvan sprake is geweest volgt ook uit de inhoud van het gesprek dat de verdachte en [medeverdachte] hebben gevoerd in de bus van DV&O. De verdachte stond immers te wachten toen [medeverdachte] aan het seinen was. Dit duidt op planmatig handelen. Van contra-indicaties voor het aannemen van voorbedachten rade is niet gebleken. Het hof komt daarom tot de conclusie dat [verdachte ] met voorbedachten rade heeft gehandeld.
Betrokkenheid van [medeverdachte]
Het hof dient verder te beoordelen welke rol [medeverdachte] bij de poging tot moord op [benadeelde partij] heeft gehad. De betrokkenheid aan een strafbaar feit kan als medeplegen worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat [medeverdachte] ongeveer 10 minuten voordat [benadeelde partij] de woning verliet en enkele ogenblikken later met een mes werd gestoken, heeft geseind met de buitenlamp door deze op verschillende momenten aan en uit te doen. De inhoud van het gesprek tussen [medeverdachte] en de verdachte in de bus van DV&O waarin de verdachte heeft gezegd dat hij aan het wachten was toen [medeverdachte] aan het seinen was, en de volgordelijkheid van de gebeurtenissen op de camerabeelden passen naadloos in elkaar. Omdat de gebeurtenissen elkaar in zeer korte tijd opvolgen en het moment tussen het verlaten van het huis en het openen van de portier van de werkbus zeer kort is, dicht het hof aan [medeverdachte] een grotere rol toe dan de rechtbank dat heeft gedaan. De verdachten hebben het plan om [benadeelde partij] te doden samen gesmeed. Seinen impliceert namelijk dat de ontvanger weet dat na het sein een actie moet plaatsvinden en dat de zender weet dat de ander op het signaal wacht. Het voor de laatste keer uitdoen van de buitenlamp, kan – nu verdachte dit zelf als “seinen” heeft aangeduid – niet anders worden gezien dan dat [medeverdachte] verdachte daarmee op de hoogte bracht van het feit dat [benadeelde partij] op weg was naar zijn werkbus. Kort daarna is [benadeelde partij] ook daadwerkelijk gestoken door de verdachte. De rol van [medeverdachte] strekt zich dus uit tot zowel het smeden van het plan als bij de uitvoering daarvan. Deze rol is naar het oordeel van het hof van voldoende gewicht om te spreken van een bewuste en nauwe samenwerking. Dit maakt dat het hof medeplegen van het feit bewezen acht.
Conclusie
Gelet op de voornoemde bewijsmiddelen en alles overwegend komt het hof tot het oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat [verdachte ] zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.
Voorwaardelijk verzoek
Door de verdediging is het voorwaardelijke verzoek gedaan om [Getuige] (de toenmalige partner van de verdachte) als getuige te horen. Als voorwaarde voor dit verzoek is gesteld dat het hof aanneemt dat het verwantschapsonderzoek kan worden gebezigd als bewijs en dat de verdachte niet integraal wordt vrijgesproken. Aan deze voorwaarden is voldaan.
Het hof heeft het verzoek beoordeeld op basis van de maatstaf van het noodzakelijkheidscriterium vanwege het moment waarop het getuigenverzoek is gedaan.
Het verzoek is, zo begrijpt het hof de pleitnotitie en de aanvulling op de zitting, ingestoken door de stelling dat de jas nader had moeten worden onderzocht en dat dit niet meer mogelijk is omdat de jas door [Getuige] is vernietigd.
Dat kleding is weggegooid of vernietigd door [Getuige] , vindt geen steun in het dossier. Zo is een gesprek tussen de verdachte ( [verdachte ] ) en [Getuige] getapt. Uit tapgesprek met sessienummer 966 (p. 1048) volgt:
“ [verdachte ] : zei ik toch
[Getuige] : want die jas zijn ze kwijt
[verdachte ] : jas? welke jas?
[Getuige] : die jij op 12 januari daar aanhad toen jij die diesel heb gebracht.
[verdachte ] : geen idee
[Getuige] : die Parajumper jas
[verdachte ] : weet ik niet
[Getuige] : ik weet ook niet waar die is. Die hebben ze ook niet gevonden tijdens het huis doorzoeking
[verdachte ] : die heb ik al heel lang niet meer aangehad. Ja die zondag, daar ,meer heb ik niet aan gehad. (…)
[Getuige] : daar lijkt het er op, omdat ze niet weten waar die jas is.
[verdachte ] : ja dat weet ik ook niet Geen idee Ik heb de jas ook niet meer gezien.
[Getuige] : ik had gezegd het kan zijn dat die in een bus ligt, of zijn zaak, weet ik veel.”
Uit deze tapgesprekken volgt op geen enkele manier dat de kleding door [Getuige] is weggemaakt. Dat [Getuige] die kleding zou hebben weggemaakt, is enkel op een later moment door de verdachte gesuggereerd. Het hof ziet hierin geen noodzaak om [Getuige] als getuige te bevragen over dat wat er met de jas kan zijn gebeurd.
Ook ziet het hof niet de noodzaak [Getuige] te bevragen over haar verklaring dat verdachte de jas eigenlijk nooit droeg of over (welke) anderen de jas mogelijk ook hebben gedragen. Verdachte heeft immers zelf verklaard dat hij de bewuste jas droeg, hetgeen steun vindt in de omstandigheid dat uit het dossier volgt dat verdachte de jas in ieder geval droeg op 30 december 2024 en 12 januari 2025.
Het verzoek om een regiezitting te bepalen als het hof niet tot een vrijspraak komt, laat het hof verder onbesproken omdat niet is onderbouwd welke onderzoekswensen op een dergelijke zitting zouden moeten worden besproken.
Het hof wijst de voorwaardelijke verzoeken af.
Bewezenverklaring
Het hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij in of omstreeks de periode van 10 januari 2025 tot en met op 13 januari 2025 te [plaats 1] , [gemeente] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven meermalen, althans eenmaal, met kracht met een mes heeft gestoken in de rug en/of schouder, althans in het lichaam van die [benadeelde partij] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Het hof spreekt de verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar.
Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van poging tot moord.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat de verdachte niet strafbaar is.
Oplegging van straf
De rechtbank Gelderland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaren (met aftrek van het voorarrest).
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd. Verder is gevorderd een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen en de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd. Wel is verzocht het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.
Oordeel van het hof
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Verdachte heeft zich samen met [medeverdachte] schuldig gemaakt aan een poging tot moord op [benadeelde partij] , de toenmalige partner van [medeverdachte] . [benadeelde partij] vertrok op de vroege ochtend van 13 januari 2025 – nietsvermoedend en met de waan van een normale dag voor zich – naar zijn werk. Direct nadat hij zijn woning had verlaten werd [benadeelde partij] van achteren aangevallen door de verdachte met een groot mes. [medeverdachte] had de verdachte kort daarvoor met lichtsignalen ingeseind dat [benadeelde partij] eraan kwam. [benadeelde partij] is in zijn schouder gestoken. De verdachte heeft met zo veel kracht gestoken dat het mes maar liefst zeventien centimeter het lichaam van [benadeelde partij] is binnengedrongen, tot op slechts enkele millimeters van zijn hart. [benadeelde partij] heeft enorm geluk gehad dat hij deze moordaanslag heeft overleefd. Deze aanslag heeft bij [benadeelde partij] niet alleen fysieke sporen nagelaten maar zal ook ernstige psychische gevolgen voor hem hebben. De wetenschap dat zijn eigen partner en iemand die hij als een vriend zag, hebben samengespannen om hem van het leven te beroven en om bovendien zijn kinderen hun eigen vader te ontnemen, zal onbegrijpelijk en onverteerbaar voor [benadeelde partij] zijn. De gebeurtenissen zullen ook op de kinderen van [benadeelde partij] een grote impact hebben, ook al omdat een van de daders van de aanslag op hun vader nota bene hun eigen moeder is.
Waarom [benadeelde partij] nou zo nodig dood moest – iets wat ook [benadeelde partij] zich nadrukkelijk afvraagt – is voor het hof onduidelijk gebleven. Maar dat deze aanslag samenhangt met of is ingegeven door de heimelijke liefdesrelatie die de verdachte en [medeverdachte] er op dat moment op na hielden, lijkt voor de hand te liggen. Maar duidelijkheid hierover hebben de verdachte en [medeverdachte] niet willen geven. Ze hebben geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor hun daden. Ze bleven volharden in hun ontkenning ook maar iets te maken hebben met de aanslag. Naar het oordeel van het hof hebben de verdachte en [medeverdachte] hoe dan ook blijk gegeven van een berekenende en kille onverschilligheid voor het leven en het lot van [benadeelde partij] . Dat uitte zich onder meer ook door al de eerste nacht na de aanslag samen een kamer te boeken in een hotel en daar de nacht door te brengen. Dit alles rekent het hof de verdachten zwaar aan.
Bij dit feit past, gelet op de ernst ervan, geen andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur.
Verder heeft het hof kennisgenomen van het uittreksel Justitiële Documentatie van de verdachte van 6 augustus 2026. Hierop staan meer geweldsmisdrijven. Die feiten zijn zo lang geleden gepleegd of het betreft een zaak waarbij het hoger beroep nog loopt dat deze niet van invloed zijn op de op te leggen straf.
Ook heeft het hof kennis genomen van de reclasseringsrapportages die zijn opgemaakt omtrent de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte kampt met impulsiviteit, boosheid, ADHD en een licht verstandelijke beperking. De eerder ingezette hulpverlening heeft niet de gewenste uitwerking gehad en heeft niet geleid tot gedragsverandering. Dit baart het hof zorgen maar is niet van invloed op de op te leggen straf.
Van strafverminderende omstandigheden is in deze zaak geen sprake. Deze zijn niet aangevoerd en heeft het hof ook niet in het dossier gelezen.
Gelet vooral op de ernst van het feit en het uitgangspunt dat bij dit feit geen andere straf past dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur, is het hof van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde straf en de strafeis van de advocaat-generaal passend zijn. Het hof zal deze daarom volgen. Dat betekent dat het hof aan de verdachte een gevangenisstraf zal opleggen voor de duur van tien jaren (met aftrek van de tijd doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis). Deze straf is gelijk aan de straf die aan de [medeverdachte] (21-004300-25) is opgelegd.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vrijheidsbeperkende maatregel
Het hof zal geen locatie- of contactverbod opleggen aan de verdachte, zoals is verzocht door [benadeelde partij] . Een vrijheidsbeperkende maatregel kan worden opgelegd ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten. Het hof ziet op dit moment onvoldoende concrete aanwijzingen dat aan die vereisten is voldaan.
Voorlopige hechtenis
Bij dit arrest heeft het hof opnieuw een afweging te maken over de voorlopige hechtenis, vanwege het verzoek tot het opheffen van de voorlopige hechtenis dan wel het verzoek tot het opheffen van de schorsing.
De verdachte loopt vanaf 17 juni 2026 tot aan de einduitspraak in hoger beroep in een schorsing van de voorlopige hechtenis. De grondslag van de voorlopige hechtenis betreft de ernstige bezwaren met de 12-jaarsgrond, de grote recidivegrond en de grond van het veroordelend vonnis. Hoewel deze grondslag, en dan met name de 12-jaarsgrond, zich niet goed met een schorsing verhoudt, zag het hof destijds aanleiding om de verdachte te schorsen zodat hij aanwezig kan zijn bij de bevalling van zijn zoon en de kraamtijd. Deze schorsing heeft drie maanden geduurd. Nu er geen zitting heeft plaatsgevonden over het overtreden van schorsingsvoorwaarden, gaat het hof ervan uit dat de schorsingsvoorwaarden zijn nageleefd. Nu de kraamtijd ten einde komt, raakt het toen aangenomen persoonlijke belang van verdachte meer op de achtergrond en weegt het strafvorderlijk belang, en dan met name ook dat van [benadeelde partij] als slachtoffer in deze zaak, inmiddels zwaarder dan het belang van de verdachte. Omdat de schorsing duurt tot aan de einduitspraak, zal het hof enkel het verzoek tot het opheffen van het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis afwijzen. Daarmee zal de voorlopige hechtenis voortduren. Een hernieuwde schorsing is naar het oordeel van het hof niet aan de orde, nu van zwaarwegende persoonlijke omstandigheden niet is gebleken.
Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 10.575,00 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag toegewezen.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de
benadeelde partij (hoofdelijk) kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, mocht de verdachte worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof. Door de verdachte is tijdens de zitting in hoger beroep nog wel aangevoerd dat [benadeelde partij] al langer last heeft van zijn longen.
Oordeel van het hof
Materiële schade
Op de zitting en uit het dossier is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van de verdachte, namelijk het steken met een mes in zijn rug/schouder.
De vergoeding van het ziekenhuisdaggeld komt het hof redelijk voor, omdat uit de stukken blijkt van een ziekenhuisopname van een aantal dagen. Ook het gevorderde eigen risico komt het hof redelijk voor, omdat [benadeelde partij] door de ziekenhuisopnames het eigen risico heeft verbruikt. Verder zijn deze schadeposten inhoudelijk niet betwist. De verdachte moet die materiële schade vergoeden. De vordering wordt daarom toegewezen.
Immateriële schade
Het hof stelt vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit, te weten het medeplegen van poging tot moord. Het lichamelijk letsel heeft bestaan uit een steekwond tot in de borstholte met letsel
aan het longweefsel en bloed in de borstholte.
Immateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt. Naast de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, heeft het hof bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere aantastingen in de persoon.
Het hof zoekt aansluiting bij de categorie minder ernstig borstletsel met een bandbreedte
€ 8.500,00 tot € 12.000,00 en houdt rekening met de volgende omstandigheden. [benadeelde partij] heeft het hiervoor genoemde letsel opgelopen. Het mes bevond zich ongeveer zeventien centimeter in de borstkas.
Het hof zoekt daarnaast aansluiting bij categorie minder ernstige littekenvorming (op andere delen van het lichaam dan het gezicht) met een bandbreedte € 1.500,00 tot € 5.500,00 en houdt rekening met de volgende omstandigheden. Aan zowel het steekincident als het plaatsen van de drain heeft [benadeelde partij] een zichtbaar litteken overgehouden.
Gelet op de bandbreedtes van beide categorieën en de benodigde medische behandeling zal het hof de gevorderde immateriële schade geheel toewijzen.
Wettelijke rente
Het hof bepaalt de datum van de wettelijke rente van de materiële schade op twee data, te weten 18 januari 2025 en de datum van dit arrest. De laatste dag van de ziekenhuisopname was namelijk op 18 januari 2025. Van het eigen risico ontbreekt een factuur, zodat de wettelijke rente voor dat bedrag wordt bepaald op de datum van dit arrest.
De datum van de wettelijke rente ten aanzien van de immateriële schade wordt bepaald op de datum van het delict.
Schadevergoedingsmaatregel
Om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.
Gijzeling
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 77 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
Proceskosten
Gelet op het vorenstaande dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
Hoofdelijk
De verdachte heeft het bewezenverklaarde feit samen met [medeverdachte] gepleegd en zij zijn samen naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Het hof bepaalt daarom dat wanneer de schadevergoeding door de mededader is betaald, de verdachte dit bedrag niet meer aan [benadeelde partij] hoeft te betalen, en andersom.
Wetsartikelen
De straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 45, 47, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 10.575,00 (tienduizend vijfhonderdvijfenzeventig euro) bestaande uit € 575,00 (vijfhonderdvijfenzeventig euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 10.575,00 (tienduizend vijfhonderdvijfenzeventig euro) bestaande uit € 575,00 (vijfhonderdvijfenzeventig euro) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 77 (zevenenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op
- 18 januari 2025 over een bedrag van € 190,00 ter zake van ziekenhuisdaggeldvergoeding; - 21 september 2026 over een bedrag van € 385,00 ter zake van eigen risico; en
- 13 januari 2025 ten aanzien van de immateriële schade.
Wijst af het verzoek tot het opheffen van het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.
Wijst af de voorwaardelijke verzoeken tot het horen van [Getuige] als getuige en het plannen van een regiezitting.
Aldus gewezen door
mr. M. Keppels, voorzitter,
mr. D.R. Sonneveldt en mr. T. Bertens, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. T. Lammerdink, griffier,
en op 21 september 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.